Pays-Bas Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Divers 11 6 月 2025 N° BON202400366, BON202400367, BON202400368, BON202400369, BON202400370, BON202400371, BON202400372, BON202400373, BON202400374, BON202400375, BON202400376 NL

ECLI:NL:OGAACMB:2025:92 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 11-06-2025 / BON202400366, BON202400367, BON202400368, BON202400369, BON202400370, BON202400371, BON202400372, BON202400373, BON202400374, BON202400375, BON202400376

Klagers zijn op basis van het seniorenbeleid individuele overeenkomsten aangegaan over vervroegd uitdiensttreden. Het Gerecht oordeelt dat klagers uit het seniorenbeleid en de tekst van de overeenkomsten hadden moeten afleiden dat zij instemden met een vaste uitkering gedurende de gehele uitkeringsperiode. Zij konden niet verwachten dat latere loonsverhogingen zouden leiden tot een verhoging va...

Source officielle

17 min de lecture 3,694 mots

Inhoudsindicatie. Klagers zijn op basis van het seniorenbeleid individuele overeenkomsten aangegaan over vervroegd uitdiensttreden. Het Gerecht oordeelt dat klagers uit het seniorenbeleid en de tekst van de overeenkomsten hadden moeten afleiden dat zij instemden met een vaste uitkering gedurende de gehele uitkeringsperiode. Zij konden niet verwachten dat latere loonsverhogingen zouden leiden tot een verhoging van deze uitkering.

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

uitspraak op het bezwaar van:

[Klagers 1 t/m 11]

allen wonende te Bonaire,

klagers,

gemachtigden: mrs. J.A.M. Jansen, N. Montroos en E. Bokkes, allen advocaat,

tegen:

Het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire,

verweerder,

gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en L.F.F.M. Drissen, beiden advocaat.

Inleiding

Klagers hebben bij het Gerecht bezwaar gemaakt tegen de aan ieder van hen individueel verstrekte specificatie van de uitkering die verweerder eind juli 2024 aan hen heeft uitbetaald aansluitend aan hun ontslag per 1 juli 2024 (de bestreden besluiten).

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

Partijen hebben aanvullende producties ingediend.

Het Gerecht heeft op 11 februari 2025 het bezwaar van klagers gezamenlijk ter zitting behandeld. Klagers 1 t/m 5, en 7 t/m 11waren ter zitting aanwezig, bijgestaan door mrs. Montroos en Bokkes voornoemd en vergezeld van bestuursleden van de vakbond ABVO, onder wie [A] (voorzitter). Namens verweerder is verschenen mr. [B] (werkzaam bij verweerder als Hoofd Juridische Zaken), bijgestaan door mr. Drissen voornoemd en vergezeld door [C], voorheen werkzaam bij verweerder bij de afdeling P&O.

Waar gaat deze zaak over?

Verweerder heeft met het oog op verjonging van het ambtenarenapparaat de zogenaamde Seniorenregeling vastgesteld. Op grond daarvan heeft verweerder een aantal ambtenaren in de gelegenheid gesteld om vóór hun pensioendatum uit dienst te treden. Daarbij zouden de betreffende ambtenaren aansluitend aan hun ontslag een maandelijkse uitkering ontvangen onder een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden heeft verweerder per belangstellende ambtenaar in individuele overeenkomsten vastgelegd. Indien de ambtenaar akkoord zou gaan met de overeenkomst zou verweerder de ambtenaar met ingang van de in de overeenkomst genoemde datum (de beëindigingsdatum) eervol ontslag verlenen en zou de ambtenaar gedurende de in de overeenkomst genoemde periode maandelijks het eveneens in de overeenkomst vermelde geldbedrag ontvangen als maandelijkse uitkering.

Om de implementatie en uitvoering van de Seniorenregeling in goede banen te leiden, heeft verweerder in maart 2022 een zogenaamd seniorenbeleid vastgesteld en vastgelegd in het document met als titel “Seniorenbeleid OLB”. Dit document beschrijft niet alleen hoe de maandelijkse uitkering wordt berekend, maar geeft ook inzicht in de totstandkoming van de Seniorenregeling, de doelgroep, de interne financiering, de belangstellingsregistratie en het communicatie- en uitvoeringsplan. Dit beleid is het kader waarbinnen verweerder de individuele overeenkomsten heeft gesloten met klagers.

Om de kosten van het seniorenbeleid zo laag mogelijk te houden is gekozen voor een gefaseerde invoering van het seniorenbeleid. De ambtenaren die in aanmerking kwamen voor toepassing van het seniorenbeleid zijn ingedeeld in drie groepen:

1. de ambtenaren die in 2023 en 2024 de pensioengerechtigde leeftijd zouden bereiken;

2. de ambtenaren die in 2025 en 2026 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken;

3. de ambtenaren die in 2027 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken en een groep ambtenaren waarop een aanvullend beleid van toepassing is.

Klagers behoren tot de laatste groep, de ambtenaren die in 2027 met pensioen zouden gaan maar die tussen 1 juli 2024 en 31 december 2024 vervroegd uit dienst zouden treden.

Klagers hebben begin 2023 de door verweerder aan hen aangeboden individuele overeenkomsten ondertekend. Hieronder volgt een opsomming van een aantal artikelen die in deze overenkomsten zijn vastgelegd:

artikel 1.4

Vanaf de Beëindigingsdatum eindigt de deelname van Betrokkene aan de pensioenregeling en andere, niet onder deze Overeenkomst vallende, (collectieve) regelingen bij het OLB. Het OLB heeft Betrokkene erop gewezen dat het einde van de deelname aan de pensioenregeling gevolgen kan hebben voor het tijdens het dienstverband bij het OLB in het vooruitzicht gestelde ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het indienen van een tijdige pensioenaanvraag.

artikel 3.1

Het OLB zal aan Betrokkene een maandelijkse bruto uitkering ter hoogte van […] uitkeren (“de Uitkering”), hetgeen gelijk is aan de vergoeding conform de regeling uit het Seniorenbeleid, te betalen uiterlijk iedere laatste dag van de maand en vanaf de Beëindigingsdatum tot uiterlijk […]. De Uitkering wordt voor het laatste op […] door het OLB aan Betrokkene uitgekeerd of zoveel eerder nadat het OLB op redelijke gronden beslist heeft dat de Uitkering ten onrechte is verleend.

artikel 3.2

Eventuele toekomstige wijzigingen ter zake de wettelijke AOV-uitkering, het minimumloon of het consumentenprijsindexcijfer op Bonaire hebben geen voor Betrokkene positief invloed op de hoogte van de Uitkering.

artikel 3.5

Betrokkene verklaart na de Beëindigingsdatum geen andere loon- of beëindigingsvergoeding(en), of andere (geldelijke) afspraken, meer te vorderen te hebben jegens het OLB dan opgenomen in deze Overeenkomst.

artikel 7.1

Betrokkene doet hierbij afstand van het recht om de ontbinding en/of vernietiging van de Overeenkomst, of enige bepaling, in te roepen of te zullen vorderen, op grond van enigerlei wanprestatie, dwaling of andere wilsgebreken.

artikel 7.3

Deze Overeenkomst, inclusief het Seniorenbeleid welk integraal deel uitmaakt van de Overeenkomst, vormt de volledige weergaven van alle tussen Partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband. Ter zake van alle aangelegenheden die het dienstverband en/of de beëindiging daarvan betreffen, verklaart Betrokkene geen andere afspraken tegenover het OLB te hebben en geldend te zullen maken dan volgt uit het in deze vaststellingsovereenkomst bepaalde.

artikel 7.4

Betrokkene verleent finale kwijting ter zake van alle aangelegenheden voor nu en in de toekomst die het dienstverband en/of de beëindiging daarvan betreffen en verklaart niets meer van het OLB te vorderen te hebben, los van hetgeen uitdrukkelijk genoemd in deze Overeenkomst.

Verweerder heeft naar aanleiding van onderhandelingen met de vakbond nieuwe collectieve arbeidsvoorwaarden vastgesteld met ingang van 1 januari 2024 en deze vastgelegd in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2024-2026. In verband hiermee hebben klagers met ingang van 1 januari 2024 een loonsverhoging gekregen.

Een groot deel van klagers heeft verweerder bij brief van 17 mei 2024 gewezen op de artikelen 1.4 en 3.5 van de individuele overeenkomsten en vermeld dat het op grond van deze overeenkomsten uit te betalen maandelijkse uitkering verhoogd moet worden met inachtneming van de loonsverhoging.

Verweerder heeft klagers conform de in de individuele overeenkomsten vermelde beëindigingsdata met ingang van 1 juli 2024 eervol ontslag verleend als ambtenaar en het in de individuele overeenkomsten genoemde geldbedrag vanaf eind juli 2024 aan hen uitbetaald. Dat geldbedrag is voor alle klagers hoger bedrag dan het bedrag van hun laatstgenoten loon.

Dit bezwaar is gericht tegen de specificatie van die eerste uitkering (eind juli 2024) die verweerder klagers aansluitend aan hun ontslag heeft uitbetaald.

Wat moet het Gerecht beoordelen?

Bevoegdheid Gerecht

Het Gerecht moet allereerst beoordelen of hij bevoegd is om kennis te nemen van het bezwaar van klagers.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES (War 1951 BES ) is ambtenaar in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen degene die door het bevoegde gezag is aangesteld om in openbare dienst op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn.

Op grond van het vierde lid zijn in deze wet, tenzij het tegendeel blijkt, onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen.

Een bezwaarschrift kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de War 1951 BES worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

Het Gerecht acht zich bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen. Op grond van artikel 1, eerste en vierde lid, van de War 1951 BES zijn klagers ambtenaar. In die hoedanigheid hebben ze bezwaar gemaakt omdat ze het niet eens zijn met de hoogte van de uitkering die verweerder als hun ex-werkgever op grond van de individuele overeenkomsten aan hen heeft uitbetaald aansluitend aan hun ontslag. Daarom hebben ze bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten, waartegen op grond van vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken bezwaar bij het Gerecht open staat. De uitkering van klagers vloeit voort uit het door verweerder op grond van het publiekrecht vastgestelde seniorenbeleid dat gericht is op verjonging van het ambtenarenapparaat. De toepassing van het seniorenbeleid op klagers en de vastlegging van de rechtspositionele gevolgen daarvan voor hen heeft via individuele civielrechtelijke overeenkomsten met verweerder plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:732) worden afspraken in een overeenkomst over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband, als hier aan de orde, aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Daarom neemt het feit dat de individuele arbeidsovereenkomsten civielrechtelijk van aard zijn niet weg dat in de verhouding tussen klagers en verweerder de rechtspositie van klagers bepaald wordt door het ambtenarenrecht. Dit geschil moet daarom worden beoordeeld door de ambtenarenrechter. Doordat het Gerecht bevoegd is van het bezwaar van klagers kennis te nemen, komt hij toe aan inhoudelijke beoordeling daarvan.

Moet de uitkering verhoogd worden als gevolg van de loonsverhoging?

Het Gerecht moet beoordelen of verweerder terecht de in de individuele overeenkomsten genoemde bedragen heeft uitgekeerd aan klagers of een herberekening moest doen met inachtneming van de loonsverhoging van klagers.

Zoals hierboven al is overwogen, worden volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep afspraken in een overeenkomst over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband, als hier aan de orde, aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Volgens dezelfde jurisprudentie zijn partijen aan een dergelijke regeling gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van de overeenkomst komt het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het uitgangspunt is dus dat klagers en verweerder gebonden zijn aan de individuele overeenkomsten tenzij sprake is van wilsgebreken of bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder niet mocht nalaten om een hoger bedrag aan klagers uit te keren dan het in de individuele overeenkomsten overeengekomen bedrag.

Het Gerecht merkt allereerst op dat voor zover verweerder in het kader van zijn verweer een beroep doet op het Seniorenreglement dat beroep hem niet kan baten omdat klagers niet bekend waren met dat document. Ter zitting is gebleken dat klagers, behalve klager Felix die het uit hoofde van zijn voormalige functie wel kende, dit document pas in deze procedure als bijlage bij de contramemorie hebben ontvangen.

Klagers beroepen zich op de artikelen 1.4 en 3.5 van de overeenkomst en stellen dat hieruit voortvloeit dat de uitkering pas na de beëindigingsdatum vaststaat. Volgens klagers brengt dat met zich dat verweerder de loonsverhoging alsnog had moeten betrekken bij de berekening van de uitkering. Immers, deze loonsverhoging is ingegaan op 1 januari 2024 en dus vóór de beëindigingsdatum van 1 juli 2024.

Het verweer komt erop neer dat klagers op grond het doel en de strekking van het seniorenbeleid, zoals daarin is vastgelegd, en de individuele overeenkomsten, vooral de artikelen 3.1, 3.2, 3.5, 7.1, 7.3 en 7.4 van deze overeenkomsten, niet konden hebben gedwaald over het feit dat de overeengekomen uitkering een vast bedrag was dat onder geen enkele voorwaarde zou worden verhoogd gedurende de uitkeringsperiode.

Verweerder voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan. Het uitgangspunt van het seniorenbeleid was niet een welvaartsvaste uitkering. Verweerder heeft beoogd een overeengekomen vast nominaal “all-in” bedrag maandelijks aan de betrokken ambtenaren uit te keren. In het beleid is precies vermeld hoe de uitkering wordt berekend en op pagina 4, laatste volzin, van het Seniorenbeleid OLB is ook uitdrukkelijk vermeld dat de uitkering niet onderhevig is aan (jaarlijkse) indexeringen. Op pagina 5 is daarom ook expliciet vermeld dat het een “all-in regeling” is, dus alle financiële aanspraken van klagers zouden in de uitkering inbegrepen zijn. Op informatiebijeenkomsten is dat ook zo uitgelegd aan klagers. Aan hen is uitgelegd dat indien ze gebruiken maken van de Seniorenregeling de uitkering een vast bedrag wordt dat niet gewijzigd zal worden gedurende de hele uitkeringsperiode. De heer Wever, aanwezig ter zitting, is degene geweest die tijdens de informatiebijeenkomsten informatie aan belangstellenden heeft gegeven zodat hij desverzocht kan bevestigen dat hij dat heeft meegedeeld aan de aanwezigen. Dit is ook in de individuele overeenkomsten vastgelegd in de artikelen 3.1, 3.2, en 3.5.

Verder voert verweerder het volgende aan. Verweerder had een belangrijke reden om niet een welvaartsvaste uitkering maar een vast geldbedrag overeen te komen met klagers, namelijk de financiering van de Seniorenregeling. Voor verweerder was het belangrijk om inzicht te hebben in de precieze kosten daarvan om de financiering ervan mogelijk te maken. Vandaar de noodzaak om een, ongeacht toekomstige omstandigheden, vast bedrag overeen te komen met klagers. Zo is in het beleid vermeld: “Het valt hierbij te benadrukken dat de belangstellingsregistratie uiteindelijk cruciaal is voor de feitelijke reservering/begroting. Op basis van de belangstellingsregistratie kan bepaald worden hoeveel financiering er precies nodig is. (…) Na de belangstellingsregistratie is het budget bekend en kan er een voorziening in de begroting voor de komende jaren worden opgenomen.” (pag. 7, eerste tekstblok). Beoogd is alle aanspraken van klagers met betrekking tot de vervroegde uitdiensttreding in het seniorenbeleid en de individuele overeenkomsten vast te leggen met de bedoeling dat die zouden gelden met uitsluiting van alle andere aanspraken die ze als (gewezen) ambtenaren jegens verweerder hadden of in de toekomst zouden hebben. Dat dat werd beoogd blijkt ook uit de artikelen 3.1, 3.2, 3.5., 7.1, 7.3. en 7.4. van de overeenkomst. Bij het hele proces van uitvoering van de Seniorenregeling was de vakbond betrokken. Klagers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat ze bij het sluiten van de overeenkomst door toedoen van verweerder van een onjuiste voorstelling van zaken zijn uitgegaan ten aanzien van de uitkering on door verweerder onder druk zijn gezet om de individuele overeenkomsten te ondertekenen.

Zijn klagers terecht uitgegaan van incorporatie van de loonsverhoging?

Het Gerecht is van oordeel dat verweerder met het voorgaande klagers blote stelling dat verweerder tijdens de informatiebijeenkomsten heeft meegedeeld dat de uitkering aan indexering onderhevig is, voldoende heeft betwist. Al om deze reden slaagt het beroep van klagers op het vertrouwensbeginsel niet. Daar komt bij dat niet in geschil is dat de informatiebijeenkomsten aan het ondertekenen van de individuele overeenkomsten zijn voorafgegaan. Verweerder heeft met zijn verweer, zoals hierboven is weergegeven, voldoende toegelicht dat klagers uit het seniorenbeleid en ook de individuele overeenkomsten hadden moeten begrijpen dat ze met ondertekening van de overeenkomsten akkoord gingen met een uitkering die gedurende de hele uitkeringsperiode niet gewijzigd zou worden.

Zoals verweerder aanvoert is in het seniorenbeleid, zijnde het kader waarbinnen de individuele overeenkomsten tot stand zijn gekomen, expliciet vermeld dat de uitkering niet onderhevig is aan (jaarlijkse) indexeringen (pag. 4, laatste zin Seniorenbeleid OLB). In artikel 3.1 van de individuele overeenkomsten is het specifieke nominale bedrag van de uitkering genoemd. In artikel 3.2 van de overeenkomst staat dat de uitkering niet zal worden verhoogd door eventuele toekomstige wijzigingen ter zake de wettelijke AOV-uitkering, het minimumloon of het consumentenprijsindexcijfer op Bonaire. In artikel 3.5. staat dat klagers na de beëindigingsdatum geen andere loon- of beëindigingsvergoeding(en) of andere (geldelijke) aanspraken meer te vorderen zal hebben jegens verweerder dan hetgeen in de individuele overeenkomsten is opgenomen. Hiermee geven klagers eventuele toekomstige financiële aanspraken prijs in ruil voor de in de individuele overeenkomsten vastgelegde financiële aanspraken. Ook uit de artikel 7.3 en 7.4 volgt dat klagers op grond van de individuele overeenkomsten afstand doen van alle andere niet daarin genoemde huidige en toekomstige (financiële) aanspraken jegens verweerder in verband met de beëindiging van het dienstverband en daarvoor finale kwijting verleent.

Klagers wijzen op de volgende zin in artikel 1.4 van de individuele overeenkomsten: “Vanaf de Beëindigingsdatum eindigt de deelname van Betrokkene aan de pensioenregeling en andere, niet onder deze Overeenkomst vallende, (collectieve) regelingen bij het OLB.” Klagers stellen dat ze op grond hiervan mochten begrijpen dat een loonsverhoging voor de beëindigingsdatum wel tot verhoging van de uitkering zou leiden.

Deze stelling treft geen doel. Niet in geschil is dat het seniorenbeleid en de daarop gegronde individuele overeenkomsten ertoe strekken afspraken tussen partijen vast te leggen voor de periode vanaf de in die overeenkomsten genoemde beëindigingsdata tot het einde van de uitkeringsperiode en dus niet vanaf de datum van ondertekening van de individuele overeenkomsten. Tegen deze achtergrond dient artikel 1.4 zo te worden gelezen dat het ertoe strekt vast te leggen dat de ondertekening van de overeenkomsten de rechtspositie van klagers niet wijzigt in de periode voorafgaand aan de beëindigingsdatum. Daarom konden klagers ook in aanmerking komen voor de loonsverhoging ingaande 1 januari 2024. De interpretatie van klagers is niet te rijmen met het doel en de strekking van het seniorenbeleid dat het kader vormt voor de individuele overeenkomsten. Daarmee strookt niet dat eventuele loonsverhogingen voor de beëindigingsdatum tot een herberekening van het overeengekomen uitkeringsbedrag zou leiden. In het verlengde van het voorgaande kan artikel 3.5. van de individuele overeenkomsten bezwaarlijk anders worden gelezen dan als de vastlegging van de afspraak dat klagers afstand doen van alle eventuele toekomstige rechtspositionele aanspraken jegens verweerder die zouden ontstaan na de overeengekomen beëindigingsdatum. Nogmaals, de individuele overeenkomsten strekken er niet toe de rechtspositie van klagers na de datum van ondertekening van de overeenkomsten te regelen/te wijzigen maar om (financiële) afspraken te maken die pas na de beëindigingsdatum gaan gelden. In lijn met het seniorenbeleid volgt hieruit dat het niet de bedoeling was dat wijzigingen die zich voordoen na de datum van ondertekening van de individuele overeenkomsten maar vóór de beëindigingsdatum tot een verhoging van het overeengekomen bedrag aan uitkering leiden.

Bij al het voorgaande houdt het Gerecht rekening met het feit dat de vakbond van klagers betrokken was bij het hele proces dat aan het sluiten van de individuele overeenkomsten is voorafgegaan zodat klagers zich goed hebben kunnen laten adviseren voordat ze de individuele overeenkomsten hebben ondertekend. Van een geslaagd beroep op dwaling kan dan ook geen sprake zijn. Ook houdt het Gerecht rekening met het feit dat het seniorenbeleid uitging van vrijwillige vervroegde uitdiensttreding. Klagers werden niet daartoe verplicht. Overigens legde dat beleid klagers niet de verplichting op om geen andere baan aan te nemen voorafgaand aan hun pensioendatum. Het staat hen dus vrij om ergens anders te gaan werken en dus inkomen te verdienen naast hun uitkering.

Het beroep van klagers op het gelijkheidsbeginsel faalt al omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Anders dan klagers, hebben de twee eerdere groepen namelijk geen loonsverhoging gekregen in het jaar waarin ze uit dienst zijn getreden. Al om die reden faalt ook de stelling van klagers dat ze zijn benadeeld ten opzichte van de twee eerdere groepen. Die ambtenaren hebben niet eens een loonsverhoging gehad, laat staan een verhoging van hun uitkering als gevolg daarvan.

Ook klagers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Klagers zijn zelf vrijwillig akkoord gegaan met de toepassing van de seniorenbeleid op hen en hebben zelf de individuele overeenkomsten ondertekend. Al gelet hierop hebben klagers onvoldoende toegelicht waarom verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en hen financieel heeft benadeeld door hen als uitkering het in de individuele arbeidsovereenkomsten vastgelegde bedrag uit te betalen. Overigens zijn de uitkeringen van klagers hoger dan het bedrag van hun laatstgenoten loon zodat in ieder geval geen sprake is van financiële achteruitgang.

Nu de stellingen van klagers geen doel treffen, zal hun bezwaar tegen de bestreden besluiten ongegrond worden verklaard. De bestreden besluiten, de specificaties van hun maandelijkse uitkering, kunnen in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

Anders dan klagers stellen, volgt uit het seniorenbeleid en de individuele overeenkomsten niet dat hun loonsverhoging per 1 januari 2024 had moeten leiden tot een hoger bedrag aan uitkering dan het bedrag genoemd in de individuele overeenkomsten. Doordat de stellingen van klagers geen doel treffen, is het bezwaar ongegrond. De bestreden besluiten kunnen in stand blijven. Verweerder zal het in de individuele overeenkomsten vastgelegde bedrag aan uitkering kunnen doorbetalen tot het einde van de overeengekomen uitkeringsperiode zonder de loonsverhoging van klagers daarin te incorporeren.

5. Voor een proceskostenvergoeding aan klagers bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

– verklaart het bezwaar van alle klagers ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;

in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.