Pays-Bas Rechtbank Rotterdam Commercial 11 апреля 2025 N° 11387682 CV EXPL 24-27587 NL

ECLI:NL:RBROT:2025:8511 Rechtbank Rotterdam , 11-04-2025 / 11387682 CV EXPL 24-27587

Vordering tot betaling van achterstallige premie. De vordering wordt afgewezen, omdat onduidelijk is of de (uiteindelijk) door eiseres gestelde feiten kloppen en de kantonrechter geen reden ziet voor verdere proceshandelingen.

Source officielle

5 min de lecture 1 090 mots

Inhoudsindicatie. Vordering tot betaling van achterstallige premie. De vordering wordt afgewezen, omdat onduidelijk is of de (uiteindelijk) door eiseres gestelde feiten kloppen en de kantonrechter geen reden ziet voor verdere proceshandelingen.

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11387682 CV EXPL 24-27587

datum uitspraak: 11 april 2025

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

vestigingsplaats: Apeldoorn,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde]
,

vestigingsplaats: [plaats] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door: [persoon B] (statutair bestuurder).

De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 26 september 2024, met bijlagen;

de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting van 7 november 2024;

de e-mails van 7 november 2024 aan de zijde van [gedaagde] , met bijlagen;

de brief van Achmea van 13 februari 2025 met als bijlage een akte wijziging grondslag van eis aan de zijde van Achmea, met bijlagen;

de brief van 17 februari 2025 aan de zijde van Achmea, met een bijlage.

Op 25 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

aan de zijde van Achmea: [persoon A] namens Syncasso Gerechtsdeurwaarders;

aan de zijde van [gedaagde] ; [persoon B] , vergezeld door [persoon C] .

2De beoordeling

Wat is de kern?

[gedaagde] heeft bij Achmea een overeenkomst ter dekking van zakelijke risico’s afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moest [gedaagde] elke maand voor de 5e van de maand premie aan Achmea betalen. De overeenkomst is per 8 maart 2024 beëindigd. Achmea heeft (uiteindelijk) gesteld dat [gedaagde] (vanwege een stornering van de premie voor de maand maart 2024 door [gedaagde] ) nog € 9,04 aan achterstallige premie moet betalen voor maart 2024 en dat Achmea bovendien € 81,37 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald. Achmea wil dat [gedaagde] deze € 90,41 aan haar betaalt. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, wil Achmea ook dat [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betaalt.

[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij voert aan dat de verzekering per 8 maart 2024 is beëindigd en zij de laatste premie van € 90,41 op 16 februari 2024 heeft betaald. Zij heeft geen betaling gestorneerd en Achmea heeft daarom niets onverschuldigd aan haar betaald. Bovendien stelt zij dat zij geen aanmaningen heeft ontvangen.

De hoofdsom wordt afgewezen

De vordering wordt afgewezen, omdat onduidelijk is of de (uiteindelijk) door Achmea gestelde feiten kloppen en de kantonrechter geen reden ziet voor verdere proceshandelingen. Dat wordt hierna toegelicht.

In de dagvaarding heeft Achmea alleen gesteld dat tussen partijen sprake is van een verzekeringsovereenkomst en dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met het betalen van de premie over de periode 5 maart 2024 tot en met 4 april 2024. Hieruit kan worden afgeleid dat een beroep op nakoming (van de verplichting om premie te betalen) wordt gedaan. Pas na het verweer van [gedaagde] dat de verzekering per 8 maart 2024 is beëindigd heeft Achmea – in haar akte wijziging grondslag eis – een heel ander feitencomplex gegeven. Het klopt kennelijk dat de verzekeringsovereenkomst per 8 maart 2024 is geëindigd. Volgens Achmea moest voor de periode van 5 tot 8 maart 2024 € 9,04 aan premie door [gedaagde] worden betaald, maar de volledige premie van € 90,41 voor de periode 5 maart 2024 tot en met 4 april 2024 was al door Achmea geïncasseerd. Achmea heeft daarom op 11 maart 2024 € 81,37 aan [gedaagde] terugbetaald. Volgens Achmea heeft [gedaagde] op diezelfde datum de eerdere incasso van het bedrag van € 90,42 gestorneerd. Daarom maakt Achmea (thans) aanspraak op € 9,04 aan premie (uit hoofde van nakoming) en op € 81,37 uit hoofde van onverschuldigde betaling.

[gedaagde] heeft op de zitting betwist dat zij de incasso van het bedrag van € 90,41 heeft gestorneerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij met haar internetbankieren app laten zien dat in de periode van 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 geen incasso’s zijn gestorneerd. Volgens Achmea is de incasso wel gestorneerd en blijkt dat uit de door haar ter zitting getoonde schermprint uit haar administratie.

Volgens artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. In dit geval waren de feiten die Achmea in de dagvaarding had aangevoerd onjuist althans onvolledig. Van de beëindiging van de verzekering per 8 maart 2024 is geen melding gemaakt en ook de (gestelde) stornering van de laatste premiebetaling is niet genoemd. Dat stond allemaal pas in de akte wijziging grondslag van de eis die 12 dagen voor de zitting door Achmea is opgestuurd. Daardoor kon pas ter zitting door [gedaagde] worden gereageerd op de gestelde stornering en is toen niet duidelijk geworden of die nou wel of niet heeft plaatsgevonden. De kantonrechter zal Achmea niet in de gelegenheid stellen dit in een schriftelijke ronde alsnog nader te onderbouwen. Achmea had namelijk in de dagvaarding de juiste en volledige feiten kunnen en moeten opnemen, waarna [gedaagde] daar bij antwoord op had kunnen reageren. Naar verwachting had [gedaagde] dan bij antwoord al aangevoerd dat zij geen betaling had gestorneerd. Het had vervolgens in de rede gelegen dat Achmea tijdig voor de mondelinge behandeling nadere bewijsstukken zou overleggen (zoals bijvoorbeeld een bankafschrift en/of een verklaring van de bank) ter onderbouwing van haar stelling dat het bedrag van € 90,41 wel op 11 maart 2024 door [gedaagde] is gestorneerd. Achmea heeft niet toegelicht waarom zij pas na het antwoord en kort voor de zitting de juiste/volledige feiten naar voren heeft gebracht. Aan de omissie van Achmea om dit niet al bij de dagvaarding te doen, verbindt de kantonrechter de gevolgtrekking dat geen nadere proceshandelingen worden toegestaan.

Dat brengt mee dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat op 11 maart 2024 een bedrag van € 90,41 is gestorneerd door [gedaagde] . Daarop strandt de vordering van Achmea.

Geen incassokosten en rente

De incassokosten en rente worden afgewezen, omdat de hoofdsom waarover deze zijn berekend niet toewijsbaar is.

Achmea moet de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van Achmea, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Achmea aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv).

3De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Achmea in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.

64266


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.