Pays-Bas Raad van State Social 19 марта 2025 N° 202302856/1/A3 NL

ECLI:NL:RVS:2025:1167 Raad van State , 19-03-2025 / 202302856/1/A3

Bij besluit van 21 januari 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 16.200,- wegens het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet. In het bedrijf van [appellante] heeft een ongeval plaatsgevonden met een sorteerband. Omdat het slachtoffer blijvend letsel heeft opgelopen heeft de minister een boete van € 16.200,- opgelegd...

Source officielle

7 min de lecture 1 426 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 21 januari 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 16.200,- wegens het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet. In het bedrijf van [appellante] heeft een ongeval plaatsgevonden met een sorteerband. Omdat het slachtoffer blijvend letsel heeft opgelopen heeft de minister een boete van € 16.200,- opgelegd voor het overtreden van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet in samenhang met artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hieraan ligt een boeterapport ten grondslag waaruit volgt dat het slachtoffer bij het verwijderen van een sticker van de sorteerband bekneld is geraakt in het apparaat, waarna zij een vingerkootje van haar wijsvinger is verloren en wonden aan haar middelvinger heeft opgelopen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd. De rechtbank heeft overwogen dat alleen al het feit dat de sorteerband niet was uitgeschakeld tijdens de werkzaamheden maakt dat het Arbobesluit is overtreden nog los van de vraag of het slachtoffer opdracht had om werkzaamheden aan de sorteerband uit te voeren.

202302856/1/A3.

Datum uitspraak: 19 maart 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 22/2134 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2022 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 16.200,- wegens het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet.

Bij besluit van 22 juni 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.M. van der Kuil, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In het bedrijf van [appellante] heeft een ongeval plaatsgevonden met een sorteerband. Omdat het slachtoffer blijvend letsel heeft opgelopen heeft de minister een boete van € 16.200,- opgelegd voor het overtreden van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) in samenhang met artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit). Hieraan ligt een boeterapport ten grondslag waaruit volgt dat het slachtoffer bij het verwijderen van een sticker van de sorteerband bekneld is geraakt in het apparaat, waarna zij een vingerkootje van haar wijsvinger is verloren en wonden aan haar middelvinger heeft opgelopen.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd. De rechtbank heeft overwogen dat alleen al het feit dat de sorteerband niet was uitgeschakeld tijdens de werkzaamheden maakt dat het Arbobesluit is overtreden nog los van de vraag of het slachtoffer opdracht had om werkzaamheden aan de sorteerband uit te voeren. Het daarbij betrekken van een verklaring van de leidinggevende is voor deze constatering niet relevant. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de overtreding verwijtbaar is omdat door de taalbarrière tussen de leidinggevende en het slachtoffer, waardoor de opdracht voor de werkzaamheden met handgebaren is gegeven, geen sprake was van een adequate instructie. De rechtbank heeft ook verder geen grond voor matiging van de boete gezien. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog dat een onjuist beeld is ontstaan doordat de leidinggevende na het ongeval niet is gehoord, geen doel treft omdat [appellante] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om verklaringen in te brengen over de overtreding.

Hoger beroep

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft gegeven aan het feit dat het slachtoffer geen opdracht had om stickers van de sorteerband te halen, zodat ook geen reden bestond het apparaat uit te schakelen. De arbeidsinspecteur had onderzoek moeten doen naar het verloop van het ongeval en de opdracht die het slachtoffer had, door bijvoorbeeld de leidinggevende en getuigen te horen. Nu is volledig uitgegaan van de verklaring van het slachtoffer, wat onzorgvuldig is.

Beoordeling

4. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13 tot en met 23 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de arbeidsinspecteur op 29 oktober 2020 een verzoek bij [appellante] heeft ingediend om een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden en daarvan bewijsstukken in te dienen. Eén van de vragen was of het slachtoffer geïnstrueerd/getraind was met betrekking tot het reinigen/bedienen van het arbeidsmiddel en of dit kon worden aangetoond. Hierop is door [appellante] geantwoord dat het slachtoffer een instructie heeft gevolgd met betrekking tot de betreffende machine en deze heeft afgetekend en dat ze een mondelinge instructie heeft ontvangen met betrekking tot het verwijderen van de stickers. Nergens uit de beantwoording volgt dat het slachtoffer uit eigen beweging en buiten haar opdracht om werkzaamheden aan de sorteerband heeft verricht. Vervolgens heeft de inspecteur bij de aanzegging van het boeterapport op 9 november 2020 nadrukkelijk de gelegenheid geboden verklaringen af te leggen over de geconstateerde overtredingen voordat over zal worden gegaan tot het opmaken van een boeterapport. Hiervan heeft [appellante] zonder opgave van redenen geen gebruik gemaakt. Het betoog dat de arbeidsinspecteur ten onrechte geen verklaringen van anderen dan het slachtoffer heeft opgenomen treft alleen al daarom geen doel.

5. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de boete in dit geval had moeten worden gematigd met 5%, omdat de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onwenselijk lang is overschreden. Dat betekent in dit geval een vermindering van de boete met € 810,- tot een bedrag van € 15.390,-.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 juni 2022 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 5:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal de bestuurlijke boete vaststellen op € 15.390,-. Het besluit van 21 januari 2022 zal in zoverre worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 juni 2022.

7. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 22/2134;

III. verklaart het bij de rechtbank ingediende beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2022, kenmerk 3.2022.0172.001;

V. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 januari 2022, kenmerk 072100079/04, voor zover de hoogte van de boete is gesteld op € 16.200;

VI. bepaalt dat de bestuurlijke boete aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] wordt gesteld op € 15.390,-;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.294,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.722 ,-, waarvan bedrag van € 3.628,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 913,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Langeveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025

317


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.