ECLI:NL:RBROT:2025:9162 Rechtbank Rotterdam , 25-07-2025 / 25/5281
Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft geen zelfstandige woonruimte en heeft een urgentieverklaring aangevraagd ten behoeve van het verlenen van mantelzorg aan haar vader. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeksters vader ten tijde van het bestreden besluit in een zorginstelling verbleef, zodat mantelzorg door verzoekster niet nodig was. Tijdens de zitting is...
5 min de lecture · 996 mots
Inhoudsindicatie. Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft geen zelfstandige woonruimte en heeft een urgentieverklaring aangevraagd ten behoeve van het verlenen van mantelzorg aan haar vader. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeksters vader ten tijde van het bestreden besluit in een zorginstelling verbleef, zodat mantelzorg door verzoekster niet nodig was. Tijdens de zitting is gebleken dat de situatie inmiddels is gewijzigd doordat de vader van verzoekster weer in zijn woning verblijft. Er is echter niet gebleken van een zodanige spoedeisende of onhoudbare situatie dat verzoekster de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5281
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. E.J.M. van Daalhuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde).
Samenvatting
Verzoekster heeft geen zelfstandige woonruimte en heeft een urgentieverklaring aangevraagd ten behoeve van het verlenen van mantelzorg aan haar vader. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeksters vader ten tijde van het bestreden besluit in een zorginstelling verbleef, zodat mantelzorg door verzoekster niet nodig was. Tijdens de zitting is gebleken dat de situatie inmiddels is gewijzigd doordat de vader van verzoekster weer in zijn woning verblijft. Er is echter niet gebleken van een zodanige spoedeisende of onhoudbare situatie dat verzoekster de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 mei 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, verzoeksters zus en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster heeft twee minderjarige kinderen (van 17 maanden en 6 maanden) en verblijft bij een goede kennis (die zij tante noemt) in Rotterdam. Zij heeft geen eigen woonruimte. Verzoekster heeft op 19 maart 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond ‘(mantel)zorg’. Zij verleent mantelzorg aan haar vader ( [naam 1] ) die in Rotterdam woont. Volgens verzoekster is het belangrijk dat zij zelf een stabiele woonomgeving heeft, zodat zij haar vader op een verantwoorde manier kan blijven ondersteunen. De aanvraag om een urgentieverklaring ziet op verzoekster, haar twee minderjarige kinderen, verzoeksters jongere zus ( [naam 2] ) en verzoeksters ex-schoonzus ( [naam 3] ).
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Volgens het college is verzoeksters vader niet afhankelijk van mantelzorg. Hij is op 26 mei 2025 opgenomen in een zorginstelling en de zorg wordt verleend door de instelling waar hij verblijft. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar een (tijdelijke) urgentieverklaring wordt verleend.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot deze afwijzing komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waarom wordt het verzoek afgewezen?
6. Op het moment dat het college het bestreden besluit nam, was verzoeksters vader opgenomen in een zorginstelling en ontving hij daar zorg. Verzoekster kon op dat moment niet zeggen hoelang haar vader in de zorginstelling zou verblijven. Ten tijde van het bestreden besluit verleende verzoekster geen mantelzorg meer en voldeed zij dus niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op de urgentiegrond ‘(mantel)zorg’.
Tijdens de zitting is gebleken dat verzoeksters vader twee dagen in de zorginstelling heeft verbleven. De situatie is nu dus weer anders dan ten tijde van het bestreden besluit.
Volgens verzoekster verleent zij doorgaans overdag, en haar meerderjarige zus meestal ’s nachts, mantelzorg aan hun vader. Als verzoekster overdag voor haar vader zorgt, dan zorgen anderen voor haar kinderen. Soms zorgt verzoekster ’s nachts voor haar vader en dan neemt ze haar kinderen mee. Verzoekster heeft dit liever niet, omdat haar vader overprikkelt raakt van haar kinderen en de situatie bij haar vader ook geen fijne leefomgeving is voor haar kinderen. Verzoekster wil in de buurt van haar vader wonen, zodat ze snel bij hem in de buurt kan zijn. Ook merkt zij dat de goede kennis bij wie zij verblijft, liever heeft dat zij met haar kinderen vertrekt.
Het college heeft tijdens de zitting gesteld dat de gewijzigde situatie opnieuw beoordeeld zal moeten worden, waarbij er aan de kant van het college nog wel wat vragen zijn. Zo vraagt het college zich af waarom verzoekster vanuit haar huidige verblijfplaats in Rotterdam de mantelzorg niet zou kunnen verlenen en wat er (medisch gezien) met haar vader zal gebeuren als verzoekster de mantelzorg niet meer zou verlenen. Daarnaast vraagt het college zich af of er wellicht voorliggende voorzieningen zijn die ingezet zouden kunnen worden, zoals voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De voorzieningenrechter vindt dat het college de tijd moet krijgen om deze nieuwe situatie tijdens de bezwaarprocedure te kunnen beoordelen. Daarbij komt dat er niet is gebleken van een zodanige spoedeisende of onhoudbare situatie dat verzoekster deze bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog niet met voorrang op woningen kan reageren. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...