ECLI:NL:RBAMS:2026:3615 Rechtbank Amsterdam , 10-04-2026 / 11865327
Leaseovereenkomst auto. Doel overeenkomst (zakelijk of consument). Gelet op de verklaring van gedaagde partij dat een belangrijke reden voor de keuze van de auto werd ingegeven door de hoge instap van deze auto, en deze hoge instap nodig was om klanten te vervoeren die slecht ter been zijn, in samenhang met de overige omstandigheden, wordt de leaseovereenkomst als een zakelijke overeenkomst beo...
11 min de lecture · 2,372 mots
Inhoudsindicatie. Leaseovereenkomst auto. Doel overeenkomst (zakelijk of consument). Gelet op de verklaring van gedaagde partij dat een belangrijke reden voor de keuze van de auto werd ingegeven door de hoge instap van deze auto, en deze hoge instap nodig was om klanten te vervoeren die slecht ter been zijn, in samenhang met de overige omstandigheden, wordt de leaseovereenkomst als een zakelijke overeenkomst beoordeeld. Gevolg is dat gedaagde partij geen consumentenbescherming toekomt.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11865327 CV EXPL 25-12158
vonnis van: 10 april 2026
fno.: 515
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HILTERMANN LEASE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eiseres,
nader te noemen: Hiltermann Lease,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
t e g e n
[gedaagde], (handelend onder de naam [bedrijf])
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
nader te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 11 november 2025 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft Hiltermann Lease een akte genomen.
Daarop heeft [gedaagde] gereageerd.
Vervolgens is bij vonnis van 2 januari 2026 een mondelinge behandeling bepaald.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Voor Hiltermann Lease is [naam] verschenen, vergezeld door mr. S.J. Houweling namens de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen. Voor de mondelinge behandeling zijn namens Hiltermann Lease nog stukken ingezonden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Bij vonnis van 11 november 2025 is overwogen dat er een leaseovereenkomst tussen partijen is gesloten met betrekking tot de Volkswagen T-Roc en dat [gedaagde] deze auto zowel kan hebben geleased voor privédoeleinden als voor haar eenmanszaak. Hiltermann Lease is in de gelegenheid gesteld bij akte nader te onderbouwen, aan de hand van alle omstandigheden van het geval, met welk doel de overeenkomst is aangegaan. Daarbij is overwogen dat gelet op de aard van het lease-object in combinatie met de activiteiten van de eenmanszaak (het verzorgen van ouderen, zieken en gehandicapten in een instelling, tehuis of als thuiszorg) zonder nadere toelichting niet uit te sluiten is dat [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan als consument.
In reactie heeft Hiltermann Lease, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, gesteld dat sprake is van een zakelijke overeenkomst. Zij is een leasebedrijf en zij biedt financial lease aan. Dit product richt zich enkel op de zakelijke markt. In deze zaak is de leverancier Maas-De Koning in [locatie]. Hier dient de klant, nog voordat hij het contract aangeboden krijgt, een keuze te maken voor privé of zakelijk leasen. De auto is een compacte, stijlvolle en moderne auto die past bij de werkzaamheden van [gedaagde]. Het komt van pas bij huisbezoeken en biedt eveneens voldoende ruimte voor het vervoeren van de benodigde verzorgingsproducten, aldus Hiltermann Lease. De auto is naar objectieve maatstaven geschikt en bestemd voor zakelijk gebruik. In de communicatie en de verstrekte documentatie, alsmede de overeenkomst en algemene voorwaarden bij de overeenkomst is zij duidelijk en consistent in haar uitingen dat het product zich enkel richt op de zakelijke dienstverlening, aldus Hiltermann Lease. Dit volgt onder andere uit de vermelding van het nummer van de Kamer van Koophandel van [gedaagde], zowel in de aanhef als bij de ondertekening, de tenaamstelling waarin wordt vermeld: [gedaagde], h/o [bedrijf]” en de verwijzingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden waaruit blijkt dat sprake is van bedrijfsmatig handelen.
[gedaagde] heeft in haar schriftelijke reactie vermeld dat zij inderdaad gekozen heeft voor een zakelijke leasevorm omdat zij een eenmanszaak heeft en de dealer dit als standaardoptie aanbod. Echter de werkelijke bedoeling van de overeenkomst was gemengd gebruik, zij gebruikte de auto ongeveer 50% zakelijk en 50 % privé, aldus [gedaagde]. Het zakelijk gebruik overheerste niet. De auto was voor haar net zo belangrijk voor privégebruik zoals boodschappen, familiebezoek en dagelijks vervoer. Daarom is de overeenkomst niet een overeenkomst die primair zakelijk bedoeld was. In haar situatie is sprake van gemengde overeenkomst waarbij het zakelijke deel niet dominant was. Zij verzoekt om haar als consument aan te merken en de overeenkomst als een consumentenovereenkomst te behandelen. Ter terechtzitting heeft [gedaagde] nog verklaard dat zij bij de garage heeft aangegeven dat zij de auto nodig had voor haar bedrijf, maar ook privé zou gebruiken. Zij heeft online via een bemiddelingsbedrijf, Autokan, de auto uitgezocht. Bij de garage heeft ze de auto bekeken en toen gezegd dat zij klanten moest vervoeren en een hoge instap moest hebben omdat de klanten slecht ter been zijn. Ook heeft zij gezegd dat zij de auto privé zou gebruiken, 50-50, aldus [gedaagde].
Bij de beoordeling geldt tot uitgangspunt hetgeen door het Europees Hof van Justitie is overwogen in het arrest van 8 mei 2025 (ECLI:EU:C:2025:325). Ten aanzien van de gemengde overeenkomst overweegt het Hof, voor zover hier van belang:
37 Met betrekking tot de vraag of, en zo ja in welke gevallen, een persoon die een gemengde overeenkomst heeft gesloten, te weten een overeenkomst inzake goederen of diensten die ten dele voor beroepsmatig gebruik en dus slechts ten dele niet voor beroepsmatig gebruik bestemd zijn, niettemin onder het begrip „consument” in de zin van dat artikel 2, onder b), kan vallen, heeft het Hof reeds opgemerkt dat dit op basis van de loutere bewoordingen van deze bepaling weliswaar niet kan worden bepaald, maar de context van die bepaling niet uitsluit dat een natuurlijke persoon die een dergelijke overeenkomst sluit, in bepaalde omstandigheden als „consument” in de zin van die bepaling kan worden gekwalificeerd [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punten 3139].
38 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat, teneinde de doelstellingen van de Uniewetgever op het gebied van consumentenovereenkomsten te verwezenlijken en de coherentie van het Unierecht te verzekeren, in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het begrip „consument” in overweging 17 van richtlijn 2011/83, waarin de wil van de Uniewetgever wordt verduidelijkt met betrekking tot de definitie van het begrip „consument” in geval van gemengde overeenkomsten, en waaruit blijkt dat wanneer een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van die overeenkomst niet overheerst, die persoon als consument dient te worden aangemerkt [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punten 4045].
39 Het Hof heeft er bovendien aan herinnerd dat de dwingende aard van de bepalingen van richtlijn 93/13 en de bijzondere eisen van consumentenbescherming een ruime uitlegging van het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van deze richtlijn vereisen, teneinde het nuttig effect van die bepaling te verzekeren [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punt 46].
(..)
41 In het licht van deze gegevens heeft het Hof geoordeeld dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die, samen met een andere kredietnemer die niet in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld, een kredietovereenkomst heeft gesloten voor een gebruik dat deels verband houdt met zijn beroepsactiviteit en deels niets daarmee vandoen heeft, onder het begrip „consument” in de zin van deze bepaling valt wanneer het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punt 53].
42 Uit het voorgaande volgt dat, om te bepalen of een natuurlijke persoon die een onder richtlijn 93/13 vallende gemengde overeenkomst sluit, handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs of beroepsactiviteit vallen, en dus onder het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 valt, moet worden onderzocht of het handelsoogmerk van deze overeenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context ervan niet overheerst.
43 Overeenkomstig vaste rechtspraak moet de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over een overeenkomst die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 kan vallen, nagaan of de betrokkene als „consument” in de zin van deze richtlijn kan worden aangemerkt en daarbij rekening houden met alle bewijsstukken en in het bijzonder met de bewoordingen van die overeenkomst. Daartoe moet de nationale rechter alle omstandigheden van de zaak in aanmerking nemen, met name de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Hetzelfde geldt, wanneer het gaat om een gemengde overeenkomst, voor de beoordeling van enerzijds de omvang van elk van de twee delen van een dergelijke overeenkomst in de globale context ervan en anderzijds het overheersende doel van deze overeenkomst. Wanneer het gaat om een gemengde overeenkomst staat het dus aan de nationale rechter om alle omstandigheden van de overeenkomst in kwestie te onderzoeken en op basis van de hem ter beschikking staande objectieve bewijzen te beoordelen in hoeverre het handelsoogmerk van die overeenkomst in de globale context ervan overheerst [zie naar analogie arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C570/21, EU:C:2023:456, punten 56 en 58].
45 Hoewel de bewoordingen van de betrokken overeenkomst in aanmerking moeten worden genomen, kunnen zij op zich dus niet volstaan om te bepalen of de betrokken natuurlijke persoon, door een dergelijke gemengde overeenkomst te sluiten, heeft gehandeld voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs of beroepsactiviteit vallen. Gelet op het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, die betrekking heeft op de afname van elektriciteit, moet evenwel worden gepreciseerd dat een door de partijen hoog ingeschat jaarlijks elektriciteitsverbruik kan aantonen dat het handelsoogmerk overheersend is, terwijl een lage inschatting van het verbruik er waarschijnlijk op wijst dat het huishoudelijk gebruik overheerst.
46 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van overweging 17 van richtlijn 2011/83, aldus moet worden uitgelegd dat een landbouwer die een overeenkomst sluit voor de afname van elektriciteit die zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor huishoudelijk gebruik bestemd is, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt wanneer het handelsoogmerk van die overeenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context van die overeenkomst niet overheerst.
5. Deze uitspraak in aanmerking genomen, wordt de onderhavige leaseovereenkomst tussen partijen als een zakelijke overeenkomst beoordeeld. Daarvoor zijn, anders dan Hiltermann Lease heeft aangevoerd, de bewoordingen in de overeenkomst en de tenaamstelling in de overeenkomst een aanwijzing, maar niet doorslaggevend. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de auto gebruikt kan worden voor de werkzaamheden van [gedaagde]. Maar deze omstandigheden tezamen, in samenhang met de eigen verklaring van [gedaagde] dat een belangrijke reden voor de keuze van de auto werd ingegeven door de hoge instap van deze auto en deze hoge instap nodig was om klanten te vervoeren die slecht ter been zijn, maakt dat het handelsoogmerk bij de keuze van deze auto als overheersend is te beschouwen. De verklaring van [gedaagde] dat zij de auto ook af en toe privé zou gebruiken, maakt dat overheersende handelsoogmerk niet anders. Zeker ook nu door [gedaagde] bij de aanschaf geen verwacht kilometerverbruik is genoemd, waaruit kan worden afgeleid dat zij de auto in overheersende mate voor privédoeleinden zou gaan gebruiken. Door [gedaagde] zijn ook verder geen omstandigheden aangedragen die tegen de achtergrond van de hiervoor gepresenteerde feiten de conclusie rechtvaardigen dat het handelsoogmerk van deze leaseovereenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context ervan niet overheerst. Dat het beweerdelijke feitelijk gebruik van de auto 50% zakelijk en 50% privé is geweest is daarvoor niet voldoende, nu dat een omstandigheid is die zich na het sluiten van de leaseovereenkomst pas openbaart. Ook van een aanbetaling uit privémiddelen of een inruil van een auto die op naam van [gedaagde] privé stond is geen sprake, zodat ook hieruit niet kan worden afgeleid dat het privé element bij de overeenkomst overheerst.
6. Dit leidt ertoe dat sprake is van een zakelijke leaseovereenkomst. Gevolg is dat voor toetsing van consumentenrechtelijke beschermingsbepalingen geen aanleiding is. [gedaagde] heeft verder geen verweer gevoerd tegen de verminderde vordering van Hiltermann Lease, zodat deze toewijsbaar is.
7. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van dit geding. Daarbij wordt voor de akte van Hiltermann Lease geen extra punt toegekend, nu van Hiltermann Lease verwacht mocht worden dat zij deze toelichting al in de dagvaarding had vermeld en het niet redelijk is deze kosten bij [gedaagde] in rekening te brengen. Er zal voor deze kosten worden uitgegaan van het toegewezen bedrag (€ 577,00 per punt).
BESLISSING
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Volkswagen T-Roc met kenteken [kentekennummer] (contractnummer [nummer]) is ontbonden;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hiltermann Lease van € 28.643,26, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar vanaf 6 maart 2026 tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt de [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op:
-griffierecht: € 1.461,00
-exploot: € 123,16
-salaris: € 1.144,00
————–
totaal: € 2.728,16
inclusief eventueel verschuldigde btw;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde btw;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening van dit vonnis indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen onder II, III, en IV voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen onder II. t/m V. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...