ECLI:NL:RBAMS:2020:5809 Rechtbank Amsterdam , 28-10-2020 / 13/182808-20
Oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel voor diefstal.
13 min de lecture · 2,773 mots
Inhoudsindicatie. Oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel voor diefstal.
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/182808-20 (Promis)
Datum uitspraak: 28 oktober 2020
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte]
,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.P. Holthuis en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.C. Fransen naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 13 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (Tristar) biertap, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelketen Albert Heijn ( [filiaal] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen. Gezien het standpunt van de officier van justitie en de raadsman en de bekennende verklaring van verdachte, behoeft dit oordeel geen verdere motivering.
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de als bijlage aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 13 juli 2020 te Amsterdam een (Tristar) biertap, die aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelketen Albert Heijn ( [filiaal] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
4De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
5De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, voorwaardelijk
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel), zoals geadviseerd door de reclassering, wordt opgelegd. Volgens de officier van justitie is het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nodig om de maatschappij te beschermen en het recidivegevaar te beperken. Het is daarbij van belang dat de juiste kliniek voor verdachte wordt gevonden, waarin naast het behandelen van zijn verslaving ook met hem over zijn andere problematiek kan worden gesproken. De officier van justitie heeft gevraagd om na drie maanden een tussentijdse toets uit te voeren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat in het verleden meerdere keren een ISD-maatregel aan verdachte is opgelegd. Bij de derde ISD-maatregel was verdachte gemotiveerd om naar een kliniek te gaan en heeft hij overal aan meegewerkt. Die ISD-maatregel is na acht maanden door de rechtbank opgeheven, omdat er nog niets gebeurd was. In februari 2020 is verdachte door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. In het kader van die straf is hij in de [instelling] geplaatst voor behandeling, waar hij na korte tijd weg is gegaan. Dat had ermee te maken dat hij groepstherapie had met mensen die met heel andere problematiek kampten dan hijzelf en hij dacht dat hij gedurende de gehele proeftijd van drie jaar in de [instelling] zou moeten blijven. Op 29 juli 2020 zijn er verschillende vorderingen tenuitvoerlegging toegewezen. Indien een ISD-maatregel aan de orde is, is de gewoonte dat de vorderingen tenuitvoerlegging worden afgewezen. De beslissing over de vorderingen tenuitvoerlegging is al genomen. Indien die vorderingen waren meegenomen naar deze zitting, had verdachte korter vast gezeten in het geval daarnaast ISD wordt opgelegd. In het kader van die toegewezen vorderingen tenuitvoerlegging zit verdachte tot volgend jaar april vast. Primair heeft de raadsman verzocht aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden opname in een kliniek voor maximaal één jaar en begeleid wonen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met daaraan gekoppeld diezelfde bijzondere voorwaarden. Het voordeel van beide mogelijkheden is dat reeds in de periode dat verdachte gedetineerd zit, aan de slag kan worden gegaan met het vinden van de juiste kliniek. Indien aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, is dat pas mogelijk na april, wanneer hij zijn gevangenisstraffen heeft uitgezeten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk en veel voorkomend feit dat schade en overlast bij de gedupeerde bedrijven veroorzaakt. Verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2020, waaruit volgt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Aan verdachte is al meermalen een ISD-maatregel opgelegd. Dat heeft kennelijk niet geresulteerd in het voorkomen van recidive.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 28 september 2020, opgemaakt door mevrouw S. van Niekerken. Uit het rapport blijkt – voor zover hier van belang – het volgende:
“De heer [verdachte] is een 37-jarige man die wordt verdacht van winkeldiefstal. Hij staat bekend als veelpleger en heeft in het verleden driemaal de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Momenteel voldoet hij opnieuw aan de harde ISD-criteria.
Betrokkene is jarenlang bekend met alcohol- en cocaïnegebruik en hieruit voortkomende praktische problemen. De heer [verdachte] is veelvuldig behandeld voor zijn verslavingsproblematiek, zowel ambulant als klinisch. Hij heeft meerdere periodes gekend waarin hij abstinent was. Hij is echter telkens teruggevallen in gebruik, kreeg vervolgens financiële problemen en begon dan weer met het plegen van vermogensdelicten om zijn gebruik te bekostigen. De heer [verdachte] heeft in het verleden meerdere behandelingen afgebroken. Zodra hij zich goed voelt, overschat hij zichzelf en breekt hij de behandeling af. De reclassering is van mening dat een intensieve klinische verslavingsbehandeling in een forensische kliniek noodzakelijk is voor betrokkene om ook op lange termijn abstinent te kunnen blijven. In februari 2020 is geprobeerd om een dergelijke behandeling op te starten in het kader van een voorwaardelijke veroordeling. Betrokkene verliet echter na twee dagen de kliniek en keerde terug naar [geboorteplaats] . De reclassering acht om die reden het dwangkader van de ISD-maatregel, dat eveneens een vangnet biedt als de behandeling stagneert, geïndiceerd.
Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren. Gedurende de intramurale fase is het wenselijk om onderzoek te doen naar de cognitieve vermogens, handelingsbekwaamheid en eventuele bijkomende diagnostiek om met die gegevens een passende kliniek te vinden voor de extramurale fase en aansluitend passende woonzorg. Aangezien de heer [verdachte] slechts relatief kort geleden nog de intramurale fase van de ISD heeft doorlopen, is deze informatie vermoedelijk al voorhanden en kan de intramurale fase verkort worden doorlopen. Hij zal in dat geval kort na de start van de intramurale fase kunnen worden aangemeld voor een kliniek. Voor wat betreft de extramurale fase adviseert de reclassering om te starten met een klinische behandeling, met aansluitend begeleid wonen. Naast het hierboven beschreven doel van de ISD-maatregel van het opstarten van behandeling, zorg en begeleiding, dient de ISD-maatregel eveneens voor het beschermen van de maatschappij tegen het delictgedrag van betrokkene. Bij onttrekking aan behandeling, zal de heer [verdachte] worden teruggeplaatst op de ISD-afdeling van [detentieplaats] en zal hij niet, zoals bij een reguliere reclasseringstoezicht, onbehandeld terugkeren in de maatschappij. Na een time-out in de PI zal de zorg opnieuw worden opgestart indien dat mogelijk is. Gezien de behandelgeschiedenis van betrokkene acht de reclassering een stevig vangnet wenselijk.”
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij graag behandeld wil worden. Hij hoopt dat hij een tweede kans krijgt om naar de in zijn ogen juiste kliniek te gaan.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 14 oktober 2020 mevrouw C. Vrugteveen, werkzaam bij Reclassering Inforsa, die waarnam voor mevrouw S. van Niekerken, als deskundige gehoord. De deskundige heeft verklaard dat bekeken is of verdachte in de periode dat hij zijn gevangenisstraffen uitzit kan worden aangemeld voor een klinische opname indien een ISD-maatregel wordt opgelegd. Dat blijkt niet het geval te zijn. Verdachte voldoet volgens de reclassering aan de zachte criteria voor een ISD-maatregel. De reclassering ziet bij verdachte stevige (verslavings)problematiek en meent dat een behandeling nodig is. De deskundige heeft aangegeven dat de reclassering een voorkeur kan geven met betrekking tot de plek waar verdachte zal worden geplaatst, maar dat werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) dit uiteindelijk bepaalt. Er zou volgens de deskundige nog informatie over verdachte moeten zijn die in het kader van de eerdere ISD-maatregel is vergaard, hetgeen tijdwinst kan opleveren voor een spoedige behandeling binnen de maatregel. De deskundige denkt dat een dubbele diagnose kliniek voor verdachte het meest geschikt is. De deskundige heeft verklaard dat de meerwaarde van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel ten opzichte van een voorwaardelijke ISD-maatregel klein is. Van belang is dat er een waarborg is dat verdachte bij overtreding van de voorwaarden kan worden teruggeplaatst. Dat verdachte tot april 2021 een aantal gevangenisstraffen uitzit, maakt het advies van de deskundige niet anders.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde periode meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het voornoemde uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Aldus is aan de formele eisen voor het opleggen van een ISD-maatregel voldaan.
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel in dit geval niet het meest passend. Een voorwaardelijke ISD-maatregel is dat naar het oordeel van de rechtbank wel. Reden daarvoor is dat verdachte op dit moment, tot april 2021, verschillende gevangenisstraffen uitzit, die volgens de officier van justitie eerst uitgezeten zullen worden voordat een straf of maatregel die de rechtbank in het kader van onderhavige zaak oplegt zal worden tenuitvoergelegd. Op grond van de bevindingen van de reclassering en het beeld dat de rechtbank van verdachte heeft gekregen, constateert de rechtbank dat verdachte kampt met zowel een hardnekkige alcohol- en drugsverslaving als persoonlijke problematiek. De rechtbank acht het dan ook van belang dat wordt gewerkt aan de problematiek van verdachte en dat zo snel mogelijk een geschikte kliniek voor hem wordt gevonden. Gelet op het voorgaande zal als aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, dit traject pas in april 2021 worden opgestart na het uitzitten van zijn gevangenisstraffen. Om die reden vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nu niet opportuun. Daarbij speelt ook een rol dat het gebruikelijk is dat vorderingen tenuitvoerlegging doorgaans worden afgewezen indien die gelijktijdig worden gevorderd met oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, juist om zo snel mogelijk met de tenuitvoerlegging van de maatregel te beginnen. Verder is van belang dat de reclassering ter zitting heeft verklaard dat indien aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, hij al eerder bij een kliniek kan worden aangemeld.
De rechtbank hoopt dat verdachte met hulp van de reclassering, een meldplicht, een klinische behandeling en begeleid wonen gemotiveerd aan de slag gaat om zijn criminele verleden achter zich te laten en dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet nodig zal zijn. Wel acht de rechtbank een strak kader nodig. Indien verdachte zijn voorwaarden toch zal overtreden, is tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nodig om de maatschappij tegen verdachte te beschermen, het risico op recidive te beperken en verdachte de hulp te bieden die hij nodig heeft.
Om die reden zal de rechtbank verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, waarbij de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering zal worden gebracht op de duur van de maatregel. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd van twee jaren en zal als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een klinische behandeling voor maximaal één jaar en begeleid wonen opleggen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
8Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
3 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die maatregel niet in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
Stelt als algemene voorwaarden:
– Veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;
– Veroordeelde zal bij de naleving van de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
– Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen bij GGZ Reclassering Inforsa tussen 09:00 en 12:00 uur op het volgende adres: [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
– Opname in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich opnemen in een nader te bepalen zorginstelling. De opname duurt maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
– Beschermd wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde daarbij te begeleiden.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Dolfing, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en R.P.F. de Groot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2020.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...