ECLI:NL:RBZWB:2025:9742 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-12-2025 / 11793319 \ AZ VERZ 25-29
Geen opzegging tijdens de proeftijd, maar wel daarna; vergoeding wegens onregelmatige opzegging; transitievergoeding; billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto
12 min de lecture · 2 583 mots
Inhoudsindicatie. Geen opzegging tijdens de proeftijd, maar wel daarna; vergoeding wegens onregelmatige opzegging; transitievergoeding; billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11793319 \ AZ VERZ 25-29
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. S. Foullani (FNV),
tegen
[verweerder] , H.O.D.N. [bedrijfsnaam],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
1De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
Op 18 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
Vóór de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] met de e-mail van 13 november een deurwaardersexploot van betekening en oproeping toegezonden. Met de e-mails van 14 en 18 november 2025 heeft [verzoeker] wijzigingen van het verzoek ingediend.
2De feiten
[verzoeker] is op 1 mei 2025 voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden bij [verweerder] als Jeugdzorgwerker C. Zijn laatst verdiende loon bedraagt € 3.963,67 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Jeugdzorg van toepassing verklaard (hierna: de cao).
Partijen zijn in artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst een proeftijd van één maand overeengekomen.
[verweerder] heeft in de proeftijd signalen van derden ontvangen over [verzoeker] . Deze signalen vormden voor haar aanleiding om op 28 mei 2025 met hem in gesprek te gaan over zijn arbeidsovereenkomst.
Die avond hebben [verweerder] en [verzoeker] via WhatsApp nog contact met elkaar gehad. [verzoeker] stelt daarin voor om tijdens zijn eerstvolgende dienst op vrijdag verder te kijken. Daarop heeft [verweerder] gereageerd dat dit akkoord is en dat [verzoeker] het even moet laten bezinken.
[verzoeker] heeft vervolgens tot aan zijn ziekmelding op 14 juni 2025 doorgewerkt.
Bij brief van 10 juni 2025 is [verweerder] bij [verzoeker] op de kwestie teruggekomen. In deze brief heeft zij voorgesteld de duur van de arbeidsovereenkomst te wijzigen naar drie maanden, gerekend vanaf de einddatum van de proeftijd.
Op 24 juni 2025 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij het loon van die maand niet aan [verzoeker] kan betalen, omdat zijn proeftijd niet is verlengd en zijn jaarcontract dus niet is ingegaan. Nu [verzoeker] de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden niet wil tekenen, bestaat er volgens [verweerder] geen arbeidsovereenkomst meer tussen hen.
3Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
de opzegging te vernietigen;
[verweerder] te veroordelen tot betaling van het maandelijkse loon inclusief emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW;
subsidiair:
[verweerder] te veroordelen tot betaling van:
een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 9.272,13 bruto;
de transitievergoeding van € 1.549,59 bruto;
een billijke vergoeding van € 41.724,60 bruto;
in alle gevallen:
[verweerder] te veroordelen tot betaling van:
het loon inclusief emolumenten over de maand juni 2025;
de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW over het verzoek onder f van € 1.981,84 bruto;
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.573,56 inclusief btw;
de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van de gehele betaling;
de kosten van deze procedure.
[verzoeker] voert aan dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet heeft opgezegd.
[verweerder] is het niet eens met het verzoek. Zij stelt dat zij de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tijdens de proeftijd, op 28 mei 2025, heeft opgezegd.
4De beoordeling
De wijziging van het verzoek
[verzoeker] heeft zijn verzoek op 14 november 2025 gewijzigd, in die zin dat hij berust in de opzegging door [verweerder] . [verweerder] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging. Het verzoek luidt nu dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling, zoals verzocht onder c t/m j.
Op 18 november 2025 heeft [verzoeker] zijn verzoek opnieuw gewijzigd, met name ten aanzien van de wijze waarop de vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt berekend. De kantonrechter zal die wijziging bij de beoordeling buiten beschouwing laten. [verzoeker] heeft deze namelijk pas enkele uren voor de mondelinge behandeling ingediend, terwijl de feiten die eraan ten grondslag liggen hem ten tijde van het indienen van het verzoekschrift al bekend waren (of hadden kunnen zijn). Bovendien heeft [verweerder] op de mondelinge behandeling verklaard dat zij de wijziging van 18 november 2025 niet heeft ontvangen. Deze is daarom in strijd met de beginselen van een goede procesorde.
Opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd
De proeftijd van één maand liep van 1 mei tot 1 juni 2025. Partijen zijn het er niet over eens of [verweerder] de arbeidsovereenkomst in die maand, op 28 mei 2025, heeft opgezegd.
Een opzegging vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever, die erop gericht is de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [verweerder] een dergelijke verklaring op 28 mei 2025 heeft gedaan. Daartoe wordt overwogen dat uit de verklaringen van partijen kan worden afgeleid dat [verweerder] die dag weliswaar met [verzoeker] heeft besproken dat zijn toekomst in haar onderneming onzeker was vanwege de signalen die zij over hem had ontvangen, maar ook dat zij zichzelf meer tijd wilde geven om die signalen verder te onderzoeken. Verder heeft [verweerder] tijdens het gesprek op 28 mei 2025 tegen [verzoeker] gezegd dat zij hem niet zomaar op straat wilde zetten. Samen zouden zij op zoek gaan naar een oplossing. Hieruit blijkt niet dat [verweerder] toen de intentie had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en ook niet dat zij toen een daartoe strekkende verklaring heeft gedaan.
Het voorgaande wordt bevestigd door de berichten die partijen diezelfde avond via WhatsApp nog met elkaar hebben uitgewisseld. Daarin staat namelijk dat partijen het tijdens de eerstvolgende dienst van [verzoeker] verder zullen bekijken en dat hij het even moet laten bezinken. Vervolgens heeft [verzoeker] nog doorgewerkt tot aan zijn ziekmelding op 14 juni 2025 en voor het werk na 31 mei 2025 enig loon ontvangen. Die ziekmelding heeft [verweerder] geaccepteerd, terwijl dat niet voor de hand lag als er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Tot slot heeft [verweerder] [verzoeker] in haar brief van 10 juni 2025 ook nog aangeboden om de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden te verlengen, gerekend vanaf de einddatum van de proeftijd. Deze feiten wijzen er evenmin op dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst op 28 mei 2025 heeft opgezegd.
Opzegging van de arbeidsovereenkomst op 24 juni 2025
De kantonrechter sluit zich erbij aan dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst pas op 24 juni 2025 heeft opgezegd. Uit de e-mail die zij op die datum naar [verzoeker] heeft verzonden, mocht hij redelijkerwijs afleiden dat zij de arbeidsovereenkomst niet meer wilde voortzetten. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tot 24 juni 2025 heeft voortbestaan. Na die datum maakt [verzoeker] geen aanspraak meer op loon.
Het loon over de maand juni 2025
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] het loon tot 14 juni 2025 heeft voldaan, op een bedrag van € 288,54 bruto na. Dat bedrag moet zij alsnog betalen. Daarnaast is [verweerder] nog loon verschuldigd over de periode van 14 juni 2025 tot 24 juni 2025 (de hiervoor bepaalde einddatum van de arbeidsovereenkomst). Op grond van de cao heeft [verzoeker] over die periode, waarin hij door ziekte niet kon werken, recht op 100% van zijn loon. Het bruto maandloon inclusief 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering bedraagt conform de cao € 4.636,07. Dit betekent dat [verweerder] over die periode nog € 1.545,36 bruto aan loon moet betalen.
[verzoeker] heeft zijn verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallige loon op de mondelinge behandeling ingetrokken. Het verzoek onder g behoeft dus geen bespreking meer.
In artikel 5.3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het loon ten laatste twee dagen voor afloop van de kalendermaand moet zijn bijgeschreven op de bankrekening van [verzoeker] . Op grond van dit artikel had [verweerder] het loon over de maand juni dus uiterlijk op 29 juni 2025 moeten betalen. Dit is een fatale betalingstermijn. Omdat [verweerder] een deel van het verschuldigde loon niet binnen die termijn heeft betaald, is zij daar vanaf 30 juni 2025 wettelijke rente over verschuldigd.
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging
[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd zonder de opzegtermijn in acht te nemen. Zij is daarom een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd, die gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. [verzoeker] heeft zich in het oorspronkelijke verzoek, anders dan in de wijziging van 18 november 2025 die buiten beschouwing wordt gelaten, op het onweersproken standpunt gesteld dat de opzegtermijn van [verweerder] conform de cao twee maanden is. Uitgaande van het hiervoor onder 4.7 genoemde bruto maandloon van € 4.636,07, komt de vergoeding wegens onregelmatige opzegging neer op een bedrag van € 9.272,13 bruto.
De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 24 juni 2025.
De transitievergoeding
De arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever, zonder dat die opzegging te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Daarom zal aan [verzoeker] een transitievergoeding worden toegekend. De hoogte van de transitievergoeding is onder meer afhankelijk van de duur van het dienstverband. Uit de jurisprudentie volgt dat daarbij moet worden uitgegaan van het moment waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Aangezien de arbeidsovereenkomst en de cao niet in een tussentijdse opzegmogelijkheid voorzien, kan de arbeidsovereenkomst formeel niet eerder dan per 1 mei 2026 worden opgezegd. Rekening houdend met de duur van de arbeidsovereenkomst van 1 mei 2025 tot 1 mei 2026 en het bruto maandloon inclusief emolumenten van € 4.636,07, bedraagt de transitievergoeding € 1.545,36 bruto. De kantonrechter zal dat bedrag toewijzen.
De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 25 juli 2025.
De billijke vergoeding
Omdat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW, kan [verzoeker] aanspraak maken op een billijke vergoeding. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 15.000,00. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2026 zou hebben voortgeduurd. Hiervoor is namelijk vastgesteld dat partijen niet bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen. In de cao is bepaald dat de werknemer tijdens de eerste 52 weken van ziekte recht heeft op 100% van het loon. Voor [verzoeker] geldt dus dat hij, voor zover hij zijn werkzaamheden als gevolg van ziekte niet of slechts deels had kunnen uitvoeren, tot 1 mei 2026 100% van zijn loon uitbetaald had moeten krijgen. De kantonrechter neemt het [verweerder] kwalijk dat zij niet de juiste procedures heeft gevolgd. Hoewel zij daarbij misschien geen verkeerde bedoelingen had, is door haar onduidelijke communicatie richting [verzoeker] uiteindelijk deze situatie ontstaan. Op de mondelinge behandeling is weliswaar gebleken dat [verzoeker] sinds medio augustus 2025 een nieuwe baan heeft, maar onlangs heeft hij zich ook bij zijn nieuwe werkgever ziekgemeld. Dit komt naar eigen zeggen door de stress van het ontslag en het voeren van deze procedure, alsook de onwetendheid ten aanzien van de signalen die met [verweerder] zijn gedeeld en wie dat heeft gedaan. De kantonrechter constateert dat het handelen van [verweerder] dus grote gevolgen heeft voor [verzoeker] . Daarvoor dient hij financieel gecompenseerd te worden. Bij het bepalen van de billijke vergoeding moet er echter ook rekening mee worden gehouden dat [verzoeker] ook een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding zal ontvangen. In aanvulling daarop acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 15.000,00 redelijk.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 15.000,00 bruto. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
De buitengerechtelijke incassokosten
Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten valt buiten het toepassingsgebied van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en zal worden beoordeeld op grond van het Rapport Voorwerk II (met toepassing van het tarief zoals bepaald in het Besluit). De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij incassowerkzaamheden heeft verricht. De billijke vergoeding was [verweerder] op dat moment nog niet verschuldigd en daar zagen de incassowerkzaamheden ook niet op. [verzoeker] heeft dus recht op een vergoeding, maar bij de berekening daarvan laat de kantonrechter de billijke vergoeding buiten beschouwing. Over de vergoeding is btw verschuldigd, omdat [verzoeker] deze niet kan verrekenen. Op grond van het voorgaande kent de kantonrechter een bedrag toe van € 1.090,83 inclusief btw. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegekend zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden vastgesteld op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] het achterstallig loon te betalen van € 1.833,90 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 juni 2025;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.272,13 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.545,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen van € 1.090,83 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juli 2025;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, waarbij die kosten van [verzoeker] zijn vastgesteld op € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...