ECLI:NL:RBNHO:2025:13129 Rechtbank Noord-Holland , 13-11-2025 / HAA 24/7464
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering om van een eerder besluit tot afwijzing van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) terug te komen. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser zijn er nieuwe feiten en/of omstandigheden die eerder niet zijn meegewogen. De rechtbank volgt eiser hierin niet.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering om van een eerder besluit tot afwijzing van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) terug te komen. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser zijn er nieuwe feiten en/of omstandigheden die eerder niet zijn meegewogen. De rechtbank volgt eiser hierin niet.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7464
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] Hartog, uit Hoofddorp, eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. D. Brandt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering om van een eerder besluit tot afwijzing van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) terug te komen. Eiser is het niet eens met deze weigering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen op een eerder besluit tot afwijzing van een Wajong-uitkering. Het Uwv mocht het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit van 5 juli 2013 op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 31 juli 2024 heeft het Uwv het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 5 juli 2013 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dit besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn moeder, en de gemachtigde van het Uwv.
Totstandkoming van het besluit
Voorgeschiedenis
3. Eiser, geboren op [datum] 1979, was werkzaam als elektromonteur. Hij heeft zich op 9 oktober 2003 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Op 26 mei 2004 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen, omdat de beperkingen van eiser al aanwezig waren op zijn zeventiende levensjaar. Tijdens het onderzoek is door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige onderzocht of eiser mogelijk recht had op een Wajong-uitkering. Er is geen Wajong-uitkering toegekend, omdat eiser in staat werd geacht om het minimumloon te verdienen. Eiser is per 9 januari 2006 weer aan het werk gegaan als elektromonteur. Op 3 november 2006 heeft hij zich weer ziekgemeld. De verzekeringsarts heeft bij de beoordeling in het kader van de Ziektewet (ZW) een expertise-onderzoek aangevraagd bij Argonaut. In de rapportage van 12 juli 2007 van Argonaut staat – onder meer – vermeld dat uit het onderzoek aanwijzingen zijn gekomen voor ontwikkelingsproblematiek in de vorm van een ADHD-beeld (binnen het kader waarvan) zich tevens een persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld met kenmerken van een “as if” borderline persoonlijkheidsprofiel. De verzekeringsarts acht eiser, zoals vermeld in zijn rapport van 13 juli 2007, geschikt voor het verrichten van passend werk.
Op 24 juni 2008 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. De aanvraag is afgewezen, omdat eiser meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Op 25 juni 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 5 juli 2013 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat er bij eerdere beoordelingen is vastgesteld dat eiser kan werken. Eiser zou daarmee meer dan 75% van het minimumloon kunnen verdienen. Het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 juli 2013 is ongegrond verklaard. Het door eiser tegen die beslissing op bezwaar van 17 september 2013 ingestelde beroep is niet inhoudelijk beoordeeld, omdat het te laat was ingediend.
Op 25 mei 2021 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend en daarbij een rapport van een psychologisch onderzoek uit 2017 overlegd. Deze aanvraag is afgewezen, omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan. In de beslissing op bezwaar is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
Besluitvorming
4. Eiser heeft op 26 juni 2024 opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij door klachten en beperkingen niet in staat is om te werken. Eiser heeft dagbesteding geprobeerd, maar dat is niet gelukt. De verzekeringsarts heeft onderzoek verricht en op 25 juli 2024 gerapporteerd. Het Uwv heeft de aanvraag onder verwijzing naar de conclusies van de verzekeringsarts afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft eiser een psychologisch rapport uit 2017 overlegd.
5. Het Uwv heeft het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn, die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 5 juli 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het psychologisch rapport uit 2017 bij een eerdere beoordeling van het Uwv in 2021 is meegewogen en de inhoud van het rapport geeft geen aanleiding om (nieuwe) informatie en/of veranderde omstandigheden aan te nemen die zouden moeten leiden tot het wijzigen van de beslissing van 5 juli 2013.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt het besluit om niet terug te komen van de eerdere afwijzing van een Wajong-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. Eiser stelt dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die eerder niet zijn meegewogen omdat het Uwv zich onterecht vasthoudt aan de uitslag van Argonaut in 2007 waaruit de diagnose ‘borderline’ volgde. Die diagnose is volgens eiser onjuist. Daartoe heeft eiser een psychologisch rapport uit 2017 overgelegd. In 2017 is eiser opnieuw getest, waaruit de diagnoses autisme en ADHD volgden. Eiser kan zich daarin vinden en wijst erop dat hij heeft geprobeerd te werken, maar dat hij dat telkens niet volhoudt. Eiser heeft in beroep verder een brief van de huisarts, een specialistenbericht van GGZ InGeest en een brief van de klinisch casemanager van Parnassia overgelegd.
8. Tussen partijen is niet in geding dat sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb.
9. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de bestuursrechter in een geval als dit, waarin het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toepast, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
10. Verder geldt dat het bij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet gaan om feiten of omstandigheden die zich ná het eerdere besluit hebben voorgedaan. Het kan ook gaan om feiten of omstandigheden die zich wel vóór het eerdere besluit hebben voorgedaan, maar die niet vóór dat besluit naar voren konden worden gebracht. Een medisch rapport is op zich niet aan te merken als een nieuw feit, maar uit een medisch rapport kunnen wel nieuwe feiten blijken.
11. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld. In het rapport van 23 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat het psychologisch rapport uit 2017 geen nieuw gegeven is omdat dit stuk ook in de beoordeling in 2021 is betrokken. Vast staat dat in 2017 de diagnose autisme ADHD aan de symptomen van eiser is gekoppeld, terwijl dit voorheen werd geduid als borderline persoonlijkheidsstoornis. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts van 11 augustus 2021 is dat bij die beoordeling destijds al meegewogen. In de rapportage van 11 augustus 2021 wordt uitgegaan van de diagnose autistische stoornis. Verder is vermeld dat er sprake is van beperkingen als gevolg van ASS, een aandoening die er zeker al op zijn 18e verjaardag was, men toen uitging van andere diagnosen, dat echter het functioneren en de beperkingen indertijd goed staan beschreven. De beperkingen die voor eiser zijn vastgesteld bij de beoordeling in 2021, waarbij het psychologische rapport uit 2017 is meegewogen, zijn dezelfde beperkingen die ook eerder, in het kader van de aanvraag in 2013, zijn vastgesteld.
12. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat ook de door eiser in beroep overgelegde stukken van de huisarts, de klinisch casemanager en het specialistenbericht van GGZ InGeest geen nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatten. In de brief van de GGZ staan alleen algemene bewoordingen van symptomen en diagnoses die blijkens de rapportages al eerder zijn meegenomen in de beoordeling van de Wajong-aanvraag. In de brief van de klinisch casemanager is de diagnose ASS vermeld en dat de gestelde problematiek als ernstig gedefinieerd kan worden. Dat eiser, zoals uit de brief van de huisarts blijkt, recentelijk (december 2022) is gediagnosticeerd met COPD, kan niet worden meegenomen in de beoordeling omdat dit niet ziet op de periode die vanwege het toetsingskader van de Wajong relevant is.
13. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het Uwv de herhaalde aanvraag heeft mogen afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. In wat eiser heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
14. De beslissing op bezwaar kan in stand blijven. De stelling van eiser dat zijn vrienden wel een Wajong-uitkering krijgen, en hij als enige niet, maakt dit oordeel niet anders. Daarvoor is nodig dat sprake is van gelijke gevallen, en niet is gebleken dat het, in het geval van die vrienden, ook daadwerkelijk gaat om gelijke gevallen.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het Uwv de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op http://www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:581.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...