ECLI:NL:RBOBR:2023:636 Rechtbank Oost-Brabant , 07-02-2023 / 21/3067

Wet WOZ. Waarde in beroep niet langer in geschil. De heffingsambtenaar mocht de waarde ambtshalve verminderen en het nadien gemaakte bezwaar richtte zich tegen die waarde (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:1284). Geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Beroep ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Source officielle

5 min de lecture 885 mots

Inhoudsindicatie. Wet WOZ. Waarde in beroep niet langer in geschil. De heffingsambtenaar mocht de waarde ambtshalve verminderen en het nadien gemaakte bezwaar richtte zich tegen die waarde (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:1284). Geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Beroep ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/3067

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 7 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en vervolgens uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

— verklaart het beroep ongegrond;

— wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Inleiding

De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 26 februari 2021 de waarde van de onroerende zaak aan [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld op € 665.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2020 en geldt voor het kalenderjaar 2021. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. Hierbij is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2021 bekendgemaakt.

Met de kennisgeving van 17 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar ambtshalve besloten om de waarde van de woning te verminderen naar € 574.000.

Eiseres heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde OZB-aanslag.

Met de uitspraak op bezwaar van 26 november 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning, zoals vastgesteld na de ambtshalve vermindering van 17 maart 2021, gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op dit verweerschrift gereageerd met een aanvullend beroepschrift.

Overwegingen

De waarde van de woning was aanvankelijk vastgesteld op € 665.000. Deze waarde is door de heffingsambtenaar op 17 maart 2021 ambtshalve verminderd tot € 574.000. Eiseres heeft haar gemachtigde ingeschakeld die op 26 maart 2021 bezwaar heeft gemaakt. Dit bezwaar is door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en de (ambtshalve verminderde) waarde van € 574.000 is gehandhaafd.

Eiseres heeft in haar beroepschrift aangegeven dat de waarde niet in geschil is. De rechtbank stelt derhalve vast dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Wel in geschil is of de heffingsambtenaar bevoegd was ambtshalve te verminderen en te verlagen en of hij het bezwaar gegrond had moeten verklaren en een proceskostenvergoeding had moeten toekennen. Eiseres stelt dat de heffingsambtenaar hiertoe niet bevoegd was, het bezwaar gegrond had moeten verklaren en een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.

Was de heffingsambtenaar bevoegd tot ambtshalve vermindering en verlaging over te gaan? De rechtbank vindt van wel en zij verwijst daarvoor naar de overwegingen 4.3. tot en met 4.12. van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waar nadien ook het gerechtshof Den Haag bij heeft aangesloten. De rechtbank maakt de daarin weergegeven overwegingen en oordelen tot de hare.

Was de heffingsambtenaar verplicht om eiseres een vergoeding toe te kennen voor haar proceskosten in de bezwaarfase? De rechtbank vindt van niet. Uit de hiervoor genoemde overwegingen vloeit voort dat een aanslag OZB/WOZ-beschikking en een ambtshalve vermindering/verlaging als het ware samensmelten als er op dat moment nog geen bezwaar tegen de aanslag is gemaakt. Een nadien gemaakt bezwaar richt zich – om in de beeldspraak te blijven – tegen dat samengesmolten besluit. Dat is wat er hier ook is gebeurd. Dat betekent dus dat in bezwaar in relatie tot de waarde enkel de vraag voorlag of de (ambtshalve verminderde) waarde van € 574.000 niet te hoog was. Tussen partijen is niet in geschil dat die waarde niet te hoog was. De heffingsambtenaar heeft in de bestreden uitspraak dan ook terecht overwogen dat het bezwaar ongegrond was en er geen aanleiding bestond om de proceskosten van eiseres te vergoeden.

Omdat het beroep ongegrond is, is er voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

Het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De immateriële schade bestaat in zaken als deze uit spanning en frustratie als gevolg van onzekerheid over de op eiseres rustende belastingdruk. Aangezien zij in haar beroepschrift al heeft verklaard dat de waarde niet (langer) in geschil is, kan er sindsdien ook geen sprake meer zijn van de genoemde spanning en frustratie.

De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.

De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 7 februari 2023.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Voetnoten

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1284.
  2. Gerechtshof Den Haag 8 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2367.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.