ECLI:NL:RVS:2025:2594 Raad van State , 10-06-2025 / 202306090/1/A3
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 augustus 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 maart 2023 ongegrond heeft verklaard. De minister heeft het verzoek om openbaarmaking afgewezen, omdat er volgens hem geen informatie beschikbaar is over evaluaties of onderzoeksresultaten over de implementaties van de Rijksbrede instructie...
3 min de lecture · 637 mots
Inhoudsindicatie. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 augustus 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 maart 2023 ongegrond heeft verklaard. De minister heeft het verzoek om openbaarmaking afgewezen, omdat er volgens hem geen informatie beschikbaar is over evaluaties of onderzoeksresultaten over de implementaties van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken. De minister stelt zich op het standpunt dat de instructie (nog) niet is geëvalueerd en er berusten dus ook geen documenten onder de minister. De minister kan informatie die er niet is niet actief openbaar maken.
202306090/1/A3.
Datum uitspraak: 4 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2023 in zaak nr. 23/2253 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Openbare zitting gehouden op 4 juni 2025 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. G.A. van de Sluis
jurist: mr. B. Dijkhoff
Verschenen:
[appellant];
de minister, vertegenwoordigd door mr. I. Erdogan en mr. J.W.T. Berg;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 augustus 2023 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 maart 2023 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2022, waarbij het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) is afgewezen, ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. De minister heeft het verzoek om openbaarmaking afgewezen, omdat er volgens hem geen informatie beschikbaar is over evaluaties of onderzoeksresultaten over de implementaties van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken (hierna: de instructie). De minister stelt zich op het standpunt dat de instructie (nog) niet is geëvalueerd en er berusten dus ook geen documenten onder de minister. De minister kan informatie die er niet is niet actief openbaar maken.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde documenten niet aanwezig zijn en er dus nog geen evaluatie heeft plaatsgevonden, omdat de instructie pas sinds mei 2022 wordt gebruikt en er dagelijks mee wordt gewerkt. [appellant] betwist onder meer dat er geen documenten onder de minister berusten. Zijn Woo-verzoek moet breder worden opgevat dan de minister heeft gedaan. Zijn verzoek ziet ook op het (algemene) beleid van ministeries bij het implementeren van de instructie. De rechtbank heeft ook miskend dat de implementatie van de instructie als een actief uit te voeren taak van de minister moet worden gerekend op grond van artikel 3.1 van de Woo.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de minister zijn verzoek op grond van de Woo te beperkt heeft opgevat. Op de zitting heeft de minister gemotiveerd toegelicht waarom er geen documenten onder hem berusten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch documenten onder de minister berusten. Het betoog van [appellant] slaagt daarom niet.
4. De overige hogerberoepsgronden heeft [appellant] eveneens zonder succes naar voren gebracht.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
802-1101
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...