ECLI:NL:RVS:2025:2647 Raad van State , 11-06-2025 / 202302838/1/R2
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk aan Rinderberg Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de Grotestraat 172 in Waalwijk. Rinderberg heeft een kantoorpand verbouwd tot een appartementencomplex met acht woningen. Daarvoor is een verdieping op het pand geplaatst. [appellant] woont tegenover d...
5 min de lecture · 900 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk aan Rinderberg Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de Grotestraat 172 in Waalwijk. Rinderberg heeft een kantoorpand verbouwd tot een appartementencomplex met acht woningen. Daarvoor is een verdieping op het pand geplaatst. [appellant] woont tegenover dit voormalig kantoorpand en is het niet eens met de aan Rinderberg verleende omgevingsvergunning voor de appartementen, in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1 en 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hij vindt dat de vergunning op onjuiste gronden is verleend en dat het college niet goed rekening heeft gehouden met het belang van zijn privacy. De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het voormalig kantoorpand waarin de appartementen zijn gerealiseerd een hoofdgebouw is en dat er geen reden is dat het college daarom geen toepassing kon geven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
202302838/1/R2.
Datum uitspraak: 11 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Waalwijk,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 maart 2023 in zaak nr. 22/2452 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college aan Rinderberg Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de Grotestraat 172 in Waalwijk.
Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. Rinderberg heeft een kantoorpand verbouwd tot een appartementencomplex met acht woningen. Daarvoor is een verdieping op het pand geplaatst. [appellant] woont tegenover dit voormalig kantoorpand en is het niet eens met de aan Rinderberg verleende omgevingsvergunning voor de appartementen, in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1 en 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hij vindt dat de vergunning op onjuiste gronden is verleend en dat het college niet goed rekening heeft gehouden met het belang van zijn privacy.
3. De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het voormalig kantoorpand waarin de appartementen zijn gerealiseerd een hoofdgebouw is en dat er geen reden is dat het college daarom geen toepassing kon geven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Ook heeft de rechtbank gemotiveerd geoordeeld dat het college de vermindering van de privacy van [appellant] aanvaardbaar mocht achten. De Afdeling onderschrijft dit oordeel en de onder 3.1 en 4.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. Zij voegt daar nog aan toe dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door [appellant] aangehaalde uitspraken van de Afdeling — onder meer de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1305 — over andere gevallen gaan. Het gaat in deze zaak namelijk om de vraag of de eis geldt dat het afwijkende gebruik wat met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt (op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor en bij gecombineerde toepassing met onderdeel 1 van dat artikel) noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van het bestaande hoofdgebouw. Dat is niet het geval, want als het hoofdgebouw er al staat, wordt aan de hand van de bestaande feitelijke situatie vastgesteld wat het hoofdgebouw is. Het beoogde afwijkende gebruik wordt daar niet bij betrokken. Dit is ook logisch, want anders zou een gecombineerde toepassing van de onderdelen 1 en 9 niet mogelijk zijn, terwijl dit volgens vaste rechtspraak van de Afdeling juist wel kan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819, onder 5.1 en 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2639, onder 3.1). De toepassing van onderdeel 9 gaat namelijk altijd over gebruik dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan en dus ook over gebruik dat niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025
638
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...