ECLI:NL:OGHACMB:2024:329 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 01-10-2024 / AUA2022H00270
Aruba.verzekeringspolis. uitlsuitingsclausule. verzoek OM overlegging pv. Bewijsopdracht
15 min de lecture · 3,272 mots
Inhoudsindicatie. Aruba.verzekeringspolis. uitlsuitingsclausule. verzoek OM overlegging pv. Bewijsopdracht
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: AUA202002184 – AUA2022H00270
Uitspraak: 1 oktober 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
In de zaak van:
de naamloze vennootschap BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.,
gevestigd in Aruba,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. V.A.V. Carlo.
De partijen worden hierna Boogaard respectievelijk [geïntimeerde] genoemd.
De zaak in het kort
Boogaard heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] aan derden uitkeringen gedaan. Zij vordert de hiermee gemoeide bedragen terug van [geïntimeerde] op de grond dat de aansprakelijkheid op grond van een uitsluitingsclausule niet gedekt zou zijn. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen. Het Hof beoordeelt in dit tussenvonnis de zaak opnieuw en komt tot een bewijsopdracht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 27 december 2022 is Boogaard in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 16 november 2022, aangevuld bij vonnis van 30 november 2022, van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, hierna: het Gerecht.
1.2 Bij memorie van grieven, ingekomen ter griffie op 19 januari 2023, heeft Boogaard elf grieven gericht tegen het bestreden vonnis en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van Boogaard zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad en met het verzoek om bij afwijzing van de vordering van Boogaard de proceskosten van [geïntimeerde] niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.3 [Geïntimeerde] heeft op 21 april 2023 een memorie van antwoord ingediend waarbij zij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Boogaard in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
1.4 Op 31 oktober 2023 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
2. De feiten
2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
2.2 [Geïntimeerde] is eigenares van de auto met merk [merk], model [model] met kentekennummer [kentekennummer 1] (hierna: de auto). [Geïntimeerde] heeft voor de auto een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid gesloten bij Netherlands Antilles & Aruba Assurance Company (NA&A). Boogaard treedt op als gevolmachtigde van NA&A.
2.3 Op 5 juli 2015 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Caminda di Kibaima pa Sasaki te Aruba. Hierbij waren betrokken de auto, bestuurd door [zoon van geïntimeerde] (zoon van [geïntimeerde]), een motorfiets met kenteken [kentekennummer 2], eigendom van en bestuurd door [betrokkene 1] en een auto met kenteken [kentekennummer 3], eigendom van Speed Car Rental en bestuurd door [betrokkene 2].
2.4 Het ongeval is veroorzaakt doordat [zoon van geïntimeerde] met de auto tegen voormelde motorfiets is aangereden, die vervolgens tegen de door [betrokkene 2] bestuurde auto is aangereden.
2.5 In het door het Korps Politie Aruba (KPA) van het ongeval opgemaakte mutatierapport, mutatienummer 350424 staat bij de gegevens van [zoon van geïntimeerde] onder meer vermeld:
“Alcoholgebruik: Ja”
2.6 Het bureau Forensys heeft ten behoeve van onder meer NA&A een rapport opgemaakt van het verkeersongeval. In dat rapport staat voor zover relevant:
“(…)
Chauffeur di e vehiculo cu number [kentekennummer 2] a ser leshona y transporta pa hospital cu ambulans.
Chauffeur di e vehiculo cu number [kentekennummer 1] a ser deteni como sospechoso di ta abow di influencia di alcohol.
Informacion di e chauffeur di e vehiculo [kentekennummer 1] a ser duna pa polis.
Agente Policial [politieagent 1], [politieagent 2] y [politieagent 3] tawata na e sitio di accidente.”
Vrij vertaald door het Hof:
De chauffeur van het voertuig met nummer [kentekennummer 2] is gewond geraakt en met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.
De chauffeur van het voertuig met nummer [kentekennummer 1]is aangehouden omdat hij ervan verdacht werd onder invloed te zijn van alcohol.
Informatie over de chauffeur van het voertuig met nummer [kentekennummer 1] is aan de politie verstrekt.
Politieagenten [politieagent 1], [politieagent 2] en [politieagent 3] waren aanwezig op de plaats van het verkeersongeval.
2.7 Artikel 8 van de Algemene Verzekeringsvoorwaarden Motorrijtuigenverzekering Aruba (AVM) van Citizens Insurance, die ingevolge het polisblad van toepassing zijn, bepaalt onder meer als volgt:
8Verplichting na een schadegeval
Zodra een verzekerde kennis draagt van een gebeurtenis die voor de maatschappij tot een verplichting tot een uitkering of tot het verrichten van een dienst kan leiden, is hij verplicht:
c Zo spoedig mogelijk, maar binnen 3×24 uur, die gebeurtenis te melden aan de maatschappij.
(…)
a De verzekering geeft geen dekking indien de verzekerde een van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad.
Artikel 4 van de Bijzondere Verzekeringsvoorwaarden Motorrijtuigenverzekering Aruba (BVM) van NA&A bepaalt onder meer als volgt:
4Uitsluitingen
In aansluiting op het terzake bepaalde in de Algemene Voorwaarden is tevens van de verzekering uitgesloten:
(…)
schade veroorzaakt door opzet, grove schuld of met goedvinden van een verzekerde.
(…)
S
chade waarvan aannemelijk is dat verzekerde en/of bestuurder en tijde van de schade in zodanige mate ongeschikt was tot het besturen van motorrijtuigen, dat hem zulks door wet of overheid is verboden.
(…)
Schade waarbij de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de schadegebeurtenis onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde,
dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen.
(…)
NA&A heeft op grond van de Landsverordening Aansprakelijkheid Motorvoertuigen (LAM) in totaal een bedrag van Afl. 37.772,77 aan schadevergoeding uitgekeerd, waarvan Afl. 21.500,- en Afl. 3.026,70 ter zake van schade aan de motorfiets en het horloge van [betrokkene 1], Afl. 2.092,07 aan Speed Car Rental ter zake van schade aan de huurauto en Afl. 11.154,- aan AZV ter zake medische kosten. Naast de schade-uitkeringen heeft NA&A Afl. 150,- aan expertisekosten betaald.
Bij brieven van 22 september 2016, 6 oktober 2016 en 20 december 2016 heeft Boogaard [geïntimeerde] verzocht om op kantoor langs te komen voor het treffen van een betalingsregeling ten aanzien van de in verband met het ongeval uitgekeerde schadevergoeding.
Bij brief van 31 juli 2017 heeft de gemachtigde van Boogaard [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van het bedrag van Afl. 39.797,77, haar recht op nakoming voorbehouden en een eventuele verjaringstermijn gestuit. [Geïntimeerde] heeft op de brieven niet gereageerd.
De gemachtigde van Boogaard heeft het Openbaar Ministerie onder meer bij brief van 2 maart 2020 verzocht hem in het bezit te stellen van het door KPA opgemaakte mutatierapport met betrekking tot het verkeersongeval en de bij [zoon van geïntimeerde] afgenomen blaastest.
De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij brief van 27 november 2020 het Openbaar Ministerie verzocht hem te doen toekomen het proces-verbaal ademanalyse van het verkeersongeval.
Het Openbaar Ministerie heeft op deze brieven niet gereageerd.
3. De beoordeling
Vorderingen
In deze rechtszaak heeft Boogaard in eerste aanleg, verkort weergegeven, gevorderd:
betaling van een bedrag van Afl. 37.922,77;
betaling van een bedrag van Afl. 1.875,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
de wettelijke rente vanaf 22 september 2016;
veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
Beslissingen van het Gerecht
Het Gerecht heeft de vorderingen van Boogaard afgewezen en Boogaard veroordeeld in de proceskosten.
Hiertoe heeft het Gerecht, verkort weergegeven, onder meer als volgt overwogen. Ter bepaling of een bestuurder niet in staat moet worden geacht een motorrijtuig te besturen moet aansluiting worden gezocht bij art. 5 lid 2 van de Landsverordening wegverkeer (rov. 4.3.1). De vermelding in het mutatierapport van KPA dat [zoon van geïntimeerde] alcohol had gebruikt rechtvaardigt niet de conclusie dat hij onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet in staat was de auto te besturen (rov. 4.3.2). Hierbij speelt mee dat bij [zoon van geïntimeerde] drie maal een ademtest is afgenomen die telkens negatief was (rov. 4.3.2). Het Gerecht ziet geen aanleiding het Openbaar Ministerie te verzoeken om schriftelijke inlichtingen te verstrekken (rov. 4.3.2). Evenmin is komen vast te staan dat [zoon van geïntimeerde] anderszins in zodanige mate ongeschikt was tot het besturen van een auto dat hem dit door de wet of overheid verboden was. Aan Boogaard komt geen beroep toe op de uitsluitingsclausule (rov. 4.3.2). Boogaard heeft niet toegelicht waarom zij in haar belangen is geschaad doordat Tromp niet heeft voldaan aan art. 8 van de AVM (rov. 4.4).
Beoordeling in hoger beroep
De vordering van Boogaard tegen [geïntimeerde] is gegrond op art. 10 lid 2 LAM. Op grond van dat artikel heeft de verzekeraar die ingevolge de LAM de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval is te wijten aan een verkeersfout van [zoon van geïntimeerde] en dat hij als aansprakelijke persoon moet worden aangemerkt. Op grond van art. 19 lid 2 van de Landsverordening wegverkeer is [geïntimeerde] als eigenaar van de auto aansprakelijk voor de gedragingen van [zoon van geïntimeerde], nu niet in geschil is dat zij [zoon van geïntimeerde] met de auto heeft laten rijden.
Of Boogaard verhaal heeft op [geïntimeerde] hangt er dus vanaf of de aansprakelijkheid door de verzekering is gedekt als bedoeld in art. 10 lid 2 LAM. Boogaard stelt in hoger beroep primair onder verwijzing naar art. 4.9 en 4.12 van de BVM dat de aansprakelijkheid niet is gedekt omdat [zoon van geïntimeerde] tijdens het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Subsidiair stelt Boogaard dat het ongeval het gevolg is van een opzettelijke gedraging dan wel grove schuld als bedoeld in art. 4.3 van de BVM. Daarnaast stelt Boogaard dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de meldingsplicht van art. 8 van de AVM zodat de verzekering ook om die reden geen dekking biedt.
Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de artt. 4.9, 4.12 en 4.8 BVM vernietigbaar zijn en dat over die bepalingen geen wilsovereenstemming is bereikt. Het Gerecht heeft deze verweren verworpen. Het Hof verenigt zich met de desbetreffende overwegingen van het Gerecht en maakt die tot de zijne. [Geïntimeerde] heeft een dergelijk verweer niet gevoerd ten aanzien van art. 4.3 BVM. Het Hof gaat er dus vanuit dat de uitsluitingsclausules tussen partijen gelden.
Het Hof zal eerst ingaan op de gestelde schending van de in art. 8.1 sub a AVM opgenomen meldingsplicht van de verzekerde. Boogaard stelt dat [geïntimeerde] heeft verzuimd om binnen 3 x 24 uur het ongeval bij haar te melden. Daardoor zijn de belangen van Boogaard geschaad. Tegen de verwerping door het Gerecht van deze stelling komt Boogaard op. Zij voert ter toelichting aan dat zij door het achterwege laten van de melding niet de gelegenheid heeft gehad om een eigen onderzoek naar het ongeval te verrichten en in dat verband [zoon van geïntimeerde] te horen.
Niet in geschil is dat [geïntimeerde] heeft verzuimd bij Boogaard melding te doen van het ongeval. Boogaard heeft echter ook in hoger beroep nagelaten voldoende te onderbouwen op welke wijze het achterwege laten van die meldingsplicht tot gevolg heeft gehad dat zij in haar belangen is geschaad. Het had op de weg van Boogaard gelegen om precies aan te geven wanneer zij dan wel op de hoogte is geraakt van het ongeval, of zij vervolgens heeft getracht een eigen onderzoek te verrichten en/of [zoon van geïntimeerde] te horen, wat zij daartoe heeft ondernomen en hoe het achterwege laten van de melding haar heeft geschaad. Nu Boogaard dat heeft nagelaten is ook in hoger beroep de conclusie dat Boogaard niet voldoende heeft onderbouwd dat zij in haar belangen is geschaad als bedoeld in art. 8 lid 1 sub a AVM.
Het Hof zal vervolgens ingaan op de uitleg van art. 4.12 BVM. Die uitleg gebeurt aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt het artikel hieronder opnieuw weergegeven.
4 Uitsluitingen
In aansluiting op het terzake bepaalde in de Algemene Voorwaarden is tevens van de verzekering uitgesloten:
(…)
Schade waarvan aannemelijk is dat verzekerde en/of bestuurder en tijde van de schade in zodanige mate ongeschikt was tot het besturen van motorrijtuigen, dat hem zulks door wet of overheid is verboden.
(…)
Schade waarbij de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de schadegebeurtenis onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde,
dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen.
(…)
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de woorden onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen.
Het Gerecht heeft aansluiting gezocht bij de wettelijke norm van art. 5 lid 2 onder a van de Landsverordening wegverkeer. Daarin wordt het de bestuurder verboden om een voertuig te besturen indien zijn adem meer dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bevat, of het alcoholgehalte in zijn bloed hoger is dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed. Boogaard pleit voor een uitleg waarbij niet alleen bij deze wettelijke norm aansluiting wordt gezocht maar ook bij het te objectiveren rijgedrag. Hieruit kan aldus Boogaard op zijn minst een bewijsvermoeden worden afgeleid. [Geïntimeerde] is van mening dat de wettelijke norm bepalend is.
Bij gebrek aan een aanwijzing voor een andere maatstaf zoekt ook het Hof voor de uitleg van voormelde zinssnede in beginsel aansluiting bij de wettelijke norm van art. 5 lid 2 sub a Landsverordening wegverkeer. Aannemelijk wordt geacht dat bedoeld is dat sprake is van [dat de bestuurder] onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen, indien sprake is van de in dat artikel bedoelde hoeveelheid alcohol in adem en/of bloed. Hierbij speelt mee dat art. 4.9 BVM onder meer verwijst naar wat de wet heeft verboden. Mocht er geen blaas- of bloedtest voorhanden zijn waaruit een overschrijding van de wettelijke hoeveelheden kan worden afgeleid, dan verzet niets zich ertegen, en ook [geïntimeerde] heeft dat niet betwist, om in dat geval na te gaan of er andere objectief waarneembare kenmerken zijn, zoals waarnemingen door de politie en/of rijgedrag op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel als hiervoor bedoeld.
Vervolgens is aan de orde de vraag of tegen de achtergrond van deze uitleg, bij [zoon van geïntimeerde] ten tijde van het ongeval sprake was van alcoholgebruik als bedoeld in art. 4.12 BVM. Nu Boogaard haar vordering baseert op het standpunt dat zij verhaal kan nemen op [geïntimeerde] omdat de schade niet door de polis is gedekt, rust de stelplicht- en bewijslast hiervan hiervan ingevolge de hoofdregel van art. 129 Rv op Boogaard. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit zijn gesteld noch gebleken.
Anders dan Boogaard meent volgt uit het door Boogaard overgelegde mutatierapport en het rapport van Forensys niet het voorshands bewijs dat [zoon van geïntimeerde] ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht de auto naar behoren te besturen. Het mutatierapport van KPA vermeldt niet meer dan dat er sprake was van alcoholgebruik. Het rapport van Forensys vermeldt dat [geïntimeerde] is aangehouden omdat hij ervan werd verdacht onder invloed te zijn van alcohol. Geen van beide rapporten noemen uiterlijke kenmerken die door de politie of getuigen zijn waargenomen, zoals bij voorbeeld een alcoholgeur, bloeddoorlopen ogen of een onstabiele houding. Het tijdstip waarop het ongeval plaatsvond is, anders dan Boogaard meent, niet zonder meer doorslaggevend. Hetzelfde geldt voor de bewoordingen in het mutatie rapport: “Hierna week de veroorzaker hinderlijk weer naar rechts naar zijn bestemde rijstrook en botste vervolgens tegen de betrokkene”.
Geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] ten tijde van de aanrijding onder invloed was van alcohol en dat hij daarom niet in staat moest worden geacht de auto te besturen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting rust op Boogaard het bewijs van haar stelling. Conform haar bewijsaanbod zal Boogaard worden toegelaten tot bewijslevering als na te melden. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat Boogaard zich kan uitlaten over hoe zij bewijs wenst te leveren.
Geïntimeerde] heeft zich niet verzet tegen het verzoek van Boogaard om het Openbaar Ministerie op grond van art. 40 Rv te verzoeken het proces-verbaal van het ongeval, inclusief het resultaat van een eventueel afgenomen blaastest, in het geding te brengen. Nu het voor de waarheidsvinding van belang is te beschikken over dat proces-verbaal zal het Hof het Openbaar Ministerie conform genoemd artikel verzoeken dat in de procedure in te brengen. Voor zover het verzoek van Boogaard is gebaseerd op art. 142 lid 1 Rv wordt het verworpen, nu dat artikel een bevel inhoudt aan een ander dan partijen en een dergelijk bevel zich niet verhoudt met art. 40 Rv.
Het Hof zal, gelet op het voorgaande het Openbaar Ministerie verzoeken om het proces-verbaal van het ongeval d.d. 5 juli 2015 omstreeks 4.00 uur a.m. te Aruba op de weg van Kibaima naar Tanki Flip ter hoogte van Café Capri (mutatierapport 350424) in het geding te brengen, inclusief een eventueel aanhoudingsproces-verbaal en de resultaten van de eventueel na het ongeval bij [zoon van geïntimeerde] afgenomen blaastest.
De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol voor akte zijdens het Openbaar Ministerie. Partijen mogen zich over de akte van het Openbaar Ministerie uitlaten.
De beslissing omtrent de vraag of sprake is van schade veroorzaakt door opzet, grove schuld of met goedvinden van een verzekerde zal worden aangehouden tot na bewijslevering.
Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verlof gekregen om kosteloos te mogen procederen. Nu zij in eerste aanleg in het gelijk is gesteld behoeft zij op grond van art. 880 lid 2 Rv geen nadere toelating om in hoger beroep kosteloos te kunnen procederen.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
verzoekt het Openbaar Ministerie de stukken als bedoeld in rechtsoverweging 3.16 bij akte in het geding te brengen;
laat Boogaard toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat Angelo Tromp ten tijde van het ongeval van 5 juli 2015 ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht de auto naar behoren te besturen;
verwijst de zaak naar de rol van 19 november 2024 voor:
akte overlegging stukken door het Openbaar Ministerie en voor
akte uitlating bewijslevering zijdens Boogaard;
verzoekt de griffier om dit vonnis te sturen naar het Openbaar Ministerie te Aruba;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 1 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...