ECLI:NL:RBDHA:2021:13997 Rechtbank Den Haag , 15-12-2021 / 9488725 / RL EXPL 21-16951
Val betonvlechter door sparing gevelsteiger op bouwplaats – aansprakelijkheid opdrachtgever – aansprakelijkheid hoofdaannemer – beoordeling onderlinge regresverhouding.
22 min de lecture · 4,638 mots
Inhoudsindicatie. Val betonvlechter door sparing gevelsteiger op bouwplaats – aansprakelijkheid opdrachtgever – aansprakelijkheid hoofdaannemer – beoordeling onderlinge regresverhouding.
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
Zaak-/rolnummer: 9488725 / RL EXPL 21-16951
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar buitenlands recht XL INSURANCE COMPANY SE te Amsterdam,
in Nederland handelend en optredend onder de naam AXA XL,
eiseres,
advocaat: mr. S.B. Weyn te Amersfoort,
TEGEN
[bedrijfsnaam 1] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Hoekman te Den Haag.
Partijen zullen hierna AXA XL en [bedrijfsnaam 1] genoemd worden.
1Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding van 27 juli 2020, met producties 1-11;
de conclusie van antwoord, met producties 1-5;
het tussenvonnis van 16 juni 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
de akte vermeerdering van eis;
nadere producties van de zijde van AXA XL.
Op 30 september 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank (team Handel). De rechtbank heeft de zaak bij mondeling tussenvonnis op de voet van artikel 71 Rv ambtshalve verwezen naar de kantonrechter. Met instemming van partijen, heeft aansluitend een mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden.
Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.
2Feiten
Op 14 augustus 2017 – op de eerste werkdag na de bouwvakantie – is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op de bouwlocatie aan de [adres] te [woonplaats] een bedrijfsongeval overkomen.
[naam 1] was ten tijde van het ongeval als zelfstandig betonvlechter werkzaam in opdracht van [bedrijfsnaam 1] . De werkzaamheden van [naam 1] vonden plaats in het kader van een bouwproject van hoofdaannemer [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ).
[bedrijfsnaam 2] had het leveren en vlechten van wapeningsstaal voor het bouwproject uitbesteed aan [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ) die op haar beurt het betonvlechtwerk had uitbesteed aan [bedrijfsnaam 1] .
[bedrijfsnaam 1] had een raamovereenkomst van opdracht gesloten met [naam 1] , die zijn werkzaamheden uitvoerde onder de naam [bedrijfsnaam 4] . Daarnaast was er een afzonderlijke overeenkomst van opdracht gesloten tussen het aan [bedrijfsnaam 1] gelieerde uitzendbureau Artifex B.V. (hierna: Artifex) en [bedrijfsnaam 4] . De heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is via zijn beheer BV directeur/eigenaar van [bedrijfsnaam 1] en Artifex.
[bedrijfsnaam 1] had tevens een overeenkomst van opdracht gesloten met de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die als meewerkend voorman werkzaamheden op het project uitvoerde.
Op 20 juli 2017, de laatste donderdag vóór de bouwvakantie, was de gevelsteiger door [bedrijfsnaam 2] verhoogd naar de tweede verdieping. De dag van het bedrijfsongeval was de eerste dag nà de bouwvakantie.
De heer [naam 4] , assistent uitvoerder van [bedrijfsnaam 2] (hierna: [naam 4] ) heeft op de ochtend van het ongeval rond 6:45 uur de diverse bouwlagen van het bouwwerk gecontroleerd. Rond 7:00 zijn [naam 3] en [naam 1] gestart met hun werkzaamheden. [naam 1] ging in opdracht van [naam 3] aan het werk op de tweede verdieping.
Rond 7:20 uur is [naam 1] door een sparing van de gevelsteiger ongeveer zes meter naar beneden gevallen, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn sleutelbeen, ribben en nekwervels.
De belangenbehartiger van [naam 1] heeft [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] en Artifex bij brief van 25 augustus 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van het ongeval.
De aansprakelijkheidsverzekeraar van Artifex, Goudse verzekeringen, heeft aansprakelijkheid namens Artifex afgewezen. [bedrijfsnaam 1] was niet verzekerd.
[naam 1] en de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijfsnaam 2] , AXA XL, zijn in een overeenkomst van cessie overeengekomen dat AXA XL de door [naam 1] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het bedrijfsongeval zal vergoeden en dat [naam 1] al zijn vorderingen uit hoofde van het bedrijfsongeval zal overdragen aan AXA XL.
De Inspectie SZW heeft naar aanleiding van het bedrijfsongeval onderzoek gedaan waarbij door de arbeidsinspecteur een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwetgeving is geconstateerd (artikel 3.16 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit) Bij beschikking van 7 augustus 2018 heeft de inspectie SZW besloten [bedrijfsnaam 1] geen boete op te leggen. In het kader van dit onderzoek zijn – voor zover hier van belang – de volgende verklaringen afgelegd tegenover de arbeidsinspecteur:
Door [naam 1] , verklaring afgelegd op 3 oktober 2017:
“ V: Welke werkzaamheden werden door u op het moment van het ongeval verricht?
A: Ik was bezig met het rechtbuigen van de stekeinden die uit het beton omhoog staken. Dit betroffen de stekeinden van de wand direct langs de gevelsteiger. De assistent uitvoerder van [bedrijfsnaam 2] B.V. had mij verteld dat wij deze wand als eerste moesten gaan vlechten.
V: Wie heeft u opdracht gegeven de werkzaamheden die u op het moment van het ongeval uitvoerde te verrichten?
A: Dat hoeft niemand mij te vertellen. Ik weet met betrekking tot het ijzervlechtwerk wat ik moet gaan doen. Ik heb verstand van het project, ik kan tekeningen lezen en ik ben ook wel een voorman geweest. [naam 3] had mij, de ochtend van het ongeval, de opdracht gegeven om naar de tweede verdiepingsvloer te gaan om daar betonijzer (netten) los te pikken van het hijsgereedschap van de hijskraan. Er was op dat moment nog geen hijskraan beschikbaar. [naam 3] had mij verder gezegd dat ik de tijd dat ik moest wachten, andere werkzaamheden kon uitvoeren die op dat moment wel konden worden gedaan. Ik moest daar op de tweede verdiepingsvloer in het stramien naast de gevelsteiger ruimte vrij maken. Daar moesten ongeveer acht betonstaalnetten worden neergelegd. Terwijl ik daar met mijn andere werkzaamheden bezig was moest ik de hijskraan in de gaten houden. Dit om wanneer de hijskraan de betonstaal netten omhoog gedraaid had het hijsgereedschap los te maken van het betonstaal. [naam 3] heeft mij naar boven gestuurd maar heeft mij niet exact verteld waar ik moest gaan staan om het omhoog te draaien betonstaal af te pikken. Ik ben naar de wand gegaan waar wij moesten gaan vlechten. De jongere uitvoerder, hij was assistent van de uitvoerder, van [bedrijfsnaam 2] had mij verteld dat we eerst de buitenste zijwand moesten vlechten en moesten afmaken. Dat is ook de reden dat ik daar aan het werk ben gegaan. Er stonden aan de binnenzijde van de wand in de ingestorte bussen in de verdiepingsvloer een aantal blauwe balusters. De planken die eerder tussen de balusters in de daarvoor bestemde beugels hadden gelegen, lagen op het moment dat ik daar kwam al op het beton van de verdiepingsvloer. Er stond op het moment dat ik op de tweede verdiepingsvloer naast de gevelsteiger arriveerde geen leuningwerk aan de binnenzijde van de te vlechten wand. [..]
V: Kunt u mij vertellen hoe het ongeval is gebeurd?
A: Het ongeval vond als volgt plaats. Ik was de stekeinden recht aan het buigen. Ik dacht dat de gevelsteiger veilig was. Ik heb ook geen openingen in de steigervloer gezien. De opening waar ik door naar beneden viel bevond zich achter mij op het moment dat ik één van de stekken rechtboog. Ik had die opening in de steigervloer niet gezien. Alles heb ik dicht gezien zonder openingen. Ik weet niet meer of ik die plank gezien heb en of deze vast gespijkerd was op de gevelsteigervloer.[..]”
Door [naam 3] , verklaring afgelegd op de dag van het ongeval:
“[..] Ik had vanmorgen het slachtoffer de opdracht gegeven om op de tweede verdiepingsvloer het hijsmiddel die de wapening omhoog bracht los te koppelen. Ik was op dat moment bij de hijskraan die op het midden terrein stond om de wapening aan te pikken. Voordat ik het slachtoffer naar de tweede verdieping stuurde heb ik zelf niet de situatie op de tweede verdiepingsvloer bekeken. Ik weet om die reden ook niet of de werkzaamheden daar veilig konden worden uitgevoerd.[..]”
Door [naam 2] , verklaring afgelegd op 4 oktober 2017:
“[..] Na mijn aankomst op de bouwplaats was ik in eerste instantie beneden bij het slachtoffer. Op dat moment was ook de Politie daar bij het slachtoffer aanwezig. Ik moest om het slachtoffer bij kennis te houden blijven praten met het slachtoffer. Ik zag vanaf daar dat de sparing recht boven hem niet dichtgelegd / afgedekt was. Ik ben op een gegeven moment naar de tweede verdiepingsvloer gegaan. Ik zag daar dat de assistent uitvoerder bezig was met het dichtmaken van die bewuste sparing. Daar heb ik van die actie een foto van genomen. Hij gaf mij in eerst instantie aan dat ze voor de bouwvakvakantie waarschijnlijk vergeten waren om de houten plaat die over de sparing zou hebben gelegen vast te timmeren. Enige tijd later vertelde hij mij weer dat het slechtoffer deze plank had verwijderd en dat het slachteroffer daar op de kopgevelsteiger niets te zoeken had. [..]”
[naam 4] heeft een schriftelijke verklaring gevoegd bij het ongevals- en milieu-incident formulier (bijlage 15 bij het boeterapport van de arbeidsinspecteur). Hierin heeft hij – voor zover hier van belang – verklaard:
“[..] Na het ongeval ben ik samen met mij collega uitvoerder en met mijn projectleider naar boven gegaan en daar constateerde ik dat de beveiliging die wij hadden geplaatst voor de eindwand was verwijderd, deze was om 7.00 uur nog wel aanwezig. Hierdoor was het mogelijk om op de gevelsteiger te komen.”
Cordaet heeft in opdracht van AXA XL een toedrachtsonderzoek verricht. Ten behoeve van dit onderzoek heeft [naam 4] – voor zover hier van belang – op 19 maart 2018 nog de volgende vragen beantwoord:
“ 6) Hoe laat was u op 14 augustus 2017 op de bouw en welke werkzaamheden heeft u toen uitgevoerd?
Ik start dagelijks om 6:30 uur, die morgen de computer opgestart, planning doorgenomen met de hoofduitvoerder. Daarna om kwart voor 7 met 1e dag inspectie ronde over de bouw gelopen. Het was de 1e dag na de bouwvak (zomervakantie van 3 weken) dus heb ik specifiek gecontroleerd of alle werkplekken nog steeds geschikt waren om veilig te werken.
7) Bent u op 14 augustus 2017, voordat het ongeval gebeurde, ook op de tweede verdiepingsvloer geweest, bij de gevelsteiger? Heeft u toen gezien dat er nog een sparing openlag op de steiger?
Ik ben voor het ongeval ook op die verdiepingsvloer geweest, ik heb toen niet gezien dat er een sparing open lag, alle randbeveiligingen rondom waren aanwezig, het steiger lag achter deze randbeveiliging.
8) Was er naast de gevelsteiger nog andere beveiliging bij de dakrand? Zo ja, welke en was deze nog volledig functioneel?
Ja, horizontale steigerdelen in ballusters over de volledige lengte (van voor naar achteren) dit was nog functioneel.
9) Heeft u iemand toestemming gegeven om de aanwezige beveiliging aan te passen of te verwijderen? Mogen bouwlieden eventuele beveiliging op de bouwplaats, al dan niet met toestemming, aanpassen indien zij dit nodig vinden?
Ik heb niemand opdracht gegeven om de beveiliging aan te passen of te verwijderen. Alleen werknemers van [bedrijfsnaam 2] die door mij of mijn collega geïnstrueerd en daar toestemming voor hebben mogen deze beveiliging aanpassen.
13) Hoe zag de plaats van het ongeval eruit nadat betrokkene was afgevoerd met de ambulance en u naar boven ging om de werkplek te bekijken?
De steigerdelen en enkele stalen balusters waren heel rommelig weg gehaald/gegooid. Het gat was door een timmerman van ons veiligheidshalve zsm afgedekt met een plaat hout omdat nu vanwege het ontbreken van de randbeveiliging op de vloer een onveilige situatie ontstaan was.
3. Vordering, grondslag en verweer
AXA XL vordert thans, na wijziging van eis, dat dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. verklaart voor recht dat [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk is voor het ontstaan van het bedrijfsongeval van [naam 1] en de daaruit voor AXA XL voortvloeiende schade;
II. [bedrijfsnaam 1] veroordeelt tot betaling aan AXA XL van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van de door AXA XL verrichte betalingen, en tot betaling van een voorschot op de door AXA XL geleden schade van € 143.698,76;
III. [bedrijfsnaam 1] veroordeelt tot betaling van € 9.305,50 ter zake buitengerechtelijke kosten van juridische bijstand van de advocaat van AXA XL tot en met de datum van dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het bedrijfsongeval;
IV. [bedrijfsnaam 1] veroordeelt tot betaling van alles dat AXA XL heeft betaald en zal betalen aan [naam 1] en derden in verband met het bedrijfsongeval;
V. [bedrijfsnaam 1] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.
AXA XL legt hieraan primair ten grondslag dat [bedrijfsnaam 1] , als opdrachtgever van [naam 1] , op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 en lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het bedrijfsongeval omdat zij haar zorgplicht jegens [naam 1] heeft geschonden.
[bedrijfsnaam 1] voert verweer. Zij betwist dat [naam 1] voor zijn veiligheid afhankelijk was van [bedrijfsnaam 1] . Zij beroept zich erop dat hoofdaannemer [bedrijfsnaam 2] hoofdverantwoordelijk was voor de veiligheid op de bouwplaats, zodat in de onderlinge regresrelatie tussen haar en [bedrijfsnaam 2] de bijdrageplicht geheel of in ieder geval grotendeels op [bedrijfsnaam 2] behoort te liggen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
[naam 1] heeft aanvankelijk onder meer [bedrijfsnaam 2] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade. AXA XL is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijfsnaam 2] . AXA XL en [naam 1] zijn overeengekomen dat AXA XL de door [naam 1] geleden en te lijden schade zal vergoeden tegen cessie van zijn vorderingen op wie dan ook uit hoofde van het bedrijfsongeval.
AXA XL heeft in deze procedure op basis van die cessie de vordering van [naam 1] jegens [bedrijfsnaam 1] ingesteld. Op grond van deze cessie kan – ervan uitgaande dat zowel [bedrijfsnaam 2] , als hoofdaannemer, als [bedrijfsnaam 1] , als opdrachtgever van [naam 1] , op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kunnen zijn jegens [naam 1] – AXA XL in beginsel de volledige vordering van [naam 1] tegen [bedrijfsnaam 1] instellen. [bedrijfsnaam 1] heeft zich er echter op beroepen dat in de onderlinge regresrelatie tussen haar en [bedrijfsnaam 2] de bijdrageplicht geheel of in ieder geval grotendeels op [bedrijfsnaam 2] behoort te liggen op basis van de mate van schuld van [bedrijfsnaam 2] respectievelijk [bedrijfsnaam 1] aan het ontstaan van het ongeval.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [bedrijfsnaam 1] als opdrachtgever van [naam 1] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kan zijn. Dit is het geval als is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW te weten dat [naam 1] voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van [bedrijfsnaam 1] en dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van [bedrijfsnaam 1] .
De kantonrechter is van oordeel dat de werkzaamheden die [naam 1] moest verrichten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van [bedrijfsnaam 1] . Uit het in het geding gebrachte uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt immers dat [bedrijfsnaam 1] zich bezighoudt met het exploiteren van een bouw- en aannemingsbedrijf, zich onder meer richtende op het vlechten van betonstaal en aanverwante werkzaamheden. De volgende vraag is of [naam 1] voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van [bedrijfsnaam 1] . Ook dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. Blijkens de door [bedrijfsnaam 3] voor dit bouwproject opgestelde Risico-Inventarisatie & Evaluatie (hierna: RI&E) waarvan [bedrijfsnaam 1] ook gebruik maakte, moeten de betonstaalverwerkers, althans hun voorman (in dit geval [naam 3] ), bij het werken op hoogte controleren of trapgaten en overige sparingen zijn dichtgelegd en beveiligd door middel van leuningwerk.
Vervolgens moet worden beoordeeld of ook hoofdaannemer [bedrijfsnaam 2] jegens [naam 1] aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW.
Hiertoe oordeelt de kantonrechter dat de werkzaamheden die [naam 1] moest verrichten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] is een middelgroot allround bouwbedrijf gespecialiseerd in betongietbouw. Zowel het bouwen in eigen beheer als het aannemen van bouwprojecten en het daarbij optreden als uitvoerder behoort tot de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] heeft weliswaar geen betonvlechters in dienst, maar dit brengt niet mee dat de werkzaamheden van de betonvlechters niet behoren tot de arbeid die [bedrijfsnaam 2] in de uitoefening van haar bouwbedrijf liet verrichten.
Eveneens kan worden geoordeeld dat [naam 1] voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van [bedrijfsnaam 2] . Vaststaat dat [naam 1] door een trapgat in de kopgevelsteiger naar beneden is gevallen. Deze steiger was in eigendom van de Adriaan van Erk Materieeldienst B.V. en werd gehuurd door [bedrijfsnaam 2] . Uit de hiervoor genoemde RI&E, waaraan ook [bedrijfsnaam 2] als hoofdaannemer gebonden was, blijkt dat de hoofdaannemer verantwoordelijk was voor het afdekken van de sparingen en/of het plaatsen van leuningwerk (valbeveiliging of randbeveiliging/leuning) rondom de sparing. In zoverre was [naam 1] voor zijn veiligheid mede afhankelijk van [bedrijfsnaam 2] .
De conclusie is dat ook [bedrijfsnaam 2] jegens [naam 1] aansprakelijk is. Dit betekent dat de regresverhouding tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] moet worden beoordeeld. Op [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] rust immers de verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, te weten de schade van [naam 1] . Zij zijn dus op grond van het bepaalde in artikel 6:102 BW hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW.
De kantonrechter is van oordeel dat de schade grotendeels aan [bedrijfsnaam 2] is toe te rekenen. Op [bedrijfsnaam 2] als hoofdaannemer rustte primair de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de veiligheid op de bouwplaats. In het bijzonder diende [bedrijfsnaam 2] erop toe te zien dat maatregelen werden getroffen ter voorkoming van valgevaar bij het werken op hoogte. Tot deze maatregelen behoren het afdekken van sparingen in vloeren althans het plaatsen van leuningwerk rondom de sparingen en het toepassen van randbeveiliging op plekken die hoger zijn gelegen dan 2,5 meter boven het maaiveld of de onderliggende vloer.
Vaststaat dat de sparing in de vloer van de gevelsteiger niet deugdelijk was afgedekt. [naam 1] is immers door deze sparing heen gevallen. Onduidelijk is of er aanvankelijk (ten tijde van de start van de werkzaamheden die dag) een plaat over de sparing heeft gelegen die niet was vastgetimmerd en die mogelijk door [naam 1] is verplaatst waardoor de sparing open is komen te liggen. [naam 4] heeft hierover verklaard dat hij voor de start van de werkzaamheden diverse controles heeft uitgevoerd, naar eigen zeggen om te controleren of er tijdens de bouwvakantie geen zaken door vandalen verwijderd waren en iedereen veilig aan het werk kon, en dat hij toen niet heeft gezien dat er een sparing open lag. Ook [naam 1] heeft verklaard dat hij aanvankelijk geen sparingen in de steigervloer heeft gezien, maar hij verklaart tevens dat hij met werkzaamheden bezig was toen hij door de sparing viel en daar toen met zijn rug naartoe stond. De exacte gang van zaken op dit punt doet echter niet ter zake, nu ook een losliggende plaat niet als een deugdelijke afdekking kan worden aangemerkt en het ontbreken van een deugdelijke afdekking (wegens gebrek aan controle daarop) aan [bedrijfsnaam 2] kan worden verweten.
Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bedrijfsongeval plaatsvond op de eerste dag na de bouwvakantie. Het had op de weg van [bedrijfsnaam 2] als hoofdaannemer gelegen om de dag vóór de bouwvakantie zeker te stellen dat de werkzaamheden rond de bouwsteiger volledig waren afgerond en dat de veiligheid van de bouwsteiger geheel in orde was. Eventuele sparingen in de werkvloer van de steiger hadden deugdelijk moeten worden afgedekt in die zin dat een afdekking afdoende geborgd was aan de werkvloer van de steiger. Na afloop van de bouwvakantie zou immers niemand meer weten wat de stand van zaken was betreffende de afbouw en veiligheid op de bouwsteiger, zoals ook blijkt uit het feit dat (het niet afdoende geborgd zijn van) de sparing in de steigervloer onopgemerkt is gebleven en het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Om die reden mocht naar het oordeel van de kanonrechter van [bedrijfsnaam 2] verwacht worden dat zij erop zou toezien dat de opbouwwerkzaamheden van de bouwsteiger voor de bouwvakantie volledig werden afgerond, dan wel dat [bedrijfsnaam 2] exact wist welke werkzaamheden nog niet waren afgerond, zodat zij er na de bouwvakantie direct voor kon zorgen dat die werkzaamheden alsnog werden afgemaakt, dat er maatregelen werden (of al waren) genomen om te voorkomen dat de steiger na de bouwvakantie toegankelijk was en aanwezigen op de bouwplaats er uitdrukkelijk op werden geweze dat de steiger nog niet gebruikt mocht worden omdat deze nog niet volledig was afgebouwd. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsnaam 2] dit alles heeft gedaan.
Na het bedrijfsongeval is immers geconstateerd dat de randbeveiliging vóór de gevelsteiger niet intact was. Partijen verschillen erover van mening of deze randbeveiliging eerder op de ochtend nog wel intact was. [bedrijfsnaam 1] sluit zich op dit punt aan bij [naam 1] die heeft verklaard dat hij geen randbeveiliging aantrof toen hij op de tweede verdieping aankwam en hij er dus van uit mocht gaan dat de steiger veilig was. AXA XL schaart zich achter [naam 4] die heeft verklaard dat de randbeveiliging er tijdens zijn controle eerder die ochtend nog wel was en veronderstelt dat [naam 1] de randbeveiliging zelf heeft verwijderd. [bedrijfsnaam 1] betwist dat [naam 1] dit heeft gedaan. Dit blijkt immers niet uit de verklaring van [naam 1] en bovendien is de tijdsduur tussen het starten van de werkzaamheden (07:00 / 07:05 uur) en het ongeval (7:20 uur) dermate beperkt, dat het haast onmogelijk is dat [naam 1] in dat tijdsbestek i) naar de tweede verdiepingsvloer is gegaan, ii) de randbeveiliging heeft verwijderd en iii) ook nog stekeinden uit het beton heeft rechtgebogen. [naam 2] heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat de planken van het leuningwerk na het ongeval zo netjes waren opgestapeld dat [naam 1] dit niet alleen kan hebben gedaan. [naam 4] heeft op dit punt verklaard dat de planken her en der over de grond verspreid lagen.
De randbeveiliging bestaat uit drie rijen (steiger)planken die op metalen palen rusten. Tussen twee palen moeten dus drie steigerplanken worden geplaatst. Als productie 5 bij conclusie van antwoord zijn foto’s van de bouwplaats met daarop de locatie van de randbeveiliging zichtbaar. Op de foto’s is zichtbaar dat er (ten minste) drie palen van de randbeveiliging zijn geplaatst en dat er nog twee palen op de betonnen vloer liggen, terwijl tevens gaten voor die palen op de foto’s zichtbaar zijn. Bovendien is een grote stapel netjes opgestapelde steigerplanken zichtbaar en drie steigerplanken die daar los naast liggen. Die drie losliggende steigerplanken zijn echter onvoldoende om de randbeveiliging mee te maken. Uitgaande van (ten minste) vijf palen die geplaatst hadden moeten worden op de kant van het gebouw waar zich de sparing in de steiger bevond waren daarvoor dus ten minste twaalf steigerplanken nodig. Naast de drie losliggende steigerplanken waren er dus nog negen steigerplanken nodig van de grote stapel om de randbeveiliging te kunnen maken.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat – anders dan [naam 4] heeft verklaard – de randbeveiliging niet (intact) aanwezig was op de dag dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De kantonrechter deelt de conclusie van [bedrijfsnaam 1] dat het niet mogelijk is geweest dat [naam 1] in het korte tijdsbestek dat hij had en rekening houdend met de andere werkzaamheden die hij nog heeft uitgevoerd (4.12 i) en iii)), alle planken van de randbeveiliging heeft verwijderd, waarbij hij negen planken keurig heeft opgestapeld op de grote stapel, maar er drie slordig heeft neergegooid, terwijl hij bovendien twee palen zou hebben verwijderd en er nog drie zou hebben laten staan.
Dat de randbeveiliging die ochtend voor de start van de werkzaamheden niet intact was, is in overwegende mate aan [bedrijfsnaam 2] te wijten omdat zij als hoofdaannemer op basis van de voor dit project opgestelde RI&E primair de zorg had voor de veiligheid op de bouwplaats en maatregelen diende te nemen ter voorkoming van valgevaar en zij tevens de opdrachtgever is voor het plaatsen van de steiger. Weliswaar had [naam 3] op grond van de RI&E ook de verplichting om te controleren of de veiligheid op de plek waar [naam 1] aan het werk zou gaan in orde was, maar mede in het licht van de eerder die ochtend door [naam 4] uitgevoerde controle en de verplichting van [bedrijfsnaam 2] om maatregelen te treffen indien sprake was van een onveilige situatie, ligt het voor de hand dat [naam 3] ervan uit ging dat de controle afdoende door [naam 4] was uitgevoerd. Hierdoor weegt dit verwijt van [naam 3] minder zwaar dan het verwijt dat aan [bedrijfsnaam 2] kan worden gemaakt. Maar dat laat onverlet dat [naam 3] de op [bedrijfsnaam 1] rustende verplichting niet is nagekomen en de kantonrechter van mening is dat wanneer [naam 3] toch de moeite had genomen om nog een extra controle uit te voeren, het sparing in de steigervloer (of de afwezigheid van de randbeveiliging) mogelijk toch was opgemerkt en het ongeval had kunnen worden voorkomen.
Gezien de op [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] rustende zorgplicht jegens [naam 1] en de verwijten die hen in dit verband kunnen worden gemaakt, ziet de kantonrechter grond te bepalen dat 10 % van de uit het ongeval van [naam 1] voor AXA XL voortvloeiende schade door [bedrijfsnaam 1] moet worden gedragen en 90% van de schade voor rekening van [bedrijfsnaam 2] dient te komen.
Verwijzing naar schadestaatprocedure
AXA XL vordert in deze procedure een verwijzing naar de schadestaatprocedure zodat de schade aldaar kan worden begroot.
Gezien het voorgaande kan [bedrijfsnaam 1] tot vergoeding van 10 % van de uit het ongeval van [naam 1] voor AXA XL voortvloeiende schade worden veroordeeld. Indien de schade niet direct kan worden begroot, kan verwijzing naar de schadestaatprocedure worden gevorderd. Voor verwijzing naar de schadestaat is voldoende dat de mogelijkheid aannemelijk is dat schade is geleden. Vaststaat dat [naam 1] door het bedrijfsongeval schade heeft geleden. De kantonrechter zal [bedrijfsnaam 1] daarom veroordelen tot vergoeding van 10 % van de uit het ongeval van [naam 1] voor AXA XL voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat.
Voorschot op de schade
De vordering tot betaling van een voorschot op de schade zal worden afgewezen, nu AXA XL de schade in het licht van de betwisting hiervan door [bedrijfsnaam 1] onvoldoende heeft onderbouwd.
Buitengerechtelijke kosten
In het licht van het voorgaande zal ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de kosten waarvan AXA XL vergoeding vordert moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal AXA XL worden veroordeeld in de proceskosten. Die proceskosten worden aan de zijde van [bedrijfsnaam 1] tot op heden begroot op € 1.744,– aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 872,–).
5De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval van [naam 1] en gehouden is tot vergoeding van 10 % van de daaruit voor AXA XL voortvloeiende schade;
veroordeelt [bedrijfsnaam 1] tot betaling aan AXA XL van een schadevergoeding van 10 % van de voor AXA XL uit het ongeval van [naam 1] voortvloeiende schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt AXA XL in de proceskosten, aan de kant van [bedrijfsnaam 1] begroot op € 1.744,–;
verklaart dit vonnis wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2021.
Voetnoten
- type: 1366
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...