ECLI:NL:RBROT:2025:8373 Rechtbank Rotterdam , 11-07-2025 / ROT 24/8587
WIA. Tussenuitspraak. Het UWV heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen.
13 min de lecture · 2 820 mots
Inhoudsindicatie. WIA. Tussenuitspraak. Het UWV heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8587
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 11 juli 2025 in de zaak tussen
Global Spares Logistics B.V., uit Vlaardingen, eiseres
(gemachtigde: [naam 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om aan haar ex-werknemer, de heer M. Peverelli, een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen in de vorm van een Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).
2. Met het besluit van 14 november 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan ex-werknemer met ingang van 9 oktober 2023 (datum in geding) een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100% en daarbij bepaald dat ex-werknemer wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
Met het besluit van 1 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
De ex-werknemer heeft verklaard niet als derde partij aan het geding te willen deelnemen. Hij heeft wel toestemming gegeven om stukken die medische gegevens bevatten aan partijen in het geding toe te sturen.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de arts-gemachtigde van eiseres [naam 2] en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
3. De ex-werknemer was laatstelijk werkzaam als operationeel manager bij eiseres. Op 11 oktober 2021 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
Op 26 juni 2023 heeft de ex-werknemer een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. In het kader van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid per het einde van de wachttijd is de ex-werknemer op 3 oktober 2023 op het spreekuur gezien. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft in de rapportage van 6 oktober 2023 geconcludeerd dat de ex-werknemer verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die op 9 oktober 2023 is opgesteld en geldig is vanaf 3 oktober 2023. Hierin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen onvoldoende gangbare functies kunnen duiden om tot een schatting over te kunnen gaan. De mate van arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer is om die reden op 100% gesteld. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.
In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juli 2024 geconcludeerd dat de belastbaarheid in de FML juist is vastgesteld en dat geen sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen per de datum in geding. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat het UWV er ten onrechte vanuit gaat dat de beperkingen van de ex-werknemer zodanig kunnen afnemen dat hij daardoor weer in staat zou kunnen zijn om loonvormende arbeid te verrichten. Omdat de ex-werknemer al een geruime tijd volledig arbeidsongeschikt is, kan niet meer worden verwacht dat eventuele toekomstige behandelingen binnen een afzienbare termijn tot een verbetering van zijn medische situatie zullen leiden en dat hij daardoor met gangbare arbeid tenminste 20% van zijn maatmanloon kan verdienen. Volgens eiseres is de ex-werknemer duurzaam arbeidsongeschikt, waardoor aan hem niet een WGA-uitkering, maar een IVA-uitkering had moeten worden toegekend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapport van de arts-gemachtigde van Zenez B.V. overgelegd.
Toepasselijke wet- en regelgeving
5. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Voor de beoordeling van de duurzaamheid van volledige arbeidsongeschiktheid hanteert het UWV een beoordelingskader voor verzekeringsartsen, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader). Op grond van dit beoordelingskader wordt duurzaamheid aangenomen als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. In het beoordelingskader is een stappenplan opgenomen op grond waarvan de verzekeringsarts zich uitspreekt over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie op het moment van de beoordeling. Daarbij doorloopt de verzekeringsarts drie stappen:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, of:
een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2a. en 2b. doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.
Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2b. is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:
er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;
verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.
Beoordeling door de rechtbank
6. Niet in geschil is dat de ex-werknemer zijn eigen arbeid niet meer kan verrichten en dat de ex-werknemer met ingang van de datum in geding voor een percentage van 100% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank dient aan de hand van de beroepsgronden van eiseres te beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beperkingen van de ex-werknemer met ingang van de datum in geding niet duurzaam zijn. Eiseres dient voor een geslaagd beroep aannemelijk te maken dat het onderzoek van het UWV dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit onvoldoende is geweest of dat de door het UWV gegeven motivering de beslissing niet kan dragen.
Medische beoordeling
7. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen van de ex-werknemer het toepasselijke beoordelingskader heeft gevolgd.
Bij stap 1 van het beoordelingskader heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 5 juli 2024 toegelicht dat de ex-werknemer longcovid heeft, dat longcovid geen progressief of stabiel ziektebeeld is zonder behandelmogelijkheden en dat er wel behandelmogelijkheden zijn, maar dat deze beperkt zijn. In zijn aanvullende rapportage van 22 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieraan toegevoegd dat er vooralsnog geen curatieve behandeling voor longcovid bekend is en dat het conform het beoordelingskader niet alleen gaat om curatieve behandelingen, maar ook om behandelmethoden in functionele zin die gericht zijn op het herstel van het functioneren en het ontwikkelen van compensatiemogelijkheden. Eiseres bestrijdt stap 1 en hetgeen de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover heeft aangevoerd niet.
Bij stap 2 van het beoordelingskader heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 5 juli 2024 toegelicht dat de verwachting dat bij de ex-werknemer verbetering zal optreden redelijk tot goed is, omdat de ex-werknemer meer fysieke inspanning kan leveren door conditieopbouw en doordat de urenbeperking op medische gronden minder fors wordt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benoemd dat longcovid een relatief nieuwe ziekte is, waarbij enige revalidatie mogelijk is. Daarbij benoemt hij dat de ex-werknemer een intensief multidisciplinair revalidatietraject bij Revant heeft gevolgd, dat uit de afrondingsbrief van 16 mei 2023 blijkt dat de ex-werknemer moeite heeft met het zien van de positieve lijn die hij heeft gevonden en dat voor het managen van de energie een goede basis is gevonden waardoor de ex-werknemer meer kan genieten van wat er wel gaat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verbindt hieraan de conclusie dat de ex-werknemer met dit traject een positief resultaat heeft geboekt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht de revalidatiearts ook meer vooruitgang bij de ex-werknemer, gelet op het gegeven dat de revalidatiearts de ex-werknemer heeft doorverwezen naar de ergotherapeut om het geleerde tijdens het revalidatietraject vast te houden. De revalidatiearts heeft de ex-werknemer ook geadviseerd om Acceptance and Commitment Therapy (ACT) te volgen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou door middel van deze therapie het psychisch en het fysieke welzijn en daarmee de belastbaarheid van de ex-werknemer kunnen verbeteren. Daarnaast stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het bij longcovid belangrijk is om niet over de eigen grenzen te gaan. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou de ex-werknemer baat kunnen hebben bij een klachtencontigente aanpak met de nadruk op pacing, waardoor de fysieke belastbaarheid van de ex-werknemer kan verbeteren. Bovendien benoemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat niet kan worden uitgesloten dat de belastbaarheid, ook na het eerstvolgende jaar, door pacing kan verbeteren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV onvoldoende onderbouwd dat er vanwege behandelmogelijkheden verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar na de beoordeling per einde wachttijd bij de ex-werknemer kan worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vrij algemeen formuleert hoe de mogelijke behandelingen van invloed kunnen zijn op het psychische en fysieke welzijn en de belastbaarheid van de ex-werknemer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ex-werknemer voor de datum in geding monotherapeutische behandelingen heeft gevolgd bij een praktijkondersteuner huisartsenzorg, een psycholoog, een psychosomatisch fysiotherapeut en een ergotherapeut, maar dat herstel is uitgebleven. Aan het eind van het jaar 2022 is vervolgens een intensief multidisciplinair revalidatietraject dat gericht is op longcovid opgestart bij Revant. Hierdoor heeft enige verbetering plaatsgevonden ten aanzien van de energie en cognitie maar desondanks lijkt de belastbaarheid van de ex-werknemer na al deze behandelingen nog steeds wisselend te zijn. Hieraan lijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende aandacht te hebben besteed. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep benoemd dat de ex-werknemer door de revalidatiearts is verwezen naar een eerstelijns ergotherapeut en dat hij is gewezen op het volgen van ACT. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt de arts-gemachtigde van eiseres dat het volgen van ACT niet zou leiden tot verbetering van de fysieke belastbaarheid, maar enkel zou kunnen leiden tot een verbetering van het psychisch welzijn. Nu het volgen van ACT slechts gericht is tot de verbetering van het psychisch welzijn en de ex-werknemer met name fysieke (en cognitieve) klachten heeft, kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook niet volgen in zijn standpunt dat de fysieke belastbaarheid van de ex-werknemer zal gaan verbeteren. Tevens heeft de revalidatiearts benoemd dat het terugverwijzen naar een eerstelijns ergotherapeut gericht is op het vasthouden van het geleerde tijdens het revalidatietraject. De rechtbank begrijpt hieruit dat de revalidatiearts daarmee niet bedoeld heeft te zeggen dat dit zou kunnen tot verbetering, maar slechts tot het behouden van de (minimale) resultaten naar aanleiding van het revalidatietraject. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de behandeling ten aanzien van pacing te algemeen heeft geformuleerd en te weinig heeft toegespitst op de persoon van de ex-werknemer. Zo is er onvoldoende onderzoek verricht of de ex-werknemer in staat is de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorgestelde behandeling ten aanzien van pacing te volgen en is ook niet concreet toegelicht wat de kans op herstel in het eerstvolgende jaar (of eventueel daarna) door middel van deze behandeling is en welke (specifieke) gevolgen dit zou kunnen hebben voor de belastbaarheid van de ex-werknemer. Op de zitting heeft de arts-gemachtigde toegelicht dat zowel ACT als pacing reeds is voorgekomen in het multidisciplinair revalidatietraject en dat daaruit geen noemenswaardige verbetering is gebleken ten aanzien van de fysieke belastbaarheid. Dat deze behandelmethoden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een verbetering in de fysieke belastbaarheid zullen leiden, is naar het oordeel van de rechtbank mede daarom onvoldoende concreet gemaakt.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig geweest en is onvoldoende gemotiveerd dat de ex-werknemer niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
Conclusie en gevolgen
8. Zoals onder 7.3. is overwogen, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is het bestreden besluit daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen het motiveringsgebrek te herstellen.
Om het gebrek te herstellen, moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen nader motiveren waarom de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres vervolgens in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
— draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
— stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in overweging 7.3. van deze tussenuitspraak is overwogen;
— houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Voetnoten
- CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...