Pays-Bas Rechtbank Zeeland-West-Brabant Divers 7 января 2026 N° C/02/438196/HA ZA 25-433 NL

ECLI:NL:RBZWB:2026:137 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-01-2026 / C/02/438196/HA ZA 25-433

verzoek om omgang tussen meervoudig gehandicapte broer en zus met een beroep op 8 EVRM – vast is komen te staan dat omgang enkel door moeder zou kunnen worden begeleid- dit kan op dit moment in het licht van het zwaarwegende belang van de broer niet van de moeder worden gevergd.

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. verzoek om omgang tussen meervoudig gehandicapte broer en zus met een beroep op 8 EVRM – vast is komen te staan dat omgang enkel door moeder zou kunnen worden begeleid- dit kan op dit moment in het licht van het zwaarwegende belang van de broer niet van de moeder worden gevergd.

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie-en Jeugdrecht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/438196 / HA ZA 25-433

Vonnis van 7 januari 2026

in de zaak van

[de dochter]
,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de dochter,

advocaat: mr. L.M. van den Dungen,

tegen

1 [de moeder] ,

te [plaats 2] ,
2. [de stiefvader],

te [plaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: de moeder en de stiefvader,

advocaat: mr. L.H.S. de Baar.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

— het tussenvonnis van 15 oktober 2025;

— de brief van mr. De Baar van 30 oktober 2025 met producties genummerd 5 en 6;

— de brief van mr. Van Dungen van 3 november 2025 met producties genummerd 1 tot en

met 9;

— de akte vermeerdering van eis van 13 november 2025 van mr. Van Dungen;

— de op de mondelinge behandeling door de dochter overgelegde brief;

— het B16 formulier van mr. De Baar van 20 november 2025.

De zaak is behandeld op de zitting van 14 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de dochter met haar advocaat en de moeder en de stiefvader met hun advocaat.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

— de moeder is gehuwd geweest met [de ex-partner] ;

— uit dit huwelijk zijn geboren de dochter en [de meerderjarige zoon] (hierna te noemen: [de meerderjarige zoon] );

— [de meerderjarige zoon] heeft zeer ernstige verstandelijke en meervoudige (lichamelijke) beperkingen en zit permanent in een rolstoel;

— de moeder is gaan samenwonen met de stiefvader en inmiddels zijn zij gehuwd.

De dochter heeft toen zij minderjarig was enige jaren bij hen en [de meerderjarige zoon] gewoond;

— [de meerderjarige zoon] woont nog steeds bij de moeder en de stiefvader;

— de moeder en de stiefvader zijn bewindvoerders over [de meerderjarige zoon] .

3De vordering

De dochter vordert, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar

vervangende toestemming te verlenen om [de meerderjarige zoon] eenmaal per week te bezoeken/omgang te

hebben bij de [locatie 1] , aan [adres 1] [plaats 1] of bij [locatie 2]

[plaats 2] , aan [adres 2] [plaats 2] danwel een regeling in het belang

van [de meerderjarige zoon] te treffen die de rechtbank in goede justitie passend acht.

4De beoordeling

De dochter legt aan haar vordering tot vervangende toestemming het volgende ten grondslag. Moeder en stiefvader onthouden in hun hoedanigheid als bewindvoerders hun toestemming aan haar om [de meerderjarige zoon] te bezoeken in de dagopvang waar hij verblijft. Volgens de dochter is dit het gevolg van de aangifte die zij tegen stiefvader heeft gedaan vanwege seksueel misbruik en de op de aangifte volgende contactbreuk tussen haar en moeder in 2023. De contactbreuk tussen de moeder en de dochter heeft ook geleid tot een contactbreuk tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] . Na januari 2023 heeft zij [de meerderjarige zoon] nog maar 3 keer gezien.

Het ontbreken van contact tussen haar en [de meerderjarige zoon] gaat volgens de dochter in tegen de belangen van [de meerderjarige zoon] . Zij zijn samen opgegroeid en erg aan elkaar gehecht. Ook heeft zij een deel van de zorg over [de meerderjarige zoon] gedragen waarvoor zij een persoonsgebonden budget (PGB) ontving. Zij zag [de meerderjarige zoon] zowel bij haar vader als bij haar moeder. In het belang van [de meerderjarige zoon] en zijn zorgbehoefte zou de dochter hem graag geregeld bezoeken tijdens zijn dagbesteding. Volgens de dochter mist [de meerderjarige zoon] haar wat is gebleken tijdens een ontmoeting met hem op de begrafenis van hun opa. De huidige dagbesteding heeft aangegeven dat omgang om meerdere redenen niet mogelijk is maar zij heeft inmiddels twee andere locaties gevonden die bruikbaar en beschikbaar zijn. Moeder noemt een aantal contra-indicaties voor omgang maar volgens de dochter kunnen daar oplossingen voor worden gevonden, bijvoorbeeld begeleiding door een specialistisch verpleegkundige voor [de meerderjarige zoon] en de eigen begeleidster van de dochter voor haar.

De moeder betwist niet dat contact tussen haar en de dochter ontbreekt sinds januari 2023, na de aangifte van misbruik. De stiefvader is op 14 maart 2025 aangehouden en verhoord, maar op 11 augustus 2025 heeft het Openbaar Ministerie besloten de stiefvader niet te vervolgen. Ondanks de gevoelige situatie heeft de moeder geprobeerd omgang te faciliteren in de woning van de vader van de dochter, waarbij de vader ook omgang had met zijn zoon [de meerderjarige zoon] . Bij die gelegenheden heeft de dochter de moeder uitgescholden in bijzijn van [de meerderjarige zoon] . Dit had een zodanige impact op hem dat de moeder de omgang heeft beëindigd. Los daarvan speelt het feit dat [de meerderjarige zoon] op 16 juli 2024 is geopereerd aan zijn heup. Vervoer naar de woning van zijn vader was daarna niet langer mogelijk.

Verder heeft [de meerderjarige zoon] 24 uur per dag specialistische hulp nodig in verband met zijn

beperkingen. Deze ontvangt hij thuis van moeder, stiefvader, de PGB-begeleidster en van

zijn vaste hulp op de dagbesteding. Moeder betwist dat de dochter hulp heeft verleend aan

[de meerderjarige zoon] . Er was weliswaar een korte tijd een PGB-overeenkomst met de dochter maar het

doel hiervan was achtervang in noodgevallen. Deze was echter nooit nodig. De zorg is

volgens moeder inmiddels zo complex dat de dochter dit niet zou kunnen. Adequate zorg

tijdens contact tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] is noodzakelijk Deze ontbreekt echter. De moeder kan de dochter niet in huis ontvangen vanwege de verstoorde verhouding met haar en de stiefvader. Begeleiding door de vader van de dochter en [de meerderjarige zoon] gaat ook niet omdat hij [de meerderjarige zoon] maar een paar keer per jaar ziet, in bijzijn van de moeder. De PGB hulp en de dagbesteding (Amarant) kunnen deze begeleiding tijdens een eventuele omgang ook niet faciliteren vanwege de zorg voor andere patiënten en het feit dat [de meerderjarige zoon] de volle aandacht nodig heeft. Omgang in een ander dagbesteding of locatie is ook niet mogelijk omdat deze de benodigde kennis niet hebben.

Daarnaast heeft het verleden uitgewezen dat contact tussen [de meerderjarige zoon] en de dochter leidt tot

spanningen en epileptische aanvallen bij [de meerderjarige zoon] door het onvoorspelbare gedrag van de

dochter. Bijkomend effect van het ontbreken van contact met de dochter is nu dat de

epileptische aanvallen van [de meerderjarige zoon] zijn afgenomen. De nadelige effecten van een bezoek

van de dochter op de gezondheid van [de meerderjarige zoon] wegen zwaarder dan het recht op omgang,

aldus de moeder.

De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak, samengevat, om de vraag of de moeder en de stiefvader in hun hoedanigheid van bewindvoerder, gehouden zijn mee te werken aan herstel van omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] .

De rechtbank stelt voorop dat de Nederlandse wet, die wel het recht op omgang regelt tussen ouders en minderjarige kinderen, geen bepaling kent op grond waarvan dat recht op omgang ook bestaat tussen meerderjarige kinderen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat dit recht in dit geval kan worden gevonden in art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in die zin dat er tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] sprake is van "family life" waardoor er in beginsel sprake is van recht op omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] .

Omdat de Nederlandse wet niet voorziet in het bepalen van omgang tussen meerderjarige kinderen zal artikel 1:377a BW daarom verdragsconform worden geïnterpreteerd en analoog worden toegepast. De vraag ligt voor of omgang in het belang van [de meerderjarige zoon] is, of dat, zoals de moeder en stiefvader hebben aangevoerd, sprake is van één van de ontzeggingsgronden voor omgang (artikel 1:377a lid 3 BW).

Een verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling kan slechts worden afgewezen indien zich een van de ontzegginsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW

voordoet. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;

de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;

het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of;

omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Uit de stukken en het debat tussen partijen op zitting leidt de rechtbank af dat de moeder en stiefvader zich beroepen op 1:377a lid 2 onder a. en d. BW. Volgens hen is sprake van twee contra-indicaties waardoor de vordering tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen.

De eerste contra-indicatie die de moeder en de stiefvader aanvoeren is dat een bezoek van de dochter aan [de meerderjarige zoon] een nadelig effect op [de meerderjarige zoon] heeft in die zin dat hij overprikkeld raakt en daardoor epileptische aanvallen krijgt. Ter zitting heeft de moeder nader toegelicht dat uit eigen ervaring en die van de PGB-begeleidster blijkt dat nu er geen omgang is, de epileptische aanvallen van [de meerderjarige zoon] nagenoeg zijn verdwenen. Volgens de moeder en de stiefvader is er dus een duidelijk verband tussen de verbeterde gezondheid van [de meerderjarige zoon] en het ontbreken van contact met de dochter. In dit verband verwijzen zij naar een overzicht van Amarant en een verklaring van [academisch centrum] waaruit dit volgens hen blijkt.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op deze contra-indicatie, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de dochter, niet. Dat de omgang met de dochter nadelige effecten dan wel gevolgen heeft (gehad) op de gezondheid van [de meerderjarige zoon] is niet komen vast te staan. Ter zitting is gebleken dat het als productie 2 overgelegde overzicht van epileptische aanvallen die [de meerderjarige zoon] zou hebben gehad in de periode dat er nog omgang met de dochter was (januari — september 2024) en in de periode daarna (oktober 2024 tot juli 2025), is opgesteld door Amarant. Deze weergave ziet enkel op aanvallen die [de meerderjarige zoon] ten tijde van de dagbesteding heeft gehad. Ter zitting is echter vastgesteld dat er in de periode januari-september 2024 slecht eenmaal omgang was tussen [de meerderjarige zoon] en de dochter, te weten thuis bij de vader van [de meerderjarige zoon] en de dochter. Gelet op dit minimale contact in die periode kan niet worden vastgesteld dat de verminderde epileptische aanvallen sinds oktober 2024 het gevolg zijn van het ontbreken van contact tussen [de meerderjarige zoon] en de dochter.

Ook in de door de moeder en de stiefvader als productie 3 overgelegde brief van een verpleegkundig specialist van [academisch centrum] van 26 augustus 2025 kan geen steun worden gevonden voor de stelling dat omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] nadelig is voor de gezondheid van [de meerderjarige zoon] . Uit de brief volgt dat het veel beter gaat met [de meerderjarige zoon] dan een jaar geleden. Dat dit deels zou komen doordat er sinds een jaar geen contact meer is tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] is volgens de brief enkel gebaseerd op een vermoeden van de ouders (lees: de moeder en de stiefvader) maar niet op bevindingen van een medisch specialist. Daarom is niet komen vast te staan dat de bezoeken van de dochter aan [de meerderjarige zoon] een nadelige effect op hem zouden hebben.

Ten tweede stellen de moeder en de stiefvader zich op het standpunt dat gezien de complexe zorg die [de meerderjarige zoon] nodig heeft, de omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] maar door enkelen kan worden begeleid namelijk Amarant, de PGB-begeleidster en de moeder en de stiefvader. Amarant en de PGB-begeleidster hebben aangegeven de begeleide omgang niet te kunnen dan wel te willen faciliteren. Daarmee zouden alleen de moeder en de stiefvader in aanmerking komen om de omgang te begeleiden maar dit kan van hen op dit moment niet gevergd worden, volgens de moeder en de stiefvader.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [de meerderjarige zoon] een aangeboren ernstige meervoudige lichamelijke en verstandelijke beperking heeft. Daarvoor heeft hij complexe medische zorg nodig. Dit brengt met zich mee dat omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] noodzakelijkerwijs begeleid plaats dient te vinden, temeer omdat niet is betwist dat de dochter al een aantal jaren niet betrokken is in het leven van [de meerderjarige zoon] waardoor zij niet op de hoogte is van zijn (medische) behoeftes en wat voor effect (haar) gedrag heeft op zijn gemoedstoestand. Uit de stukken en hetgeen op zitting is besproken blijkt dat Amarant (productie 5) en de PGB-begeleidster (productie 4) hebben aangeven de taak van de specialistische begeleide omgang niet op zich te willen dan wel kunnen nemen. De verhouding tussen de stiefvader en de dochter is dusdanig slecht dat ook hij niet voor de vereiste begeleiding van omgang in aanmerking komt, nog even los van de vraag of de dochter en/of de stiefvader dit willen. Dit brengt met zich mee dat naar het oordeel van de rechtbank op dit moment de moeder overblijft als degene die de omgang zou kunnen begeleiden.

Op de zitting is de mogelijkheid van begeleide omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] door de moeder uitgebreid besproken. Gebleken is dat de beschuldiging door en daarna de aangifte van de dochter van misbruik door stiefvader diepe wonden heeft geslagen in de relatie tussen de moeder en de dochter. Ze hebben daar allebei veel verdriet en stress van. Op de zitting heeft de dochter aangegeven dat zij bij het gerechtshof een procedure is gestart op grond van artikel 12 Strafvordering (Sv). Ze is het er namelijk niet mee eens dat het Openbaar Ministerie heeft besloten de stiefvader niet te vervolgen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank mede geleid tot een dermate aantasting van de belastbaarheid van de moeder dat van haar op dit moment niet gevergd kan worden de omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] te begeleiden. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. De moeder is de hoofdverzorgende van [de meerderjarige zoon] . Hij is zodanig kwetsbaar en volledig afhankelijk van de moeder, dat de moeder haar taak als verzorger van [de meerderjarige zoon] zo onbelast mogelijk dient uit te voeren. Op zitting is gebleken dat genoemde procedure bij het gerechtshof nu al zichtbaar veel spanning veroorzaakt bij de moeder. Gevreesd moet worden dat voor het geval haar dwingend wordt opgelegd om mee te werken aan het begeleiden van omgang tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] , dit een zodanige spanning en weerstand bij haar oproept dat dit zijn onmiddellijke weerslag zal hebben op haar belastbaarheid en daarmee op het welzijn van [de meerderjarige zoon] . Dit acht de rechtbank in strijd met het zwaarwegend belang van [de meerderjarige zoon] . Dit belang dient bij deze stand van zaken zwaarder te wegen dan het belang van de dochter bij omgang met [de meerderjarige zoon] . Dit betekent dat de vordering van de dochter op dit moment moet worden afgewezen, hoezeer de rechtbank ook de wens van de dochter invoelt en begrijpt om na lange tijd weer contact met haar broer te hebben. De rechtbank hecht eraan om nog op te merken dat moeder op zitting heeft aangegeven dat zij niet uitsluit dat er in de toekomst wel enige vorm van contact zou kunnen zijn tussen de dochter en [de meerderjarige zoon] .

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering van de dochter af;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, rechter, en in aanwezigheid van mr. van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier pénal. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.