ECLI:NL:GHSHE:2024:3587 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 13-11-2024 / 20-000200-24

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Source officielle

7 min de lecture 1,460 mots

Inhoudsindicatie. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Inhoudsindicatie. Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Parketnummer : 20-000200-24

Uitspraak : 13 november 2024

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-019894-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Grave te Grave.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2) veroordeeld tot respectievelijk een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest en een hechtenis voor de duur van
2 dagen. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen aansteker in de vorm van een vuurwapen verbeurdverklaard.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Door de raadsvrouw van de verdachte is primair vrijspraak bepleit en is subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust.

Bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Aanvulling van de bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter op pagina 6 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de politierechter dan ook over en maakt die tot de zijne, met aanvulling van het hierna volgende.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 is – kort gezegd – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zijn moeder heeft bedreigd, onder meer omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte te zien is op de camerabeelden. Daartoe is – onder meer – aangevoerd dat de verdachte niet voldoet aan het signalement van de persoon op de camerabeelden. Deze persoon draagt een donkerkleurige broek, terwijl de verdachte volgens het politiedossier bij zijn aanhouding een grijze broek met witte hartjes aan had.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op 17 januari 2024 omstreeks 20.45 uur deed de moeder van de verdachte melding bij de politie van bedreiging door haar zoon (de verdachte). Hij zou met een vuurwapen bij haar woning aan [adres] staan en zou roepen dat hij haar 'kapot' zou schieten. Naar aanleiding van deze melding gingen verbalisanten op zoek naar de verdachte. De verdachte werd op 17 januari 2024 omstreeks 22.20 uur aangetroffen op de Pressstraat in Eindhoven en is na een korte achtervolging omstreeks 22.22 uur aangehouden. Voor zover al juist is dat de verdachte bij zijn aanhouding een andere broek aan had dan de persoon op de camerabeelden, geldt dat de verdachte in het tijdsinterval tussen de melding van zijn moeder omstreeks 20.45 uur en het moment dat de verbalisanten hem aantroffen omstreeks 22.20 uur ruimschoots de tijd heeft gehad om van broek te wisselen. Hierbij is van belang dat in een van de twee boodschappentassen die de verdachte bij zijn aanhouding met zich mee voerde een donkere spijkerbroek is aangetroffen. De persoon op de camerabeelden lijkt eveneens een donkere spijkerbroek te dragen. Daarnaast bevinden zich in het dossier foto’s van de verdachte die zijn gemaakt toen hij op de ochtend van 17 januari 2024 door verbalisanten werd gecontroleerd. Op deze foto’s draagt de verdachte een donkere spijkerbroek.

Ten slotte vermag het hof niet in te zien dat aangeefster haar eigen zoon niet zou herkennen.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen – mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 17 januari 2024 te Eindhoven [slachtoffer] (zijn moeder) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door haar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten een aansteker in de vorm van een vuurwapen, te tonen en haar gelijktijdig dreigend de woorden toe te voegen: "Moet je kijken wat ik met jou doe", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hieruit volgt evenzeer dat de verdachte op 17 januari 2024 te Eindhoven een op een vuurwapen gelijkende aansteker bij zich droeg en dat die aansteker – gelet op de aard en de omstandigheden waaronder deze werd aangetroffen – bestemd was om mee te dreigen.
Dat maakt dat sprake is van een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft zich, door dit wapen bij zich te dragen, schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Verbetering en aanvulling van de strafoverwegingen

Het hof verenigt zich met de strafoverwegingen van de politierechter op pagina’s 7 en 8 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘De op te leggen straf, bijkomende straf en maatregel’). Het hof neemt deze strafoverwegingen van de politierechter dan ook over en maakt die tot de zijne, met verbetering en aanvulling van het hierna volgende.

Verbetering van de strafoverwegingen

Uit de strafoverwegingen van de politierechter op pagina 7 van het vonnis wordt de volgende passage geschrapt:

“Verdachte had 10 doosjes met aanstekers in de vorm van een vuurwapen bij zich, waarvan er 8 gevuld waren. Gelet op de aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, kon redelijkerwijs worden aangenomen dat verdachte deze aanstekers in bezit had om te dreigen. Het in bezit hebben van deze aanstekers is zeer zorgelijk en brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden.”

Aanvulling van de strafoverwegingen

Het hof overweegt in aanvulling op de strafoverwegingen van de politierechter als volgt.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar ter zitting overgelegde pleitnotities – bepleit dat sprake is van eendaadse samenloop van de tenlastegelegde feiten en heeft het hof verzocht om daarmee in de strafmaat rekening te houden.

Het hof overweegt als volgt.

Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.

Het hof stelt vast dat de onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten deels hetzelfde materiële feitencomplex betreffen, doch dat de bewezenverklaarde gedragingen verder niet zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Ook loopt de strekking van de artikelen 285 Wetboek van Strafrecht en 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie meer dan enigszins uiteen.

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop. Het ter zake gevoerde verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:
mr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 13 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.