ECLI:NL:RVS:2025:5296 Raad van State , 31-10-2025 / 202407885/1/A2
Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas het verzoek van [appellant] om toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen. [appellant] heeft het waterschap op 24 juni 2023 in gebreke gesteld, omdat het waterschap nog niet had beslist op zijn bezwaar. De ingebrekestelling is door het waterschap ontvangen op 29 juni 2023. Bij besluit ...
4 min de lecture · 674 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas het verzoek van [appellant] om toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen. [appellant] heeft het waterschap op 24 juni 2023 in gebreke gesteld, omdat het waterschap nog niet had beslist op zijn bezwaar. De ingebrekestelling is door het waterschap ontvangen op 29 juni 2023. Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het waterschap alsnog beslist op het bezwaar van [appellant]. Dit besluit is per e-mail aan [appellant] gestuurd. Omdat het waterschap vergeten was om hierin een beroepsclausule op te nemen, heeft het waterschap op 13 juli 2023 nogmaals het besluit op bezwaar aan [appellant] gestuurd, deze keer mét beroepsclausule.
202407885/1/A2.
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 1 november 2024 in zaak nr. 23/3310 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas
(hierna: het waterschap).
Openbare zitting gehouden op 31 oktober 2025 om 13:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer;
griffier: mr. A.J.Q. Oskam.
Verschenen:
[appellant];
het waterschap, vertegenwoordigd door mr. M.H. Zuidema en mr. E.H.J. van Laarhoven.
====================================
Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het waterschap het verzoek van [appellant] om toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2023 heeft het waterschap het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 1 november 2024 van de rechtbank OostBrabant, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 november 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering
1. [appellant] heeft het waterschap op 24 juni 2023 in gebreke gesteld, omdat het waterschap nog niet had beslist op zijn bezwaar. De ingebrekestelling is door het waterschap ontvangen op 29 juni 2023. Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het waterschap alsnog beslist op het bezwaar van [appellant]. Dit besluit is per e-mail aan [appellant] gestuurd. Omdat het waterschap vergeten was om hierin een beroepsclausule op te nemen, heeft het waterschap op 13 juli 2023 nogmaals het besluit op bezwaar aan [appellant] gestuurd, deze keer mét beroepsclausule.
2. De rechtbank is van oordeel dat het waterschap geen dwangsommen heeft verbeurd. Na ontvangst van de ingebrekestelling heeft het waterschap namelijk alsnog binnen twee weken beslist op het bezwaar van [appellant].
3. [appellant] is het met dit oordeel niet eens. Hij stelt dat het besluit op bezwaar niet correct is bekendgemaakt en daardoor niet in werking is getreden, omdat het besluit per e-mail aan hem is verzonden. Een e-mail als zodanig kan geen besluit zijn, aldus [appellant].
4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het waterschap geen dwangsommen heeft verbeurd. De Afdeling stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat [appellant] op 12 juli 2023 per e-mail het besluit zonder beroepsclausule heeft ontvangen en op 13 juli per e-mail het besluit mét beroepsclausule. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382) kan, anders dan [appellant] betoogt, een e-mail ook als besluit worden gekwalificeerd. Het waterschap heeft na de ingebrekestelling dus binnen de termijn van twee weken beslist. Dat betekent dat het waterschap geen dwangsommen heeft verbeurd. De Afdeling begrijpt dat de opvolgende mailwisseling door [appellant] als onduidelijk is ervaren, maar dat betekent niet dat het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar op de juiste wijze is bekendgemaakt niet klopt. Het betoog slaagt niet.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het waterschap hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
1067
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...