ECLI:NL:GHAMS:2025:1670 Gerechtshof Amsterdam , 19-06-2025 / 200.340.285/01OK
Ondernemingskamer; geschillenregeling 2:343 BW (oud); mondeling uitspraak; Appellant is geen aandeelhouder en komt geen beroep op 2:343 BW (oud) toe; Ondernemingskamer niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep, verwijzing naar gerechtshof 's Hertogenbosch
5 min de lecture · 1,044 mots
Inhoudsindicatie. Ondernemingskamer; geschillenregeling 2:343 BW (oud); mondeling uitspraak; Appellant is geen aandeelhouder en komt geen beroep op 2:343 BW (oud) toe; Ondernemingskamer niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep, verwijzing naar gerechtshof 's Hertogenbosch
proces-verbaal
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.340.285/01OK
Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2025.
Tegenwoordig zijn mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen, en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en prof. dr. A.J. Brouwer RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier.
Aan de orde is de mondelinge behandeling inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
APPELLANT,
advocaat: mr. M. Franke, kantoorhoudend te Eindhoven,
tegen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
LEDS MAKE A DIFFERENCE B.V.,
gevestigd te Tilburg,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
INNOVATEAM B.V.,
gevestigd te Tilburg,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[(indirect) bestuurder en aandeelhouder A van LMAD en innocatieteam] ,
gevestigd te [plaats] ,
4. [(indirect) bestuurder en aandeelhouder B van LMAD en innovateam] ,
wonende te [plaats] ,
5. [mede-oprichter LMAD en innovateam],
wonende te [plaats]
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. M. de Schepper, kantoorhoudend te Eindhoven.
Partijen worden hierna als volgt aangeduid:
appellant als [appellant] ;
geïntimeerde sub 1 als LMAD;
geïntimeerde sub 2 als Innovateam;
geïntimeerde sub 3 als [(indirect) bestuurder en aandeelhouder A van LMAD en innocatieteam] ;
geïntimeerde dub 4 als [(indirect) bestuurder en aandeelhouder B van LMAD en innovateam] ;
geïntimeerde sub 5 als [mede-oprichter LMAD en innovateam] ;
geïntimeerde sub 1 t/m 5 als LMAD c.s.
Ter terechtzitting zijn aanwezig:
– [appellant] , voor zichzelf, bijgestaan door mr. Franke voormeld;
– [A] , voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder en aandeelhouder van [(indirect) bestuurder en aandeelhouder A van LMAD en innocatieteam] , Innovateam en LMAD, bijgestaan door mr. de Schepper voormeld;
– [B] , voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder en aandeelhouder van Innovateam en LMAD, bijgestaan door mr. de Schepper voormeld;
– [C] , voor zichzelf, bijgestaan door mr. de Schepper voormeld.
De voorzitter maakt melding van de volgende stukken die zich in het dossier bevinden:
het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2023;
het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 januari 2024;
de appeldagvaarding van 6 maart 2024;
de memorie van grieven tevens wijziging eis van 27 augustus 2024;
akte inroepen onbevoegdheid, tevens memorie van antwoord in conventie, tevens antwoordakte op wijziging van eis, tevens memorie van grieven in reconventie van 12 november 2024;
memorie van antwoord in incidenteel appel tevens antwoordakte inzake onbevoegdheid van 4 februari 2025;
akte tot overlegging van producties van de zijde van LMAD c.s. van 2 juni 2025;
akte tot overlegging van nadere producties van de zijde van LMAD c.s. van 12 juni 2025.
De voorzitter deelt mede dat de akte van 2 juni 2025 wordt geweigerd en dus niet in het procesdossier zal worden gevoegd nu dit een verkapte conclusie betreft. De bijbehorende producties (1 t/m 6) zullen wel in het procesdossier worden gevoegd.
De voorzitter deelt mede dat, zoals ook in het e-mailbericht van 16 juni 2025 aan partijen is medegedeeld, eerst de bevoegdheid van de Ondernemingskamer zal worden behandeld en dan pas – zo nodig – de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Hierop hebben de advocaten van partijen, mr. Franke onder overlegging van pleitnotities, de zaak wat betreft de bevoegdheid van de Ondernemingskamer doen bepleiten.
De voorzitter van de Ondernemingskamer schorst de behandeling ter terechtzitting.
Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter mede dat mondeling uitspraak zal worden gedaan.
De Ondernemingskamer doet als volgt mondeling uitspraak:
Op grond van artikel 2:343 BW (oud) kan een aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat zijn aandelen worden overgenomen.
Niet in geschil is dat [appellant] geen aandelen houdt in Innovateam en/of LMAD, en dus ook geen aandeelhouder is in de zin van artikel 2:343 BW. De stelling dat de positie van [appellant] zo zeer vergelijkbaar is met die van een aandeelhouder, dat de geschillenregeling naar analogie dient te worden toegepast, wordt door de Ondernemingskamer verworpen. [appellant] beschikt uitsluitend over een contractuele aanspraak jegens [A] , [B] en [mede-oprichter LMAD en innovateam] op een aandeel in de winst en een optierecht op het kopen van aandelen in Innovateam. [appellant] beschikt niet over enige zeggenschapsrechten en is ook niet bij besluitvorming op aandeelhoudersniveau betrokken. De positie van [appellant] is dan ook geenszins gelijk te stellen aan die van een aandeelhouder van Innovateam. Daarmee komt [appellant] geen beroep op artikel 2:343 BW (oud) toe en is ook artikel 2:336 lid 3 BW (oud), waarin de bevoegdheid van de Ondernemingskamer ten aanzien van de geschillenregeling is geregeld, hier niet van toepassing. De Ondernemingskamer is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Het gerechtshof ’s Hertogenbosch is wel bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Ondernemingskamer zal zich onbevoegd verklaren van de zaak kennis te nemen en de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 73 Rv, in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar het gerechtshof ’s Hertogenbosch. Indien en voor zover partijen het gerechtshof ’s Hertogenbosch niet gezamenlijk schriftelijk in kennis stellen van de dag waarop zij de zaak aldaar willen doen dienen, is het aan een der partijen om, overeenkomstig artikel 74 lid 1 Rv, de overige partij(en) op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak aldaar ter rolle wil doen dienen.
De beslissing
De Ondernemingskamer:
verklaart zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen;
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof ’s Hertogenbosch.
De voorzitter meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt verzonden.
De voorzitter sluit de behandeling ter terechtzitting.
Waarvan proces-verbaal,
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...