ECLI:NL:GHAMS:2021:4489 Gerechtshof Amsterdam , 13-09-2021 / 200.291.928
handelsrecht, hoger beroep gerechtshof Amsterdam
4 min de lecture · 727 mots
Inhoudsindicatie. handelsrecht, hoger beroep gerechtshof Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.291.928/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/672759 / HA ZA 19-1021
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 juli 2021
inzake
1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellant 2]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [appellant 1],
wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. M.W.J. Ariëns te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [plaats 3] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven.
1Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna appellanten en geïntimeerde genoemd.
Bij dagvaarding van 14 juli 2020 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis in incident van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2020 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer tussen appellanten als eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident, en geïntimeerde als gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, is gewezen.
Er is verzuimd om de betekende dagvaarding na het uitbrengen daarvan op de in het exploot genoemde rolzitting van dinsdag 29 december 2020 aan te brengen bij het Gerechtshof Amsterdam.
Bij herstelexploot van 8 januari 2021 hebben appellanten (tijdig) het verzuim hersteld. Appellanten hebben de zaak aangebracht op de rol van 30 maart 2021.
Op die datum heeft geïntimeerde advocaat gesteld.
Bij rolbeslissing van 30 maart 2021 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 13 april 2021 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellanten en geïntimeerde hebben vervolgens elk een akte (met bijlagen) genomen.
Arrest is nader bepaald op heden.
2Beoordeling
In eerste aanleg hebben appellanten op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van geïntimeerde afschrift van diverse stukken gevorderd. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank deze incidentele vorderingen afgewezen. In de hoofdzaak heeft de rechtbank bij dat vonnis de zaak naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord en iedere verdere beslissing aangehouden.
Op grond van artikel 337 lid 2 Rv kan van een tussenvonnis slechts hoger beroep tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald. Alleen in geval van een tussenvonnis waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, is dit – ingevolge het bepaalde in lid 1 van artikel 337 Rv – anders.
Bij een vonnis in een incident ex artikel 843a Rv gaat het niet om een vonnis waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, ten aanzien waarvan wel hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen. Het gaat immers niet om een voorschot op de inzet van het geding. Naar het oordeel van het hof is – anders dan appellanten stellen – evenmin sprake van een (deel)vonnis, nu niet door een uitdrukkelijk dictum een eind wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van de rechtsvordering die inzet is van het geding. Als rechtsvordering die inzet is van het geding tussen partijen moet worden verstaan de vorderingen in de hoofdzaak en niet de op art. 843a Rv gebaseerde vorderingen in het incident (vgl. HR 22 januari 2010, LJN BK1639). Indien de op artikel 843a Rv gebaseerde vorderingen zijn ingesteld in een lopende procedure met het oog op de instructie van de zaak en de rechter daarop beslist in een afzonderlijk vonnis – zoals hier het geval is -, dan moet dit worden aangemerkt als een tussenvonnis waarop artikel 337 lid 2 Rv van toepassing is. Nu de rechtbank geen tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis heeft opengesteld, kunnen appellanten dan ook niet in hun hoger beroep worden ontvangen.
Het hof zal appellanten niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen appellanten worden veroordeel in de proceskosten.
3Beslissing
Het hof:
verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 1.756,00 aan verschotten en € 2.425,50 aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...