ECLI:NL:RBNHO:2025:6516 Rechtbank Noord-Holland , 09-04-2025 / 11336128
De zaak gaat om de vraag of de huurovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en de huurders de woning moeten ontruimen, omdat zij een huurachterstand hebben. De kantonrechter is van oordeel dat de hoogte van de huurachterstand dit rechtvaardigt. De vordering van de verhuurster wordt daarom toegewezen. Ook moeten de huurders de huurachterstand en de nog te verschijnen gebruiksvergoeding...
17 min de lecture · 3 560 mots
Inhoudsindicatie. De zaak gaat om de vraag of de huurovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en de huurders de woning moeten ontruimen, omdat zij een huurachterstand hebben. De kantonrechter is van oordeel dat de hoogte van de huurachterstand dit rechtvaardigt. De vordering van de verhuurster wordt daarom toegewezen. Ook moeten de huurders de huurachterstand en de nog te verschijnen gebruiksvergoeding (inclusief het voorschot servicekosten) betalen. De door de huurders gevorderde huurprijsvermindering en schadevergoeding wegens gebreken in de woning, worden afgewezen.
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11336128 \ CV EXPL 24-3259
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap HORECA BEHEER DE NOORDKOP B.V.,
te Den Helder ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: De Noordkop,
gemachtigde: mr. M.C. Dirks,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,
2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. F.J.J. Baars.
De zaak in het kort
De zaak gaat om de vraag of de huurovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en de huurders de woning moeten ontruimen, omdat zij een huurachterstand hebben. De kantonrechter is van oordeel dat de hoogte van de huurachterstand dit rechtvaardigt. De vordering van de verhuurster wordt daarom toegewezen. Ook moeten de huurders de huurachterstand en de nog te verschijnen gebruiksvergoeding (inclusief het voorschot servicekosten) betalen. De door de huurders gevorderde huurprijsvermindering en schadevergoeding wegens gebreken in de woning, worden afgewezen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
— de dagvaarding van 30 september 2024
— de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie
— het tussenvonnis van 18 december 2024
— de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis
— de mondelinge behandeling van 18 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
De Noordkop is eigenaar van de woning aan het adres [adres] in [plaats] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren de benedenwoning met ingang van 1 augustus 2023 van De Noordkop tegen een huurprijs van € 995,00 per maand. De huurprijs moet voor de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft worden betaald. De bovenwoning wordt verhuurd aan een andere huurder.
In artikel 17 van de huurovereenkomst staat dat borg “twee maanden oftewel
€ 2.985,-” is.
Partijen komen mondeling een voorschotbedrag voor de levering van energie overeen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen vanaf aanvang van de huurovereenkomst niet de borg, de huur op de afgesproken betaaldatum en het voorschot voor de levering van energie.
Op 21 december 2023 laten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan De Noordkop weten dat drie keukenapparaten niet of slecht functioneren maar dat zij zorgen voor nieuwe apparatuur, dat er een trap in de berging moet komen en dat zij al die maanden overlast hebben van muizen.
De Noordkop brengt verschillende thuisbezoeken aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen tweemaal een bedrag aan De Noordkop: op 10 januari 2024 € 5.051,02 en 30 maart 2024 € 4.000,00.
3Het geschil
in conventie
De Noordkop vordert — samengevat — ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand, het voorschot energie, de borg, rente en incassokosten van in totaal € 20.446,05.
De Noordkop legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tot en met maart 2025 een huurachterstand (inclusief het voorschot voor de levering van energie van € 250,00 per maand) laten ontstaan van € 25.347,75 en hebben de borg van € 2.985,00 niet betaald. Verminderd met de betalingen moeten zij nog € 19.281,73 betalen. De Noordkop heeft de huurachterstand van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangemeld bij de gemeente. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim zijn met hun betalingsverplichting, zijn zij wettelijke rente verschuldigd, die tot 19 september 2024
€ 314,75 bedraagt. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nalatig zijn gebleven met betaling binnen de termijn van de kosteloze aanmaning, maakt De Noordkop ook aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 849,57.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van De Noordkop, met veroordeling van De Noordkop in de kosten van deze procedure. Zij voeren daartoe aan dat De Noordkop heeft nagelaten de huurachterstand deugdelijk te onderbouwen en dat een voorschot van € 220,00 is overeengekomen in plaats van € 250,00. Verder is sprake is van onderhoudsgebreken die aan de Noordkop zijn gemeld en die moeten leiden tot een vermindering van de huurprijs van € 100,00 per maand vanaf 1 juli 2024. Omdat De Noordkop niet tot herstel is overgegaan, maken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook aanspraak op een schadevergoeding van € 3.533,20 voor de kosten van een door hen in te schakelen aannemer. Zij beroepen zich op verrekening van deze bedragen met de huurachterstand.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen — samengevat — dat de kantonrechter de overeengekomen huurprijs vermindert tot een huurprijs van € 895,00 per maand vanaf 1 juli 2024 tot de eerste van de maand nadat de onderhoudswerkzaamheden zijn afgerond en veroordeling van De Noordkop tot betaling van een schadevergoeding van € 3.533,20 en afgifte van een afrekening van de servicekosten over 2023 en 2024.
De Noordkop voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
De uitgangspunten
Partijen hebben een huurovereenkomst gesloten met een (aanvangs)huurprijs van € 995,00 per maand. Er is dus sprake van geliberaliseerde huur van woonruimte. Verder hebben partijen mondeling afgesproken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naast de huurprijs elke maand servicekosten betalen voor de levering van energie. Vastgesteld kan worden dat [gedaagde 1] naast de twee betalingen van in totaal € 9.051,02 geen verdere betalingen hebben gedaan aan De Noordkop.
De servicekosten
Partijen zijn verdeeld over (de verschuldigdheid en hoogte van de) de kosten voor de nutsvoorzieningen (hierna ook: servicekosten).
De betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot kosten voor de nutsvoorzieningen (servicekosten) beloopt het bedrag dat door de huurder en verhuurder is overeengekomen. Partijen zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] servicekosten zouden betalen. Het betoog van hun raadsman dat sprake is van strijd met de Wet goed verhuurderschap en een oneerlijk beding, gaat niet op.
Bij servicekosten geldt dat alleen moet worden betaald voor de werkelijk gemaakte kosten. De verhuurder moet elk jaar (uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar) een naar de soort uitgesplitst overzicht van de in dat jaar in rekening gebrachte kosten voor servicekosten verstrekken. Daarin moet ook de wijze van berekening worden vermeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat De Noordkop heeft nagelaten dat overzicht aan hen te verstrekken voor 2023 en 2024 en hebben in dat kader een tegenvordering ingesteld tot afgifte daarvan. Inmiddels heeft De Noordkop in deze procedure met twee jaarnota’s van de energieleverancier en een overzicht over de periode 1 augustus 2023 tot en met 28 juli 2024 inzage gegeven in de werkelijk gemaakte kosten.
In het overzicht over de periode 1 augustus 2023 tot en met 28 juli 2024 staat het totale verbruik van energie voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de huurder van de bovenwoning, het verbruik vanaf de tussenmeter, de daaruit voortvloeiende percentages van het verbruik voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat van de huurder van de bovenwoning en ten slotte tot welke kosten van het verbruik dat per huurder leidt. Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de kosten over die periode volgens het overzicht € 3.265,23. Dit komt neer op een maandbedrag van afgerond € 272,00. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het overzicht en de daarin vermelde berekeningswijze niet weersproken. Dus de kantonrechter gaat uit van het overzicht.
De kantonrechter oordeelt dat De Noordkop voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat servicekosten van € 250,00 zijn overeengekomen en dat dit bedrag past bij het werkelijke verbruik. Met de reactie van [gedaagde 1] op zitting dat zij had begrepen dat € 220,00 was overeengekomen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een andere afspraak onvoldoende onderbouwd. Hun stellingen zijn daarvoor te vaag en het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een ander bedrag is afgesproken. De kantonrechter gaat daarom uit van een overeengekomen voorschot van € 250,00 per maand.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zonder overleg met De Noordkop een overeenkomst met een andere energieleverancier gesloten ingaande op 19 oktober 2024, terwijl er één hoofdmeter is voor zowel de door hen gehuurde woning als de bovenwoning. De huurder van de bovenwoning is daardoor voor zijn energie afhankelijk van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , terwijl hij het voorschot servicekosten betaalt aan en moet afrekenen met De Noordkop. In de akte wijziging van eis verzoekt De Noordkop [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om eraan mee te werken dit terug te draaien. De Noordkop heeft echter haar vordering niet op dit punt gewijzigd, zodat hierop geen beslissing kan worden genomen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op hun beurt op het standpunt dat zij vanaf 19 oktober 2024 geen servicekosten zijn verschuldigd aan De Noordkop, omdat zij rechtstreeks aan de energieleverancier betalen. Dit standpunt gaat niet op, omdat zij betaling van het voorschot servicekosten van € 250,00 met De Noordkop zijn overeengekomen en zij die overeenkomst niet eenzijdig kunnen wijzigen. Dat zou ook onredelijk zijn, omdat zij zonder overleg met en toestemming van De Noordkop hebben gehandeld. Zij moeten het overeengekomen voorschot dus ook na 19 oktober 2024 aan De Noordkop betalen.
Borg
De Noordkop maakt ook aanspraak op een waarborgsom van € 2.985,00. Artikel 17 van de huurovereenkomst bepaalt dat de waarborgsom “twee maanden huur is oftewel
€ 2.985,00”. De Noordkop knoopt aan bij het genoemde bedrag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat de waarborgsom twee maanden huur is, dus € 1.990,00. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft De Noordkop in een eerste gesprek gezegd dat de waarborgsom op grond van de wet maximaal twee maanden mag zijn. Zij gingen er daarom vanuit dat de overeengekomen waarborgsom twee maanden huur is en vinden dat de onduidelijkheid in de huurovereenkomst voor rekening van De Noordkop moet komen.
Partijen zijn het niet eens over de uitleg van een tegenstrijdige bepaling in de huurovereenkomst. De vraag wat partijen zijn overeengekomen, moet worden beantwoord aan de hand van zowel de taalkundige uitleg van de overeenkomst, als aan de hand van de gerechtvaardigde bedoelingen en verwachtingen van partijen bij het aangaan van de overeenkomst.
Hoewel voor geliberaliseerde huur een wettelijke regeling ontbreekt over een maximale hoogte van de waarborgsom, mag de waarborgsom voor niet-geliberaliseerde huur ten hoogste tweemaal de huurprijs zijn. De verklaring van [gedaagde 1] op de zitting dat dit is besproken en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dus zijn uitgegaan van een waarborgsom van twee maanden huur, komt de kantonrechter daarom aannemelijk voor. De Noordkop wijst op haar beurt naar een brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 29 september 2023 en stelt zich op het standpunt dat het voor hen duidelijk was dat de waarborgsom drie maanden huur is. In die brief schrijven zij namelijk dat De Noordkop in december de huur en een maand borg krijgt en “In februari ook maximaal 2 mnd, borg erbij!”. Anders dan De Noordkop leest de kantonrechter daarin niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitgingen van een waarborgsom ter hoogte van drie maanden huur, omdat er een komma staat tussen “2 mnd” en “borg erbij”. De twee maanden kunnen daarom ook gaan over de achterstallige huurtermijnen. Daar komt bij dat De Noordkop een professionele verhuurder is en het aan haar is om onduidelijkheden in een overeenkomst te voorkomen. De kantonrechter volgt daarom het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en legt de bepaling in de huurovereenkomst zo uit dat partijen een waarborgsom van twee maanden huur zijn overeengekomen, oftewel € 1.990,00. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn dat bedrag dus verschuldigd. De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat mondeling is overeengekomen dat de waarborgsom niet hoeft te worden betaald, staat haaks op de huurovereenkomst en hun brief van 29 september 2023 en wordt daarom niet gevolgd.
Hoogte van de betalingsachterstand
De Noordkop heeft met een overzicht onderbouwd dat de betalingsverplichting voor de huur en servicekosten over de gehele huurperiode (1 augustus 2023 tot en met maart 2025) in totaal € 25.347,75 is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit overzicht, de berekening en het bedrag niet weersproken, dus de kantonrechter gaat daarvan uit. Verder is de waarborgsom € 1.990,00 en hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in totaal € 9.051,02 betaald aan De Noordkop. De hoogte van de betalingsachterstand is daarmee € 18.286,73.
Gebreken
De gebreken bestaan volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit 1) ondeugdelijk of defect keukenapparatuur, 2) overlast van muizen als gevolg van openingen en gaten in plafonds en muren, 3) het ontbreken van een trap in de berging, 4) gebreken en een verstopte afvoer in de badkamer en 5) achterstallig onderhoud aan het verwarminssysteem/de ketel. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat ze dit mondeling hebben gemeld en in de brief van 21 december 2023. Zij stellen zich op het standpunt dat De Noordkop daarop niet (afdoende) heeft gereageerd en beroepen zich daarom op opschorting van hun betaalverplichting en verrekening met hun schade. De Noordkop voert aan dat alleen de onder 1), 2) en 3) genoemde gebreken aan haar zijn gemeld, met uitzondering van de openingen en gaten in plafonds en muren. Volgens De Noordkop heeft zij de brief van 21 december 2023 ontvangen, werkzaamheden verricht en daarna geen klachten meer ontvangen.
Een huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Als een verhuurder met het verhelpen in verzuim is, kan een huurder een gebrek ook zelf verhelpen en de daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen.
Tijdens de zitting is vastgesteld dat De Noordkop na de brief van 21 december 2023 een bezoek heeft gebracht aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarna twee betalingen ter hoogte van de op dat moment onbetaald gelaten huur gedaan en hebben, ook na latere aanmaningen van De Noordkop, niet meer bij De Noordkop geklaagd over gebreken. De kantonrechter volgt daarom de stelling van De Noordkop dat zij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de klachten waren opgelost dan wel niet meer een vermindering van huurgenot opleverden. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de andere gebreken aan De Noordkop hebben gemeld. Dat geldt ook voor de gebreken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het eerst op de zitting hebben genoemd (het afdichten van vloer meterkast en aanbrengen van een deur van hal naar woonkamer). Zij kunnen daarom geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en vergoeding van de kosten voor herstel van de gestelde gebreken. Overigens is tijdens de zitting gebleken dat herstel van de wandafwerking door een aannemer (nog) niet heeft plaatsgevonden en er dus geen kosten zijn gemaakt.
Het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op opschorting en verrekening slaagt dan ook niet. Zij moeten de achterstand van € 18.286,73 dus betalen.
Ontbinding en ontruiming
De betalingsachterstand levert een tekortkoming op. De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. Het woonbelang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weegt niet op tegen het belang van De Noordkop bij een huurder die de huur wel volledig betaalt. De vordering van De Noordkop tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt daarom toegewezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gevraagd om een terme de grâce. Dit verzoek zal worden afgewezen vanwege de hoogte van de huurachterstand die tijdens deze procedure is opgelopen en wegens het ontbreken van een onderbouwing van financiële middelen om de lopende huurtermijnen te betalen en de huurachterstand in te lopen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Huur/gebruiksvergoeding tot aan ontbinding en ontruiming
De gevorderde huurtermijnen vanaf 1 april 2025 tot aan de ontbinding van de huurovereenkomst (voor zover deze termijn niet is betaald) en de gevorderde gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huurtermijn tot de ontruiming van de woning (inclusief de servicekosten van € 250,00), worden ook toegewezen.
Wettelijke rente
De gevorderde rente zal worden toegewezen over de in de dagvaarding gevorderde kale hoofdsom, omdat De Noordkop haar eis ten aanzien van de rente niet heeft gewijzigd en de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan gevorderd. Omdat De Noordkop onvoldoende heeft gespecificeerd hoe de vordering ten aanzien van de rente is opgebouwd, zal de kantonrechter de rente toewijzen, als volgt.
Buitengerechtelijke incassokosten
De gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. De Noordkop heeft weliswaar gesteld op welke data zij de verschillende aanmaningen heeft verstuurd, maar de in deze aanmaningen vermelde wettelijke tarieven corresponderen niet met het gevorderde bedrag. Het gevorderde bedrag komt ook niet overeen met het wettelijk tarief behorend bij de hoofdsom in de dagvaarding (ook als de servicekosten over mei tot en met juli 2024 daarop in mindering worden gebracht). Daarmee is de berekening van de buitengerechtelijke kosten niet te volgen en is deze vordering onvoldoende gespecificeerd.
Proceskosten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Noordkop worden begroot op:
— kosten van de dagvaarding
€
113,61
— griffierecht
€
524,00
— salaris gemachtigde
€
745,00
(1 x € 339,00 + 1 × € 406,00)
— nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.517,61.
Hoofdelijkheid
De veroordeling tot betaling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
De gevorderde vermindering van de huurprijs en schadevergoeding worden afgewezen onder verwijzing naar wat daarover in conventie is overwogen.
De Noordkop heeft inzage gegeven in de werkelijke kosten voor verbruik van energie over de periode 1 augustus 2023 tot en met 28 juli 2024. Voor het verstrekken van inzage over de periode daarna ontbreekt een grondslag, omdat het boekjaar nog niet is verstreken. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van De Noordkop worden vanwege de samenhang met de zaak in conventie begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
ontbindt de huurovereenkomst tussen De Noordkop en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de woning gelegen aan het adres [adres] in [plaats] ,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van De Noordkop, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van De Noordkop te stellen,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan De Noordkop te betalen een bedrag van € 18.286,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.643,98 met ingang van 19 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan De Noordkop te betalen de huur inclusief voorschot servicekosten over 1 april 2025 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst en de gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs inclusief voorschot servicekosten van € 1.245,00 per maand voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat zij het gehuurde vanaf de ontbinding in gebruik hebben gehouden, tot en met het eind van de maand waarin de ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.517,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten die tot en met vandaag worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
Voetnoten
- Artikel 7:259 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
- Artikel 7:259 lid 2 BW.
- Artikel 7:261b lid 2 BW.
- Artikel 7:207 BW.
- Artikel 7:206 lid 1 en 3 BW.
- Artikel 6:119 BW.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...