ECLI:NL:RBNHO:2025:4174 Rechtbank Noord-Holland , 09-04-2025 / 9507986 \ CV EXPL 21-7216
Verdrag van Montreal. De passagiers hebben niet op het annuleringsbericht van de vervoerder gereageerd, maar zelf een alternatieve vlucht geboekt. Daarmee hebben zij het de vervoerder onmogelijk gemaakt om uit zijn verplichtingen ogv de Verordening te voldoen. De verplichtingen van de vervoerder gaan niet zóver dat hij alle beschikbare alternatieve vluchten in zijn annuleringsbericht moet benoe...
5 min de lecture · 1 048 mots
Inhoudsindicatie. Verdrag van Montreal. De passagiers hebben niet op het annuleringsbericht van de vervoerder gereageerd, maar zelf een alternatieve vlucht geboekt. Daarmee hebben zij het de vervoerder onmogelijk gemaakt om uit zijn verplichtingen ogv de Verordening te voldoen. De verplichtingen van de vervoerder gaan niet zóver dat hij alle beschikbare alternatieve vluchten in zijn annuleringsbericht moet benoemen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9507986 \ CV EXPL 21-7216
Uitspraakdatum: 9 april 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Kloot
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
— de dagvaarding:
— de conclusie van antwoord;
— de conclusie van repliek;
— de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 24 juli 2019 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport naar Faro (Portugal), met vlucht HV5359 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben zelf een alternatieve vlucht met vertrek vanaf Düsseldorf geboekt, waarmee zij uiteindelijk 45 uur en 34 minuten later dan oorspronkelijk gepland in Faro zijn aangekomen.
3Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
— € 2.891,61, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
— de wettelijke rente over € 30,78 vanaf 13 september 2019 tot 5 september 2019;
— € 544,50 dan wel € 504,86 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
— de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening), de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en . De passagiers stellen dat zij als gevolg van de annulering kosten hebben moeten maken voor een vervangende vlucht (€ 2.610,08), een nieuwe transfer naar de accommodatie (€ 62,50), reiskosten naar de woonplaats (€ 30,93) en reiskosten naar de alternatieve luchthaven van vertrek (€ 218,88). De passagiers stellen dat de vervoerder deze kosten moet vergoeden.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Artikel 19 van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De vervoerder heeft aangevoerd dat hij de passagiers bij e-mail van 24 juli 2019 om 21:09 uur (tijdzone onbekend) de mogelijkheid heeft geboden om een nieuwe vlucht te boeken door contact op te nemen met de vervoerder. De passagiers hebben niet betwist dat zij voornoemde e-mail hebben ontvangen. Zij hebben ook niet betwist dat zij niet op de e-mail van de vervoerder hebben gereageerd. De passagiers hebben hun stelling dat zij op de luchthaven contact met de vervoerder hebben gezocht niet onderbouwd. Uit het door de vervoerder overgelegde reserveringsoverzicht van de passagiers volgt dat de passagiers slechts contact hebben gezocht over terugbetaling van bagagekosten.
De kantonrechter is van oordeel dat de informatieplicht voor de vervoerder niet zóver gaat dat hij alle mogelijke vluchten in deze e-mail had moeten benoemen; de beschikbaarheid van stoelen wisselt immers continue. De vervoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de passagiers heeft aangeboden om de vereiste bijstand te verlenen en dat zij ook een passend en redelijk alternatief beschikbaar had (namelijk de HV5357 en HV5359 van 25 juli 2019). De passagiers hebben er (door niet op de e-mail van de vervoerder te reageren en zelf een alternatieve reis te boeken) voor gekozen om geen gebruik te maken van de door de vervoerder aangeboden opties. De vervoerder is zodoende niet gehouden om de door de passagiers gemaakte extra kosten te vergoeden. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering tot schadevergoeding zal afwijzen.
De passagiers hebben ten slotte de wettelijke rente over het door de vervoerder vergoedde bedrag van € 30,93 gevorderd. De kantonrechter merkt op dat de gestelde einddatum (5 september 2019) vóór de gevorderde ingangsdatum (13 september 2019) van de wettelijke rente ligt. Het is de kantonrechter niet duidelijk wat de passagiers daarmee hebben bedoeld, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen (indien betekening heeft plaatsgevonden) met de explootkosten van betekening.
5De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 476,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 119,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...