Pays-Bas Rechtbank Zeeland-West-Brabant Immobilier 21 мая 2025 N° 11313909 CV EXPL 24-3397 (E) NL

ECLI:NL:RBZWB:2025:5486 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-05-2025 / 11313909 CV EXPL 24-3397 (E)

Aansprakeljkheid werknemer voor schade aan eigendom (auto) werkgever. 7:661 Burgerlijk Wetboek. Gevorderde schade is niet toewijsbaar, geen opzet/bewuste roekeloosheid aan de zijde van werknemer.

Source officielle

11 min de lecture 2 286 mots

Inhoudsindicatie. Aansprakeljkheid werknemer voor schade aan eigendom (auto) werkgever. 7:661 Burgerlijk Wetboek. Gevorderde schade is niet toewijsbaar, geen opzet/bewuste roekeloosheid aan de zijde van werknemer.

RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 11313909 \ CV EXPL 24-3397

Vonnis van 21 mei 2025

in de zaak van

[werknemer]
,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. B. de Jong, werkzaam bij Anker Rechtshulp B.V. te Groningen,

tegen

[werkgever] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: de heer [gemachtigde] .

1De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of [werkgever] gerechtigd is een gedeelte van de schade die [werknemer] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden aan de bedrijfsauto van [werkgever] heeft veroorzaakt met het loon van [werknemer] mag verrekenen.

De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en wijst de vorderingen van [werknemer] toe. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.

2De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

— de dagvaarding van 9 september 2024 met producties;

— het extract audiëntieblad van de rolzitting van 25 september 2024, waaruit de conclusie van antwoord blijkt;

— de aanvullende conclusie van antwoord met 1 productie;
— de conclusie van repliek van 23 oktober 2024;
— de conclusie van dupliek van 20 november 2024 met 1 productie;
— de akte uitlating productie van [werknemer] van 4 december 2024.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[werknemer] is sinds 1 juni 2022 op basis van schriftelijke arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werkzaam voor [werkgever] in de functie van ondersteunend medewerker/bezorger, tegen een salaris van laatstelijk € 2.868,58 bruto per maand (exclusief vakantiegeld en overige emolumenten).

[werknemer] heeft op 3 april 2024 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een aanrijding gehad met de bedrijfsauto van [werkgever] . Op het door [werknemer] ingevulde schadeformulier is -voor zover van belang- het volgende vermeld: Met welke snelheid werd gereden? “25 km per uur”. Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dat? “ik zag de auto’s voor voertuig A niet omdat hij zo groot was. dus had ik niet verwacht dat voertuig A ging remmen. ik remde te laat dus ben ik aansprakelijk.”.

De heer [gemachtigde] heeft namens [werkgever] per e-mail van 1 mei 2024 het volgende aan [naam] bericht: “De auto -waarmee jij achterop de andere was gebotst- is total loss verklaard. Al het papierwerk en overige werkzaamheden zijn reeds uitgevoerd. Aangezien het een verwijtbaar ongeval is zal hier een afwikkeling voor zijn. We zullen niet alle kosten in rekening brengen, werkgever zal zelf een (groot) gedeelte van de kosten op zich nemen, maar dat is een volgende keer minder vanzelfsprekend. We hopen dat het bij een eenmalige gebeurtenis blijft. Via deze weg stellen we de verwijtbare kosten op € 600. Het voorstel is om deze verspreid over een jaar (12 x € 50,00) te verrekenen met het salaris. Mocht je dit bedrag in één keer willen betalen dan is dat uiteraard ook akkoord. Graag vernemen we je bevestiging dan wel reactie.”.

De gemachtigde van) [werknemer] heeft [werkgever] meermaals bericht dat hij niet akkoord is met de verrekening van de schade met zijn loon.

[werkgever] heeft in de maanden mei tot en met juli 2024 steeds € 50,00 met het loon van [werknemer] verrekend.

4Het geschil

[werknemer] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om:

1) voor recht te verklaren dat [werknemer] niet aansprakelijk is voor de schade die hij op 3 april 2024 bij de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft toegebracht aan de bedrijfsauto van [werkgever] en dat [werkgever] niet gerechtigd is om het maandelijkse bedrag van € 50,00 in te houden op het salaris;

2) aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 150,00 netto en toekomstige met het salaris verrekende bedragen ten behoeve van de door [werkgever] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag van volledige betaling met deugdelijke specificatie;

3) aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging over het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag van volledige betaling;

4) aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 40,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

5) [werkgever] in de kosten van de procedure te veroordelen.

[werknemer] legt aan zijn vordering -samengevat- ten grondslag dat hij niet jegens [werkgever] aansprakelijk is, omdat de schade niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid.

[werkgever] voert in haar verweer -samengevat- het volgende aan. [werknemer] is wel aansprakelijk voor de door haar geleden schade. [werknemer] geeft dat ook zelf aan op het door hem ingevulde en bij dagvaarding overgelegde schadeformulier. Ook blijkt uit dit schadeformulier dat [werknemer] niet tijdig heeft waargenomen dat de auto’s voor hem gingen remmen, waardoor hij zelf te laat remde en tegen de auto van zijn voorganger is aangereden. [werknemer] heeft bewust roekeloos gehandeld door mogelijk telefoongebruik tijdens het verkeer. Het bewust roekeloos handelen volgt in ieder geval uit de overtreding van artikel 19 Reglement verkeerregels en verkeerstekens (RVV) en het schenden van in de arbeidsovereenkomst genoemde beroepsnormen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Aansprakelijkheid werknemer voor schade aan eigendom werkgever

Vaststaat dat [werknemer] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden schade aan de bedrijfsauto van [werkgever] heeft veroorzaakt. Deze schade is ontstaan, omdat [werknemer] niet (tijdig) heeft waargenomen dat de auto die voor hem reed remde, waardoor hij tegen het betreffende voertuig is aangereden, een zogenoemde kop-staartbotsing. Ook staat als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken vast dat het op het moment van het ongeval regende, waardoor het wegdek glad was. Ter zake de door [werknemer] gereden snelheid gaat de kantonrechter ervan uit dat [werknemer] , zoals hij zelf op het schadeformulier heeft gemeld, ten tijde van het ongeval 25 kilometer per uur reed.

De kantonrechter stelt voorop dat de vermelding op het schadeformulier dat [werknemer] voor de schade aansprakelijk is ziet op de verhouding tussen [werknemer] en de bestuurder van het motorvoertuig waar [werknemer] tegenaan is gereden. Deze vermelding staat los van de verhouding tussen [werkgever] als werkgever en [werknemer] als werknemer.

Op grond van artikel 7:661 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is de werknemer die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.

Uit dit artikel volgt dat de werknemer slechts aansprakelijk is voor schade die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan de zijde van de werkgever is ontstaan, als kan worden aangetoond dat die schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De bewijslast van die opzet en bewuste roekeloosheid rust op de werkgever.

Gesteld noch gebleken is dat de schade het gevolg is van opzettelijk handelen door [werknemer] . [werkgever] stelt wel dat de schade het gevolg is van bewust roekeloos handelen door [werknemer] . [werkgever] beroept zich hierbij op het bij dagvaarding overgelegde schadeformulier.

Volgens vaste rechtspraak kan pas worden gesproken van bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 lid 1 BW, als de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval waarbij de schade is ontstaan, daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan, en valt uit de feiten en omstandigheden (een regenachtige dag en het rijden met een gematigde snelheid

— dat wil zeggen 25 kilometer per uur op een weg waar maximaal 50 kilometer per uur is toegestaan-) ook niet af te leiden, dat [werknemer] roekeloos heeft gehandeld, laat staan dat hij zich direct voorafgaand aan het ongeval bewust is geweest van de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.

Dat [werknemer] een verkeersregel heeft geschonden door onvoldoende afstand te houden van zijn voorligger, zoals door [werkgever] is gesteld, staat onvoldoende vast. [werknemer] betwist dat hij in strijd heeft gehandeld met geldende regelgeving door onvoldoende afstand te houden van zijn voorligger. De enkele omstandigheid dat [werknemer] een kop-staart botsing heeft veroorzaakt betekent niet per definitie dat [werknemer] onvoldoende afstand heeft gehouden, als bedoeld in artikel 19 RVV. Voor zover [werknemer] al een verkeersregel heeft geschonden is [werknemer] in beginsel niet reeds aansprakelijk voor aan [werkgever] berokkende schade als gevolg van het overtreden van een verkeersregel op zichzelf. [werkgever] dient feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de schade het gevolg is van bewust roekeloos handelen door [werknemer] . [werkgever] stelt enkel dat hij het vermoeden heeft dat [werknemer] op of net voor het moment van de kop-staartbotsing op zijn telefoon zat.

[werknemer] heeft geen overige concrete feiten gesteld die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. De omstandigheid dat [werkgever] slechts een gedeelte van het schadebedrag met het loon van [werknemer] in maandelijkse termijnen verrekent en [werkgever] een aanbod heeft gedaan tot terugbetaling van het door haar verrekende bedrag na een jaar schadevrij rijden, maken niet dat die verrekening terecht is. [werknemer] is, zoals hiervoor is overwogen, in zijn geheel niet aansprakelijk voor de geleden schade, zodat de -voorlopige- verrekening van een klein gedeelte van de schade ook niet terecht is.

De gevorderde verklaring voor recht dat [werknemer] , kort gezegd, niet aansprakelijk is voor de geleden schade en [werkgever] niet tot verrekening mag overgaan, is gelet op het vorenstaande dan ook toewijsbaar. [werkgever] is dan ook gehouden het door haar verrekende bedrag aan loon aan [werknemer] terug te betalen. Op het moment van dagvaarding (9 september 2024) had [werkgever] , zoals ook blijkt uit de bij de dagvaarding overgelegde salarisspecificaties, drie keer maandelijks (mei 2024, juni 2024 en juli 2024) een bedrag van € 50,00 op het loon van [werknemer] ingehouden, zodat het bruto equivalent van € 150,00 netto in zoverre toewijsbaar is. [werknemer] heeft zijn eis bij conclusie van repliek niet vermeerderd met na dagvaarding plaatsgevonden verrekeningen. Dit betekent dat de vordering wordt toegewezen, zoals bij dagvaarding door [werknemer] is gevorderd.

Wettelijke verhoging

De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zijn ook toewijsbaar, omdat [werkgever] door de onterechte verrekening het loon van [werknemer] te laat heeft betaald. De wettelijke rente zal steeds worden toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid van de afzonderlijke loonbedragen, nu de verrekeningen op verschillende momenten plaatsvinden c.q. hebben plaatsgevonden. Nu niet uitsluitend sprake is van betalingsonwil, maar tussen partijen discussie bestond over de vraag wie voor de door [werkgever] geleden schade aansprakelijk is ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.

Buitengerechtelijke incassokosten

[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [werknemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke

incassowerkzaamheden zijn verricht. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over het hiervoor genoemde bedrag is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken ook toewijsbaar.

Proceskosten

[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

— kosten van de dagvaarding

139,42

— griffierecht

87,00

— salaris gemachtigde

270,00

(2 punten × € 135,00)

— nakosten

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

563,92

6De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat:

a) [werknemer] niet aansprakelijk is voor de schade die hij op 3 april 2024 bij de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft toegebracht aan de bedrijfsauto van [werkgever] ;

b) [werkgever] niet gerechtigd is om het maandelijkse bedrag van € 50,- in te houden op het loon van [werknemer] ;

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:

a) het bruto equivalent van € 150,00 netto ter zake onterechte verrekeningen over de maanden mei 2024 tot en met juli 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente steeds vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling;

b) het bruto equivalent van € 50,00 netto per maand voor zover er na juli 2024 nog verrekeningen hebben plaatsgevonden in verband met de schade die [werknemer] op 3 april 2024 heeft veroorzaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente steeds vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling;

c) de wettelijke verhoging van 15% over de onder a. en b. genoemde bedragen;

d) een bedrag van € 40,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (9 september 2024) tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 563,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. en 6.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.

Voetnoten

  1. zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 11 september 1998, NJ 1998/870
  2. HR 3 maart 2001, JAR 2001, 57

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.