ECLI:NL:RBDHA:2023:2148 Rechtbank Den Haag , 03-03-2023 / 22/6693
Bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door verweerder. Immers is de beslissing van verweerder om vanuit Afghanistan te worden geëvacueerd, dan wel de overkomst naar Nederland te faciliteren, wel een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Beroep gegrond.
4 min de lecture · 662 mots
Inhoudsindicatie. Bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door verweerder. Immers is de beslissing van verweerder om vanuit Afghanistan te worden geëvacueerd, dan wel de overkomst naar Nederland te faciliteren, wel een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6693
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 8 februari 2022 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft per brief aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor evacuatie dan wel overbrenging naar Nederland. Bij besluit van 8 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de brief niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep open staat. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
3. In haar uitspraken van 14 september 2022 heeft de hoogste bestuursrechter in dit
soort zaken overwogen dat de beslissing op het verzoek om vanuit Afghanistan te worden
geëvacueerd, dan wel de overkomst naar Nederland te faciliteren, wel moet worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
5. Eiser heeft geen griffierecht betaald, waardoor verweerder geen griffierecht aan
hem hoeft te vergoeden.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank ziet aanleiding deze zaak en de zaak met nummer SGR 22/6700 aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De beroepen zijn gelijktijdig door de bestuursrechter behandeld, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren. De beroepsgronden zagen in elke zaak op dezelfde rechtsvraag en waren (nagenoeg) gelijkluidend. Volgens de Bijlage bij het Bpb, onder C2, wordt voor minder dan vier samenhangende zaken een wegingsfactor van 1 toegepast. Toegepast op het hiervoor vermelde bedrag levert dat een proceskostenvergoeding op van
(€ 837,- × 1 =) € 837,-. Dit bedrag dient te worden gedeeld door het totaal aantal samenhangende zaken (€ 837,- ÷ 2) zodat de proceskostenvergoeding voor iedere in deze uitspraak behandelde zaak € 418,50 bedraagt.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
– veroordeelt verweerders in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van F.J. Leegstraten,
griffier. De uitspraak is bekendgemaakt in het openbaar op 3 maart 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Voetnoten
- Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022,
ECLL:NL:RVS:2022:2592 en ECLI:NL:RVS:2022:2684.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...