ECLI:NL:RBDHA:2024:23752 Rechtbank Den Haag , 03-12-2024 / NL23.6414
Tamil uit Sri Lanka, afwijzing van zevende asielaanvraag, fundamentele politieke overtuiging, uitspraak HvJEU van 21 september 2023, onjuist toetsingskader, nadere motivering, beroep op gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd, tussenuitspraak
15 min de lecture · 3,224 mots
Inhoudsindicatie. Tamil uit Sri Lanka, afwijzing van zevende asielaanvraag, fundamentele politieke overtuiging, uitspraak HvJEU van 21 september 2023, onjuist toetsingskader, nadere motivering, beroep op gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd, tussenuitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6414 – T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de Minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigden: mr. N. Hamzaoui en R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Sri Lankaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Hij heeft op 29 maart 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 maart 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2023 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. N. Hamzaoui. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Op 15 mei 2023 is het onderzoek heropend en de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 16 februari 2022 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft gesteld over het begrip ‘fundamentele politieke overtuiging’. Het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter reeds toegewezen.
Na de reactie van de minister van 10 juli 2024 op het arrest van het HvJEU van 21 september 2023 en de einduitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 heeft eiser eveneens op 18 augustus 2024 een reactie gegeven en verzocht om een tweede behandeling op zitting. Op 22 september 2024 heeft eiser nog aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2024 nogmaals op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A.P. Shanthan als tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde R.A. Mandersloot.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft 29 maart 2022 zijn zevende asielaanvraag ingediend. De afwijzingen van zijn eerdere asielaanvragen zijn na beroep dan wel hoger beroep onherroepelijk geworden.
5. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft in Sri Lanka. Eiser heeft verklaard dat hij het separatisme aanhangt, dat wil zeggen dat hij streeft naar een eigen onafhankelijke staat voor de Tamilbeweging in het noorden en oosten van Sri Lanka. Hij neemt in Nederland deel aan demonstraties, Heldendagen van het Tamil Forum en fietstochten. Hierover worden berichten geplaatst op social media. De Sri Lankaanse autoriteiten zijn hiervan op de hoogte en zullen hem bij terugkeer arresteren. Hij stelt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging bij terugkeer vanwege zijn politieke opvattingen en dat hij zijn politieke opvattingen over een Tamil Eelam (een onafhankelijke Tamil staat) bij terugkeer niet openlijk kan uiten.
Het bestreden besluit
6. Met het bestreden besluit van 1 maart 2023 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat de verklaringen van eiser niet duiden op een fundamentele politieke overtuiging, waardoor van hem mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer naar Sri Lanka terughoudend opstelt. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten van Sri Lanka op de hoogte zijn van zijn politieke activiteiten in Nederland.
Uitspraken over de politieke overtuiging
7. Naar aanleiding van de uitspraak van het HvJEU van 21 september 2023 heeft de Afdeling op 17 januari 2024 uitspraak gedaan en daarbij het beleid van de minister over een fundamentele politieke overtuiging beoordeeld aan de hand van de uitspraak van het HvJEU. De Afdeling overweegt als volgt. Uit het arrest van het HvJEU volgt dat de minister niet meer als eis mag stellen dat er sprake moet zijn van een fundamentele politieke overtuiging. Verder volgt uit het arrest dat bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Hierbij zijn de sterkte van die politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging wordt geuit of eventueel door hem zal worden geuit ook relevant, maar het is niet relevant of de overtuiging zo diepgeworteld is dat een vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten en daardoor slachtoffer zou kunnen worden van daden van vervolging.
Nadere motivering
8. De minister heeft op verzoek van de rechtbank op 10 juli 2024 gereageerd op de hiervoor genoemde uitspraak van het HvJEU en de uitspraken van de Afdeling en daarbij aangegeven in hoeverre de uitspraken gevolgen hebben voor het bestreden besluit. De minister stelt dat hij een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vrees voor vervolging die eiser stelt te hebben vanwege zijn politieke overtuiging. De minister verzoekt de rechtbank echter om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten gelet op de nadere motivering waarmee volgens de minister het gebrek wordt hersteld.
9. De minister neemt aan dat eiser een politieke overtuiging heeft die ertoe strekt dat hij een eigen staat voor de Tamils zou willen zien (Tamil Eelam), maar eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel persoonlijk risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. Het is namelijk niet gebleken dat eiser de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst heeft gewekt of zal wekken. De minister komt, gelet op de verklaringen van eiser over zijn politieke overtuiging en de aard en de omvang van zijn politieke activiteiten in Nederland, tot de conclusie dat de politieke overtuiging van eiser zeer zwak is.
10. De minister wijst er op dat in de vorige asielprocedures in rechte vast is komen te staan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten staat en dat hij daarom ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In die procedures is onder andere betrokken dat eiser in een LTTE-kamp heeft verbleven, dat hij littekens heeft, zijn wijze van uitreizen, zijn aanwezigheid bij herdenkingsdagen voor overleden Tamil Tijgers in 2010 en 2011, de mogelijkheid dat hij op een ‘stoplijst’ staat, de LTTE-achtergrond van de gestelde broers van eiser, dat al zijn familie inmiddels in Europa woont en de mogelijkheid dat de Sri Lankaanse autoriteiten door een LP-aanvraag in 2016 hebben verzocht om zijn asieldossier. Bij herhaling is eerder in rechte komen vast te staan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn in Nederland verrichte politieke activiteiten bekend zijn bij de Sri Lankaanse autoriteiten en ook niet dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka te vrezen heeft voor een ernstig risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast heeft hij in Nederland marginale activiteiten verricht zoals deelname aan enkele breed gedragen demonstraties en heeft hij summiere en gebrekkige verklaringen afgelegd over het Tamil Forum, de beweging die pleit voor een eigen staat voor de Tamils en waarvan eiser naar eigen zeggen geen lid is. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser derhalve een zeer zwak politiek profiel heeft gezien zijn verklaringen hierover. De minister betrekt bij dit oordeel ook de activiteiten die eiser bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij anderszins zijn gedachtegoed zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Mede op grond van alle eerdere bevindingen acht de minister niet aannemelijk dat eiser zich bij terugkeer zodanig politiek zal gaan uiten dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal raken. Gezien het individuele profiel van eiser zoals dat is toegelicht en de bevindingen in het thematische ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken van 6 juni 2024 is niet aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een reële vrees voor vervolging of schending van artikel 3 van het EVRM te duchten heeft.
11. Eiser kan zich niet verenigen met deze aanvullende motivering van de minister. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister, om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, aanleiding had moeten zien om hem aanvullend te horen. Daarnaast doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst daarbij naar de inwilliging van de asielaanvragen van twee landgenoten. De minister dient te motiveren waarom eiser met eenzelfde overtuiging, die heeft deelgenomen aan dezelfde activiteiten, niet als vluchteling wordt aangemerkt. Verder stelt eiser dat zijn deelname aan de activiteiten in Nederland voor zowel het Tamil Forum als het TCC en die door de Sri Lankaanse overheid als separatistisch worden aangemerkt, voldoende is om in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten te staan. Hierbij doelt eiser op de demonstraties, Heldendagen en de fietstochten. Uit het door eiser overgelegd materiaal van sociale media blijkt genoegzaam dat hij zich actief inzet voor de Tamil Eelam en kritiek heeft op de Sri Lankaanse autoriteiten (genocide). Eiser verricht zijn activiteiten in de openbare ruimte en een ieder kan hiervan kennisnemen/beelden maken en deze beelden op sociale media publiceren. Nu de activiteiten in het openbaar en op specifieke data worden verricht, is dit voor een ieder kenbaar en kan een ieder, waaronder de SriLankaanse overheid, deze activiteiten in persoon aanschouwen. Deze activiteiten van eiser zijn bekend, dan wel kunnen bekend worden bij de Srilankaanse autoriteiten. Ter onderbouwing van zijn deelname aan activiteiten heeft eiser een drietal foto’s overgelegd. Als Tamil Eelam-aanhanger kan hij zijn opvattingen bij terugkeer in Sri Lanka niet (zonder terughoudendheid) uiten en zal hij vervolgd worden vanwege zijn politieke overtuiging. In de ogen van de Sri Lankaanse autoriteiten zijn de activiteiten die door eiser worden verricht allerminst marginaal. Sri Lanka tolereert geen enkele uiting van separatistische opvattingen Eiser vindt voor dit standpunt steun in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 juni 2024.
Het oordeel van de rechtbank
12. De minister heeft in het verweerschrift erkend dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat een onjuist toetsingskader is gehanteerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
Negatieve belangstelling vanwege activiteiten in Nederland
13. De rechtbank overweegt dat met de eerdere afwijzingen in rechte vast is komen te staan dat de in Nederland verrichte politieke activiteiten van eiser niet bekend zijn bij de Sri Lankaanse autoriteiten. Wat eiser bij deze aanvraag heeft aangevoerd en overgelegd, zoals de uitspraak van het Upper Tribunal van 25 mei 2021, rapportage Time to Act van december 2008 en het ambtsbericht van 6 juni 2024, bieden onvoldoende aanleiding om nu anders te oordelen, nog daargelaten dat de uitspraak van het Upper Tribunal reeds is betrokken in de eerdere asielprocedure van eiser. Uit deze stukken blijkt bijvoorbeeld niet dat een ieder die in Nederland deelneemt aan activiteiten, zoals de Heldendagen, demonstraties en fietstochten, welke activiteiten door de minister niet worden betwist, in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Verder heeft eiser geen aanwijzingen aangedragen voor een ander oordeel. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn politieke activiteiten in Nederland de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten heeft gewekt.
Terugkeer naar Sri Lanka
14. Dat volgens eiser bij terugkeer op de luchthaven gebruik wordt gemaakt van gezichtsherkenningssoftware leidt niet een ander oordeel. Zo heeft de minister mogen verwijzen naar het ambtsbericht van 6 juni 2024, pagina 66 paragraaf 6.1.3 :
“ In januari 2024 installeerden de autoriteiten gezichtsherkenningstechnologie op de internationale luchthaven van Colombo. Volgens verschillende bronnen was dit bedoeld om criminelen te herkennen die het land wilden in- of uitreizen. Er waren geen aanwijzingen dat de autoriteiten gezichtsherkenningstechnologie gebruikten om terugkerende Tamils te herkennen die in het buitenland actief waren geweest voor de Tamil zaak.” Evenmin zijn er aanwijzingen dat de Sri Lankaanse autoriteiten de online activiteiten van terugkerende migranten controleerden bij hun aankomst op de luchthaven van Colombo. Daarbij verwijst de rechtbank pagina 65, paragraaf 6.1.2 van het ambtsbericht. Hieruit blijkt derhalve niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten bij zijn terugkeer bekend raken met online activiteiten van derden over activiteiten van eiser. De minister die dit standpunt heeft ingenomen, kan daarom worden gevolgd.
Aanvullend horen
15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het op de weg van de minister ligt om hem aanvullend te horen over de activiteiten die hij wil verrichten als hij terugkeert naar Sri Lanka, derhalve over eisers gestelde vrees voor vervolging bij terugkeer. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het informatiebericht 2024/10 volgt dat een vreemdeling tijdens het gehoor moet worden bevraagd over welke door de politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
16. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens zijn aanvullend gehoor van 27 februari 2023 het volgende heeft verklaard: “Stel, al ga ik terug naar Sri Lanka, dan zal ik hetzelfde ook doen. Mijn gedachte is erop gegrift, Tamil Elam is de oplossing voor de Tamils. Die wens had ik al veel langer, maar het laatste jaar heb ik me erin verdiept. Het is nu mijn grootste wens geworden. Ik word door Tamil Forum als trouwe medewerker, want ik nam regelmatig deel aan de bijeenkomsten, dus daarom kreeg ik de tijgervlag om de fietsers de weg te wijzen.”
Eiser is dus bevraagd over zijn terugkeer en welke activiteiten hij zou willen verrichten. Duidelijk is wat eiser dan wil gaan doen en daarom heeft het opnieuw horen geen toegevoegde waarde. Uit het ambtsbericht blijkt verder niet dat, indien eiser de activiteiten in Sri Lanka voortzet, eiser een reëel risico loopt op vervolging dan wel een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zo heeft de minister mogen verwijzen naar pagina 56 van het ambtsbericht waaruit kan worden opgemaakt dat voortzetting van zijn activiteiten niet leidt tot relevante problemen. Dat uit het ambtsbericht het tegendeel zou blijken volgt de rechtbank niet.
Slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel?
17. Eiser heeft verwezen naar twee volgens hem vergelijkbare zaken waarbij ook sprake was van vreemdelingen uit Sri Lanka die wel een asielvergunning hebben gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet vanwege hun politieke overtuiging en het nieuwe thematisch ambtsbericht over Sri Lanka van juni 2024.
De rechtbank stelt vast dat eiser van de twee zaken, die volgens hem vergelijkbaar zijn, het V-nummer van de vreemdeling heeft gegeven. Eiser heeft hiermee, als toelichting op zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, concrete gevallen genoemd. Het is om die reden aan de minister om aannemelijk te maken dat geen sprake is van gelijke gevallen. Een bestuursorgaan moet immers een consistent en doordacht bestuursbeleid voeren. De minister heeft op de zitting niet duidelijk gemaakt dat de gevallen niet vergelijkbaar zijn en waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Deze duidelijkheid zal zij alsnog moeten geven.
Conclusie en gevolgen
18. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 12 is het beroep reeds gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Er bestaat echter vooralsnog geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 17. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek dat ziet op de motivering waarom volgens de minister geen sprake is van gelijke gevallen te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering. Om het gebrek te herstellen, moet de minister nader motiveren waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen zij het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
19. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
20. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden die betrekking hebben op het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
– draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
– houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk – Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Voetnoten
- Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
- NL23.6415
- ECLI:NL:RVS:2022:505
- bij uitspraak van 21 juni 2023
- S. en A. tegen Nederland, ECLI:EU:C:2023:688
- ECLI:NL:RVS:2024:63 en ECLI:NL:RVS:2024:138.
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Tamil Coordinating Committee
- pagina 13
- Vergelijk ECLI:NL:RVS:2022:1118 en ECLI:NL:RVS:2022:308.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...