Pays-Bas Raad van State Commercial 12 ноября 2025 N° 202306709/1/A3 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5465 Raad van State , 12-11-2025 / 202306709/1/A3

Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd om de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] voor een Nederlands paspoort voor hun zoon in behandeling te nemen. De minister heeft geweigerd om deze aanvraag in behandeling te nemen omdat [appellant C] niet meer in bezit zou zijn van het Nederlanderschap. Volgens de minister is het Nederlanderschap van [appella...

Source officielle

9 min de lecture 1 785 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd om de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] voor een Nederlands paspoort voor hun zoon in behandeling te nemen. De minister heeft geweigerd om deze aanvraag in behandeling te nemen omdat [appellant C] niet meer in bezit zou zijn van het Nederlanderschap. Volgens de minister is het Nederlanderschap van [appellant C] op 20 april 2019 van rechtswege verloren gegaan omdat zijn moeder, [appellant A], op die datum het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Dit volgt uit de artikelen 15, eerste lid, aanhef en onder c, en 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De minister wijst er op dat de wijziging van de termijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van tien naar dertien jaar die op 1 april 2022 in werking is getreden niet met terugwerkende kracht is ingevoerd en niet geldt voor personen die voordien het Nederlanderschap al zijn verloren.

202306709/1/A3.

Datum uitspraak: 12 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats] (Turkije), in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige kind [appellant C],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 in zaak nr. 22/7850 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de minister geweigerd om de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] voor een Nederlands paspoort voor hun zoon in behandeling te nemen.

Bij besluit van 30 september 2022 heeft de minister het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nummer 202306561/1/A3, op een zitting behandeld op 10 september 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door J.L.K. Hu en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1. [appellant C] is de zoon van [appellant A] en [appellant B]. Hij is geboren op [geboortedatum] 2008 in Turkije. Hij bezit sinds zijn geboorte de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. [appellant A] en [appellant B] hebben op 11 mei 2022 voor [appellant C] een Nederlands paspoort aangevraagd. De minister heeft geweigerd om deze aanvraag in behandeling te nemen omdat [appellant C] niet meer in bezit zou zijn van het Nederlanderschap. Volgens de minister is het Nederlanderschap van [appellant C] op 20 april 2019 van rechtswege verloren gegaan omdat zijn moeder, [appellant A], op die datum het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Dit volgt uit de artikelen 15, eerste lid, aanhef en onder c, en 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). De minister wijst er op dat de wijziging van de termijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van tien naar dertien jaar die op 1 april 2022 in werking is getreden niet met terugwerkende kracht is ingevoerd en niet geldt voor personen die voordien het Nederlanderschap al zijn verloren. Ook heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren bij paspoortaanvragen die zijn ingediend na 1 april 2022. Volgens de minister moeten [appellant A] en [appellant B] hiervoor ten behoeve van [appellant C] een optieverklaring afleggen in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geweigerd om de aanvraag in behandeling te nemen. De moeder van [appellant C] heeft op 20 april 2019 van rechtswege het Nederlanderschap verloren wat betekent dat [appellant C] als haar minderjarige zoon op dat moment ook het Nederlanderschap heeft verloren. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij vanaf 1 april 2022 in het kader van de paspoortaanvraagprocedure geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren. Als [appellant A] en [appellant B] vinden dat het verlies van het Unieburgerschap uit het oogpunt van het Unierecht onevenredige gevolgen voor [appellant C] heeft, dienen zij ten behoeve van [appellant C] een optieverklaring af te leggen zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN. Zij hebben namelijk na inwerkingtreding van dit nieuwe optierecht de aanvraag om een Nederlands paspoort voor [appellant C] ingediend, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Verliestermijn

3. [appellant A] en [appellant B] betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant C] en zijn moeder op 20 april 2019 van rechtswege het Nederlanderschap hebben verloren. Op 1 april 2022 is de RWN gewijzigd waarbij de termijn van tien jaar voor het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap is verlengd naar dertien jaar. Daar had de minister volgens [appellant A] en [appellant B] rekening mee moeten houden. [appellant A] heeft binnen die termijn van dertien jaar, namelijk in 2020, geprobeerd een Nederlands paspoort aan te vragen, maar dat is vanwege de coronacrisis niet gelukt. Daardoor is de termijn gestuit, aldus [appellant A] en [appellant B].

4. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN luidde ten tijde van belang: "1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren: indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;".

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN luidde ten tijde van belang: "Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren: indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A;".

5. De Afdeling komt in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:5370, tot het oordeel dat op 20 april 2019 nog een verliestermijn van tien jaar gold, waardoor [appellant A] haar Nederlanderschap op die datum, na tien jaar onafgebroken hoofdverblijf buiten Nederland, heeft verloren. Dit betekent dat [appellant C] gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN ook zijn Nederlanderschap op 20 april 2019 heeft verloren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant A] en [appellant B] geen beroep kunnen doen op de wetswijziging van de RWN van 1 april 2022. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:444, rechtsoverweging 12.1.

Het betoog slaagt niet.

Unierechtelijke evenredigheidstoets

6. [appellant A] en [appellant B] betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen voor [appellant C] heeft. De minister had volgens [appellant A] en [appellant B] in de Unierechtelijke evenredigheidstoets moeten meewegen dat [appellant C] met het verlies van zijn Nederlanderschap niet meer in staat zal zijn naar Nederland te reizen en banden met zijn familie in Nederland op te bouwen en te onderhouden. Volgens [appellant A] en [appellant B] was ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap dan ook voorzienbaar dat [appellant C] zijn Unieburgerrechten zou willen uitoefenen.

7. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN luidde ten tijde van belang: "Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden. De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing".

8. De Afdeling stelt vast dat [appellant A] en [appellant B] het oordeel van de rechtbank dat zij voor het herkrijgen van het Nederlanderschap van [appellant C] in verband met de onevenredige gevolgen daarvan de procedure van de optieverklaring ten behoeve van [appellant C] moeten doorlopen omdat de Unierechtelijke evenredigheidstoets sinds 1 april 2022 niet meer in de paspoortprocedure wordt uitgevoerd, niet met zoveel woorden hebben bestreden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:5370, geoordeeld dat het Unierecht er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap uitsluitend worden beoordeeld in een van de paspoortprocedure losstaande procedure, indien in de paspoortprocedure blijkt van het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee van het Unieburgerschap, van rechtswege. [appellant A] en [appellant B] hebben geen aanknopingspunten aangereikt voor het oordeel dat het moeten afleggen van de optieverklaring ter beoordeling van de Unierechtelijke evenredigheid van de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. Ook is daarvan in het geval van [appellant C] niet gebleken. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij vanaf 1 april 2022 in het kader van de paspoortaanvraagprocedure geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren. [appellant A] en [appellant B] dienen daarvoor ten behoeve van [appellant C] een optieverklaring af te leggen zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde gronden zien op de omstandigheden die hadden moeten worden meegewogen in de Unierechtelijke evenredigheidstoets en kunnen in de optieverklaringsprocedure aan de orde komen. Met deze aangevoerde gronden hebben zij geen aanknopingspunten aangereikt voor een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025

990


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.