ECLI:NL:RBZWB:2024:9668 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-10-2024 / RK 24-009043
bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, ongegrond
5 min de lecture · 948 mots
Inhoudsindicatie. bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, ongegrond
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-312066-23
raadkamernummer : 24-009043
datum : 24 september 2024
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde],
geboren op [datum] 1982 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg (Bisschop Zwijsenstraat 25, 5038 VA Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 05 april 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 24 september 2024 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat, mr. N. Assouiki en de officier van justitie op zitting gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de veroordeling ziet op een incident en recidive niet aannemelijk is. Het onderhavige incident is een teken van psychische overmacht geweest en overkwam veroordeelde als gevolg van een diep trauma die veroordeelde op die dag herbeleefde. Veroordeelde is een zeer kwetsbaar persoon die al veel trauma’s heeft moeten verduren en doorstaan. Veroordeelde was destijds te angstig om in persoon bij de OM-hoorzitting aanwezig te zijn en heeft de straf geaccepteerd om er vanaf te zijn. Door deze oproeping tot afname van DNA is veroordeelde nog banger geworden voor onrechte onderwerping van haar lichamelijke en psychische integriteit. Afname van haar DNA is ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aangezien uit de motivering niet blijkt dat een afweging is gemaakt tussen privéleven, proportionaliteit en subsidiariteit.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De veroordeling ziet immers mede op een geweldsdelict waarbij DNA – bijvoorbeeld door het achterblijven van DNA sporen onder vingernagels – wél van belang kan zijn bij voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van toekomstige feiten. Uit hetgeen veroordeelde heeft uitgevoerd blijkt daarbij niet van uitzonderingen die volgen uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie in de persoon van de veroordeelde.
Beoordeling
Er is aan veroordeelde op 20 februari 2024 door de officier van justitie een strafbeschikking opgelegd van onder andere 40 uur Werkstraf voor twee maal geweld tegen beroepsbeoefenaren.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is veroordeelde een strafbeschikking opgelegd veroordeeld voor geweld tegen beroepsbeoefenaars van de politie. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde kan wel degelijk van betekenis zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van dergelijke strafbare feiten.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan.
Wat door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Integendeel, uit de ingebrachte medische informatie blijkt dat veroordeelde zeer kwetsbaar is en soms in een ‘fight mechanism’ schiet.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.J.H. de Brouwer rechter,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...