Pays-Bas Gerechtshof Den Haag Divers 18 6 月 2025 N° 200.328.298/01 en 200.328.298/02 NL

ECLI:NL:GHDHA:2025:2278 Gerechtshof Den Haag , 18-06-2025 / 200.328.298/01 en 200.328.298/02

Herroepingsverzoek op grond van artikel 382 Rv in verbinding met artikel 390 Rv. De authenticiteit van de stukken die de aanleiding en/of basis zijn voor het herroepingsverzoek kan niet kan komen vast te staan, zodat het bestaan van een grond voor herroeping niet kan worden aangenomen en het herroepingsverzoek is afgewezen. Zie ook: ECLI:NL:GHDHA:2024:2302 (verzoek voorlopig getuigenverhoor in ...

Source officielle

21 min de lecture 4,427 mots

Inhoudsindicatie. Herroepingsverzoek op grond van artikel 382 Rv in verbinding met artikel 390 Rv. De authenticiteit van de stukken die de aanleiding en/of basis zijn voor het herroepingsverzoek kan niet kan komen vast te staan, zodat het bestaan van een grond voor herroeping niet kan worden aangenomen en het herroepingsverzoek is afgewezen.

Inhoudsindicatie. Zie ook: ECLI:NL:GHDHA:2024:2302 (verzoek voorlopig getuigenverhoor in het kader van het herroeppingsverzoek).

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummers hof: 200.328.298/01 en 200.328.298/02

Zaaknummer beschikking waarvan herroeping is verzocht: HV 103.009.219

Beschikking van de meervoudige kamer van 18 juni 2025

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster tot herroeping,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.A.M. Bannenberg te Vught.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn opgeroepen:

1. [belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

advocaat mr. P.A.W. Standhardt-Jonkers te Utrecht,

2. [belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] .

1De beschikking waarvan herroeping is verzocht

Het hof verwijst voor het verloop van het geding aangaande de beschikking waarvan herroeping is verzocht naar de tussenbeschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 juli 2009 en de eindbeschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 13 december 2011 (hierna ook te noemen: de beschikking waarvan herroeping is verzocht), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het procesverloop van deze zaken

De vrouw heeft op 15 maart 2023 een verzoekschrift tot herroeping bij het hof ’s-Hertogenbosch ingediend (hierna ook te noemen: het herroepingsverzoek). Bij het herroepingsverzoek heeft de vrouw tevens een verzoek gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking waarvan herroeping is verzocht (hierna ook te noemen: het schorsingsverzoek). Het hof ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 23 mei 2023 het herroepingsverzoek en het schorsingsverzoek van de vrouw verwezen naar het hof Den Haag. Het herroepingsverzoek is bij dit hof ingeschreven onder zaaknummer 200.328.298/01 en het schorsingsverzoek onder zaaknummer 200.328.298/02.

[belanghebbende 1] heeft op 19 juni 2023 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 10 juli 2023 met bijlage, ingekomen op 11 juli 2023;

een journaalbericht van de zijde van [belanghebbende 1] van 24 februari 2025 met bijlagen, ingekomen op 25 februari 2025;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 6 maart 2025 met bijlagen, ingekomen op 7 maart 2025.

De mondelinge behandeling heeft op 21 maart 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

[belanghebbende 1] , bijgestaan door haar advocaat.

[belanghebbende 2] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Zowel de advocaat van de vrouw als de advocaat van [belanghebbende 1] heeft ter mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.

3Verzoek voorlopig getuigenverhoor

Naast het herroepingsverzoek, heeft de vrouw op 3 juli 2023, in een afzonderlijke procedure (met zaaknummer 200.330.515/01), verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten omdat zij mede via die weg wil(de) bewijzen dat [deskundige] van [bedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: [deskundige] ) en/of [de man] (hierna te noemen: de man) en/of [raadsheer] (hierna te noemen: [raadsheer] ) op ontoelaatbare wijze hebben samengespannen in de echtscheidingsprocedure die is geëindigd met de beschikking waarvan herroeping is verzocht. Die samenspanning zou met name betrekking hebben op de vaststelling van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1]

Bij beschikking van 27 november 2024 heeft het hof voornoemd verzoek om een voorlopig getuigenverhoor afgewezen. Het hof heeft daarnaast bepaald dat [raadsheer] en [belanghebbende 2] in die procedure geen belanghebbende zijn en de vrouw veroordeeld in de proceskosten van [deskundige] , [raadsheer] , De Staat en [belanghebbende 1] .

Tegen voornoemde beschikking van het hof is geen cassatie ingesteld.

4De achtergrond van de zaken

Algemeen

De vrouw is op [huwelijksdatum] 1996 gehuwd met de man.

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn de dochters van de vrouw en de man.

Bij beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 31 mei 2007 is de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken. Deze beschikking is op 12 november 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw is van voornoemde echtscheidingsbeschikking in hoger beroep gekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch. Van de eindbeschikking in die zaak heeft de vrouw herroeping verzocht.

De man is op [overlijdensdatum] 2020 overleden. [belanghebbende 1] is door hem tot enig erfgenaam benoemd. Zij heeft de erfenis beneficiair aanvaard en treedt op als vereffenaar van de nalatenschap. [belanghebbende 2] is door haar vader onterfd. Zij heeft een beroep gedaan op de legitieme.

De echtscheidingsprocedure

In de echtscheidingsprocedure van de vrouw en de man is tussen hen een geschil ontstaan over de afwikkeling van hun huwelijksvermogensregime, zijnde de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden. Van die afwikkeling maakt(e) onderdeel uit de waardering en verdeling van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] , welke vennootschap 1/3e belang hield in de besloten vennootschap [besloten venootschap 2] .

Bij tussenbeschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 juli 2009 heeft dat hof – voor zover hier van belang – in het kader van de waardering en verdeling van voornoemde aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] . een deskundige benoemd, te weten [deskundige] , en een deskundigenonderzoek (door hem) gelast.

[deskundige] heeft naar aanleiding van het gelaste deskundigenonderzoek een rapport uitgebracht en gerapporteerd dat de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] € 134.768,- bedraagt.

Bij de beschikking waarvan herroeping is verzocht heeft het hof ’s-Hertogenbosch het
– na uitbrenging van het deskundigenrapport – door de vrouw naar voren gebrachte bezwaar dat [deskundige] niet onafhankelijk en onpartijdig was afgewezen en heeft het hof aan de hand van voornoemd rapport de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] op € 134.768,- bepaald. Deze beschikking is onder meer door [raadsheer] (zaaksvoorzitter) gewezen.

Tegen de beschikking waarvan herroeping is verzocht is geen cassatie ingesteld.

En verder

In 2015 heeft de vrouw een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen [deskundige] . Zij stelt dat [deskundige] fouten heeft gemaakt en dat hij niet onafhankelijk en onpartijdig is geweest. In die procedure heeft zij een verklaring voor recht gevorderd dat [deskundige] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de uitvoering van zijn werkzaamheden als gerechtelijk deskundige in de echtscheidingsprocedure tussen haar en de man en eiste zij dat [deskundige] de door haar geleden schade zou vergoeden. In deze procedure draaide het met name om de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] , die [deskundige] volgens de vrouw veel te laag had gewaardeerd.

Bij arrest van 23 februari 2021 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de vrouw in het ongelijk gesteld. De vrouw heeft daarna cassatie ingesteld, maar de Hoge Raad heeft haar cassatieberoep op 14 oktober 2022 verworpen. De vrouw heeft gelijktijdig met het in deze zaak ingediende herroepingsverzoek herroeping van voornoemd arrest gevorderd.

5De omvang van het geschil

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

de beschikking waarvan herroeping is verzocht te herroepen; en

het geding dat met die beschikking is geëindigd geheel te heropenen; en

bij voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging van die beschikking te schorsen;

een en ander met veroordeling van gerekwestreerde in de kosten van de procedure.

[belanghebbende 1] verzoekt het hof:

primair: de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair: de verzoeken van de vrouw af te wijzen,

met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

6De motivering van de beslissing

De hoedanigheid van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2]

Standpunt

[belanghebbende 1] voert – kort weergegeven – aan dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, nu de vrouw haar niet in de juiste hoedanigheid heeft opgeroepen. [belanghebbende 1] had niet als belanghebbende, maar als verweerder opgeroepen moeten worden. [belanghebbende 1] is immers de enig erfgenaam van de man en bovendien vereffenaar van de nalatenschap van de man.

Daarnaast stelt [belanghebbende 1] dat [belanghebbende 2] ten onrechte als belanghebbende (door de vrouw) is aangemerkt. [belanghebbende 2] is immers geen erfgenaam van de man.

Oordeel hof

Het hof overweegt voor wat betreft de hoedanigheid van [belanghebbende 1] als volgt. [belanghebbende 1] is door het hof opgeroepen en heeft inhoudelijk verweer kunnen voeren. Zij heeft dat ook gedaan. Daarmee is [belanghebbende 1] op geen enkele wijze in haar belangen geschaad doordat zij in de hoedanigheid van ‘belanghebbende’ in plaats van ‘verweerder’ is opgeroepen. Het hof is dan ook van oordeel dat hetgeen [belanghebbende 1] op dit punt heeft aangevoerd niet tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw kan leiden.

Het hof overweegt voor wat betreft de hoedanigheid van [belanghebbende 2] als volgt. [belanghebbende 2] is geen erfgenaam van de man. Dat betekent dat zij geen belanghebbende is in deze procedure.

Het herroepingsverzoek

Standpunten

De vrouw voert – kort weergegeven – aan dat zij heeft kennis gekregen van omstandigheden die wijzen op bedrog en/of achterhouding van stukken door de man in de procedure die heeft geleid tot de beschikking waarvan herroeping is verzocht. Op 18 december 2022 heeft zij namelijk een mapje met kopieën van e-mails tussen de man en [deskundige] van 2 november 2009 (hierna ook te noemen: de e-mails van 2 november 2009) in haar brievenbus aangetroffen waaruit volgens haar volgt dat de man en/of [deskundige] en/of [raadsheer] op ontoelaatbare wijze hebben samengespannen in voornoemde procedure. De e-mails van 2 november 2009 houden het volgende in:

Op 2 november 2009 schrijft de man aan [deskundige] : “Zoals gezegd, ik wil max 140.000. Je snapt dat ik natuurlijk geen factuur van jou kan gebruiken. Ik wil dat bedrag wel kunnen aftrekken + BTW. Ik wil geen gedonder achteraf. Thanks”.

Op dezelfde dag antwoordt [deskundige] aan de man: “Ik begrijp wat je bedoelt. Regel ik. Maak 2007 incidenteel. Dan kom je uit op max.150k. Maar zorg dan dat 2008 er niet is. [toenmalige accountant van de man] liet me weten dat die in nov in de planning staat. Ik heb [raadsheer] nog niet gesproken. Laat je dat nog wel weten. Bel [de advocaat van de man] later nog.” [hof: volgens de vrouw wordt met “ [toenmalige accountant van de man] ” bedoeld de toenmalige accountant van de man en de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] , en met “ [de advocaat van de man] ” de advocaat van de man.]

Uit deze e-mails blijkt volgens de vrouw, kort gezegd, dat er tussen de man en [deskundige] contact is geweest nadat [deskundige] in juli 2009 als deskundige was benoemd, dat de man laat weten dat hij een waarde van maximaal € 140.000,- wil voor de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] en dat hij [deskundige] daarvoor zal betalen, waarop [deskundige] antwoordt dat hij advies zal gaan uitbrengen overeenkomstig de wil van de man. Deze e-mails bevatten volgens de vrouw ook aanwijzingen dat [raadsheer] betrokken is bij de samenspanning, die er uiteindelijk in uitmondde dat in de eindbeschikking van 13 december 2011, conform het advies van [deskundige] , de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] is gesteld op € 134.768,-. Hierdoor heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij de beschikking waarvan herroeping is verzocht de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [besloten venootschap 1] op een te laag bedrag vastgesteld.

[belanghebbende 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [belanghebbende 1] stelt – kort
weergegeven – dat de vrouw geenszins heeft aangetoond dat zij de e-mails van 2 november 2009 (pas) op 18 december 2022 heeft ontvangen. [belanghebbende 1] stelt dat het er daarom voor moet worden gehouden dat de vrouw haar herroepingsverzoek niet tijdig heeft ingediend. Voor zover de vrouw haar herroepingsverzoek wel tijdig heeft ingediend, voert [belanghebbende 1] aan dat voornoemde e-mails vervalst zijn. Allereerst heeft zij de betreffende e-mails niet teruggevonden in de administratie van de man. Daarnaast wijst zij erop dat e-mailberichten gemakkelijk zijn aan te passen, hetgeen ook lijkt te zijn gedaan. Immers, in de e-mails in het mailverkeer afkomstig van [deskundige] wordt een ander lettertype dan voor hem gebruikelijk gebruikt, is de lay-out anders en wordt een andere en zelfs taalkundig foutieve disclaimer gebruikt. Nu de vrouw hiervoor geen deugdelijke verklaring heeft gegeven en haar stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd, is [belanghebbende 1] van mening dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de e-mails van 2 november 2009 authentiek zijn. Herroeping van de beschikking waarvan herroeping is verzocht, is volgens haar derhalve niet aan de orde.

Wettelijk kader

Uit artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv) in verbinding met artikel 390 Rv volgt dat een beschikking op verzoek van een partij kan worden herroepen indien:

de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

de beschikking berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;

een van de partijen na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Uit artikel 383 lid 1 Rv in verbinding met artikel 391 Rv volgt dat het rechtsmiddel van herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat tegen de beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt. Hoewel in zaken als de onderhavige allereerst ter beoordeling aan het hof voorligt de vraag of het herroepingsverzoek tijdig is ingediend, is het hof van oordeel dat het antwoord op die vraag in dit geval in het midden kan blijven. Naar het oordeel van het hof kunnen de stellingen van de vrouw, zelfs al zou zij het herroepingsverzoek tijdig hebben ingediend, namelijk niet tot toewijzing van dat verzoek leiden. Het hof overweegt daartoe dat niet is gebleken van het bestaan van een grond voor herroeping, nu naar het oordeel van het hof (nog steeds) niet kan komen vast te staan dat de e-mails van 2 november 2009 authentiek zijn, terwijl die e-mails de aanleiding en/of basis van (de gronden van) het herroepingsverzoek van de vrouw vormen. Het hof overweegt daarover (verder) als volgt.

De vrouw heeft de hiervoor weergegeven e-mails van 2 november 2009 bij haar verzoekschrift van 15 maart 2023 overgelegd. Diezelfde e-mails had zij ook overgelegd in de procedure waarin zij verzocht om een voorlopig getuigenverhoor. Bij beschikking van 27 november 2024 heeft het hof in de zaak van het voorlopig getuigenverhoor overwogen dat er zeer sterke aanwijzingen zijn dat de e-mails van 2 november 2009 niet authentiek, en dus vervalst, zijn. Het hof citeert in dit verband uit voornoemde beschikking rechtsoverwegingen 5.17 en 5.18 (de vrouw wordt in die beschikking aangeduid als [de vrouw] ):

“5.17 Het hof acht in dit verband het volgende van belang:

( a) De door [de vrouw] geschetste wijze waarop zij de e-mails van 2 november 2009 en de verklaring heeft verkregen is omgeven door anonimiteit: een anonieme persoon heeft kopieën van deze e-mails in de brievenbus van [de vrouw] gegooid en deze persoon heeft later, via een anonieme e-mail, een verklaring naar [de vrouw] gestuurd inhoudend dat hij (of zij) de map met de e-mails van 2 november 2009 had gekregen van een andere persoon die ook anoniem wil blijven. Dit alles maakt dat de herkomst van e-mails van 2 november 2009 en de verklaring moeilijk controleerbaar is.

( b) Gelet hierop mocht verwacht worden dat [de vrouw] in ieder geval volledige openheid van zaken zou geven voor zover zij dat kon doen. Daarom mocht worden verwacht dat zij niet alleen de tekst van de (anonieme) verklaring in het geding zou brengen, maar ook de e-mail waarmee die was gestuurd, zodat die door de wederpartij kon worden bekeken en te zien zou zijn van welk (anoniem) e-mailadres de verklaring was gestuurd en aan welk e-mailadres (en dus aan wie) het bericht was gericht. [de vrouw] heeft die e-mail ook niet alsnog in het geding gebracht nadat [deskundige] c.s. een punt hadden gemaakt van het ontbreken ervan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [de vrouw] in de spreekaantekeningen wel het emailadres onthuld vanwaar de verklaring was verzonden ( [e-mailadres] ), maar dat was op een zodanig laat moment in de procedure, dat het voor [deskundige] c.s. niet meer mogelijk was om enig onderzoek te doen naar dat e-mailadres. Bovendien blijft nog altijd in nevelen gehuld waarom de e-mail waarmee de verklaring was gestuurd niet in het geding is gebracht. Daarbij komt dat de verklaring van [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling ook niet veel helderheid kon verschaffen: [de vrouw] verklaarde dat zij digibeet is, dat zij zelf geen computer heeft en alles moet doen via de computer van haar vriend, en dat zij er verder ook niet meer vanaf weet.

( c) In de tweede e-mail van 2 november 2009 (zie hiervoor bij 5.12) schrijft [deskundige] aan [de man] : “Ik heb [raadsheer] nog niet gesproken. Laat je dat nog wel weten.”. Het hof begrijpt dat [de vrouw] betoogt dat deze passage, gelezen in de verdere context van de e-mails van 2 november 2009, aantoont dat de in juli 2009 door het hof Den Bosch benoemde deskundige [deskundige] contact wil opnemen met raadsheer [raadsheer] , en dat dit een aanwijzing is dat [raadsheer] betrokken was bij de samenspanning om de aandelen in [besloten venootschap 1] laag te waarderen. Opmerkelijk is echter dat [raadsheer] op dat moment nog niet betrokken was bij de verdelingszaak tussen [de vrouw] en [de man] . Vaststaat dat [raadsheer] geen deel uitmaakte van de combinatie die de tussenbeschikking van 29 juli 2009 heeft gewezen waarbij [deskundige] als deskundige is benoemd. De Staat heeft toegelicht dat [raadsheer] pas medio 2011 is belast met de zaak vanwege de (financiële) complexiteit van de zaak, nadat tussen [de vrouw] en [de man] een ingewikkelde discussie was ontstaan over het definitieve rapport van [deskundige] (en zijn persoon). Die toelichting van de Staat strookt met de notitie van 26 mei 2011 die [de vrouw] stelt te hebben aangetroffen in het griffiedossier van de verdelingszaak. Daaruit viel namelijk af te leiden dat de oude combinatie (zonder [raadsheer] ) op dat moment nog bezig was met de verdelingszaak. Dit alles roept de vraag op waarom [deskundige] in november 2009 – terwijl hij volgens [de vrouw] met [de man] aan het samenspannen was over de waarde van de aandelen [besloten venootschap 1] die [deskundige] zal gaan opnemen in een rapport dat hij nog moet gaan uitbrengen – [raadsheer] zou willen spreken. Niet valt in te zien wat in november 2009 het nut van een samenzwering (althans communicatie) met [raadsheer] zou kunnen zijn, terwijl [raadsheer] pas medio 2011 werd belast met de zaak. Dit maakt dat inhoud van de e-mail zeer ongeloofwaardig overkomt.

( d) In het dossier bevinden zich kopieën van e-mails die [deskundige] op 14 en 22 oktober 2009 heeft verstuurd (productie B11, overgelegd door [de vrouw] ) waarvan vaststaat dat die daadwerkelijk van [deskundige] afkomstig zijn. [deskundige] c.s. hebben erop gewezen dat het uiterlijk van die e-mails verschilt van de e-mail die [deskundige] op 2 november 2009 aan [de man] zou hebben verstuurd: het lettertype is anders en de lay-out verschilt doordat de berichten van 2 november 2009 boven en onder de tekst meer witregels bevatten. [de vrouw] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling niet betwist. Zij heeft in het geheel niet op gereageerd op de stelling dat het lettertype anders is en de lay-out verschilt.

( e) De advocaat van [deskundige] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij kort daarvoor hadden ontdekt dat er ook een verschil zit de tekst van de disclaimer die te zien is onder de e-mail van [deskundige] van 22 oktober 2009 en die onder de e-mail van 2 november 2009. De e-mail van 22 oktober 2009, waarvan vaststaat dat die door [deskundige] is gestuurd, bevat de zin “ [bedrijf] sluit elke aansprakelijkheid uit in verband met het niet juist, onvolledig of niet tijdig overkomen van de informatie in deze e-mail.”, terwijl de e-mail die minder dan twee weken later op 2 november 2009 door [deskundige] zou zijn verstuurd de tekst bevat “ [bedrijf] sluit elke aansprakelijkheid uit in verband met het niet juist, onvolledig of niet tijdig overkomen van de inhoud in deze e-mail.” [onderstreping en vette weergave toegevoegd door het hof]. De advocaat van [de vrouw] heeft daarop ook geconstateerd dat er een verschil is qua tekst, heeft verklaard dat hij daar op dat moment ook geen verklaring voor had, maar speculeerde dat er wellicht meerdere disclaimers in omloop waren. Het hof is het met [deskundige] eens dat het zeer onaannemelijk is dat er binnen die korte tijdspanne een andere tekst van de disclaimer onder een e-mail van dezelfde persoon staat, afkomstig van hetzelfde e-mailadres, en dat het bovendien opvallend is dat juist in de e-mail van 2 november een tekst staat die taalkundig onjuist is (“de inhoud in deze e-mail”, in plaats van het taalkundig correcte “de inhoud van deze e-mail”). De conclusie van [deskundige] dat die laatste e-mail gemanipuleerd moet zijn, is een aannemelijke verklaring voor het geconstateerde verschil.

Het hof komt op grond van het voorgaande, ook in onderling verband beschouwd, tot de conclusie dat er zeer sterke aanwijzingen zijn dat de e-mails van 2 november 2009, die

[de vrouw] in deze verzoekschriftprocedure heeft ingebracht als aanleiding voor het gevraagde voorlopig getuigenverhoor, niet authentiek, en dus vervalst zijn. Tegenover deze sterke aanwijzingen was het aan [de vrouw] om in deze verzoekschriftprocedure met gegevens te komen waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de e-mails van 2 november 2009 mogelijk toch authentiek zouden kunnen zijn. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij na de gedetailleerde, gemotiveerde betwistingen door [deskundige] c.s. daar wel tijd en gelegenheid voor heeft gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] verklaard dat zij op dit moment niet kan aantonen dat de e-mails authentiek zijn. Bij die stand van zaken moet het hof ervan uitgegaan dat de e-mails van 2 november 2009 vervalst zijn.”

Evenals in de procedure die tot voornoemde beschikking heeft geleid, stelt de vrouw ook in deze herroepingsprocedure dat de e-mails van 2 november 2009 authentiek zijn. Na de beschikking van 27 november 2024 heeft zij ter onderbouwing van die stelling twee verklaringen overgelegd, te weten een verklaring van de heer [naam] (hierna: [naam] ) en een verklaring van [belanghebbende 2] . [belanghebbende 2] verklaart daarin dat zij op 15 december 2022 een map heeft gekregen van [naam] , dat zij die op 18 december 2022 bij haar moeder in de bus heeft gedaan en dat zij dat zo heeft gedaan omdat [naam] absoluut anoniem wilde blijven en er helemaal niet bij betrokken wilde worden. [naam] verklaart dat hij degene was die de map op 15 december 2022 aan [belanghebbende 2] heeft gegeven. Over de e-mails verklaart [naam] verder: “Het emailverkeer tussen [de man] en [deskundige] van 2 nov 2009 lijkt mij authentiek en is na zijn ontslag in zijn kantoor aangetroffen.”.

[belanghebbende 1] heeft de stelling(en) van de vrouw en de nader ingebrachte stukken echter gemotiveerd betwist. Zo heeft zij betwist dat de verklaringen door [naam] respectievelijk [belanghebbende 2] zijn gegeven en gesteld dat deze ongeloofwaardig zijn en de stellingen van de vrouw niet onderbouwen. In haar brief van 24 februari 2025 heeft [belanghebbende 1] bovendien nadrukkelijk op de hierboven geciteerde zeer sterke aanwijzingen onder rechtsoverweging 5.17 van de beschikking van 27 november 2024 gewezen. De vrouw heeft haar stelling(en) op dit punt daarna niet verder met stukken onderbouwd. Zij heeft verklaard geen verklaring te kunnen geven voor de eerder geconstateerde afwijkingen voor wat betreft de tekst en lay-out van de e-mails van 2 november 2009.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de vrouw door middel van de overlegging van de (betwiste) verklaringen van [naam] en [belanghebbende 2] , heeft getracht enige openheid van zaken te geven en enig bewijs te leveren waaruit zou kunnen worden afgeleid wanneer en op welke wijze de e-mails van 2 november 2009 bij haar terecht zijn gekomen. Wat daar verder ook van zij, overeind blijven de sterke aanwijzingen genoemd onder punten c tot en met e onder rechtsoverweging 5.17 van de beschikking van 27 november 2024. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof al met al onvoldoende gesteld en met stukken onderbouwd om te kunnen concluderen dat de e-mails van 2 november 2009 authentiek zijn. De verklaring van [naam] dat “het e-mailverkeer hem authentiek lijkt” is in dit verband onvoldoende. De vrouw heeft ook onvoldoende concreet bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de e-mails van 2 november 2009 wel authentiek zijn. Het hof gaat er daarom vanuit dat de e-mails van 2 november 2009 niet authentiek, en dus vervalst, zijn. Nu de e-mails van 2 november 2009, zoals onder rechtsoverweging 6.8 van deze beschikking overwogen, de aanleiding en/of basis zijn voor (de gronden van) het herroepingsverzoek van de vrouw, terwijl de authenticiteit daarvan niet kan komen vast te staan, kan het bestaan van een grond voor herroeping niet worden aangenomen en zal het hof het herroepingsverzoek en het verzoek tot heropening van de vrouw derhalve afwijzen.

Het schorsingsverzoek

De vrouw heeft verzocht de tenuitvoerlegging van de beschikking waarvan herroeping is verzocht te schorsen.

Het hof overweegt daarover als volgt. Aangezien het hof heden een inhoudelijke beslissing geeft over het herroepingsverzoek van de vrouw, heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking waarvan herroeping is verzocht. Het hof zal dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Proceskosten

Partijen hebben over en weer om een proceskostenveroordeling verzocht.

Nu het herroepingsverzoek van de vrouw wordt afgewezen, ziet het hof aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten van [belanghebbende 1] . [belanghebbende 1] heeft de door haar gemaakte proceskosten niet nader gespecificeerd, zodat het hof uitgaat van het liquidatietarief. De kosten voor deze procedure aan de zijde van [belanghebbende 1] worden hiermee vastgesteld op:

griffierecht: € 343,-;

salaris advocaat van [belanghebbende 1] overeenkomstig het liquidatietarief: 2 punten x
€ 1.214,- = € 2.428, (tarief II in hoger beroep, één punt voor het verweerschrift, één punt voor de mondelinge behandeling);

totaal: € 2.771,-.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

7De beslissing

Het hof:

– ten aanzien van het herroepingsverzoek:

wijst de verzoeken van de vrouw af;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van [belanghebbende 1] , tot aan deze uitspraak begroot op € 2.771,-;

– ten aanzien van het schorsingsverzoek:

wijst het verzoek van de vrouw tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, H.J.M. Burg en M.L.C.C. Lückers, bijgestaan door mr. M.N.C. Zuiderwijk als griffier, en is op 18 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.