Pays-Bas Raad van State Fiscal 12 ноября 2025 N° 202404643/1/A2 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5445 Raad van State , 12-11-2025 / 202404643/1/A2

Bij brief van 9 januari 2023 heeft de raad aan [appellant] een verplichting tot betaling opgelegd. Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] het beroepschrift niet ti...

Source officielle

4 min de lecture 844 mots

Inhoudsindicatie. Bij brief van 9 januari 2023 heeft de raad aan [appellant] een verplichting tot betaling opgelegd. Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De laatste dag voor het indienen van het beroepschrift was 11 juli 2023. [appellant] heeft het beroepschrift met dagtekening 11 juli 2023, in de brievenbus van het gerechtsgebouw gedeponeerd. De rechtbank is uitgegaan van de door de griffie op het beroepschrift gestempelde ontvangstdatum van 12 juli 2023. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift daadwerkelijk op 11 juli 2023 in de brievenbus van het gerechtsgebouw is gedeponeerd. Bovendien had hij na sluitingstijd van de rechtbank het beroepschrift langs digitale weg kunnen indienen.

202404643/1/A2.

Datum uitspraak: 12 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], advocaat te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2024 in zaak nr. 23/4587 in het geding tussen:

[appellant]

en

Bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij brief van 9 januari 2023 heeft de raad aan [appellant] een verplichting tot betaling opgelegd.

Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 oktober 2025, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De laatste dag voor het indienen van het beroepschrift was 11 juli 2023. [appellant] heeft het beroepschrift met dagtekening 11 juli 2023, in de brievenbus van het gerechtsgebouw gedeponeerd. De rechtbank is uitgegaan van de door de griffie op het beroepschrift gestempelde ontvangstdatum van 12 juli 2023. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift daadwerkelijk op 11 juli 2023 in de brievenbus van het gerechtsgebouw is gedeponeerd. Bovendien had hij na sluitingstijd van de rechtbank het beroepschrift langs digitale weg kunnen indienen.

Oordeel van de Afdeling

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn in de brievenbus van het gerechtsgebouw te hebben gedeponeerd. Hij stelt verder, onder verwijzing naar een door hem opgesteld overzicht, dat verschillende rechterlijke instanties telefonisch hebben laten weten dat een beroepschrift dat de laatste dag van de termijn na sluiting van de griffie in de brievenbus wordt gedeponeerd, als tijdig ingediend wordt beschouwd. Hij heeft bewust afgezien van het instellen van digitaal beroep, omdat hij op deze wijze kon nagaan waarop de rechtspraak zou uitdraaien.

4. De Afdeling heeft eerder in haar uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956, onder 2.2, het volgende overwogen. Als een zienswijze, bezwaar- of beroepschrift in de brievenbus van het bestuursorgaan of de rechterlijke instantie is gedeponeerd en het geschrift blijkens het door het bestuursorgaan of de rechterlijke instantie daarop geplaatste stempel van ontvangst na het einde van de termijn is ontvangen, is het aan de indiener om aannemelijk te maken dat het geschrift eerder dan het stempel vermeldt door de geadresseerde is ontvangen.

5. Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Het door [appellant] overgelegde overzicht laat onverlet dat op hem de plicht rust om aannemelijk te maken dat het geschrift ook daadwerkelijk eerder dan op het stempel is vermeld, door de geadresseerde is ontvangen. Daartoe is in dit geval geen concreet en objectief bewijs aangedragen.

6. De verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7470, kan [appellant] niet baten, omdat het in die zaak ging om verzending per post. Verzending per post kent een eigen bepaling in de Awb en het zelf deponeren van een stuk in de brievenbus niet. Bovendien — en zo blijkt ook expliciet uit de aangehaalde uitspraak — is de Hoge Raad met zijn rechtspraak aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5196.

7. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025

1120


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.