ECLI:NL:RBDHA:2024:24023 Rechtbank Den Haag , 27-12-2024 / 09/276720-24
Veroordeling voor vier brandstichtingen in en rondom het centrum van Delft, waardoor gevaar voor goederen te duchten was. Gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opgelegd.
13 min de lecture · 2,688 mots
Inhoudsindicatie. Veroordeling voor vier brandstichtingen in en rondom het centrum van Delft, waardoor gevaar voor goederen te duchten was. Gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opgelegd.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/276720-24
Datum uitspraak: 27 december 2024
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 december 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M. Langereis naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Zaak 2.1
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Delft (aan de Westvest), althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een container en/of de inhoud van die container, terwijl daarvan
– gemeen gevaar voor goederen, te weten het wegdek en/of (het) naast en/of boven gelegen pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of
– levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten in de nabijheid gelegen woningen aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;
2.
Zaak 2.2/2.3
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Delft (aan het Van Leeuwenhoekpark), althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer stoelen en/of een container en/of de inhoud van die container terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het wegdek en/of een scooter, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
3.
Zaak 2.4
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Delft (aan de Coenderstraat), althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een container, en/of de inhoud van die container, terwijl daarvan
– gemeen gevaar voor goederen, te weten het wegdek en/of een of meer fietsen en/of een of meer voertuigen en/of (het) naastgelegen pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of
– levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten in de nabijheid gelegen woningen aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;
4.
Zaak 2.5
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Delft (aan de Martinus Nijhofflaan), althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een container, en/of de inhoud van die container terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten andere containers en/of een of meerdere winkelwagens, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
5.
Zaak 2.6
hij op of omstreeks 21 juli 2024 te Rijswijk, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een (personen)auto (Seat Ibiza) terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto gelegen goederen, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juli 2024 te Rijswijk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (Seat Ibiza), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
3De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 3 partieel wordt vrijgesproken van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en partiële vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Vrijspraak feit 5
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen het onder 5 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. In het dossier bevindt zich een aangifte en een proces-verbaal van aanvullend verhoor waarin is weergegeven dat aangeefster de verdachte herkent op een filmpje dat is gemaakt door een buurvrouw. De door aangeefster genoemde punten waaraan zij verdachte op de beelden herkent, acht de rechtbank echter onvoldoende specifiek om daar in bewijsrechtelijke zin doorslaggevende betekenis aan toe te kennen. Ook uit de andere feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte de persoon is geweest die de auto heeft vernield. De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde feit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zichzelf heeft herkend als zijnde de persoon die te zien is op de camerabeelden met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 geen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en dat ten aanzien van feit 1 en feit 3 geen sprake is geweest van gevaar voor personen. Op de camerabeelden met betrekking tot feit 4 is volgens de raadsvrouw niet te zien dat brand wordt gesticht. Daarnaast is sprake van enig tijdsverloop tussen het zien van de persoon bij de container en de rookontwikkeling.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen in het dossier onvoldoende vast is komen te staan dat bij de onder feit 1 en 3 ten laste gelegde brandstichtingen levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen in de nabij gelegen woningen te duchten was. De verdachte zal dan ook van dat onderdeel in de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank stelt wel vast dat met de brandstichtingen telkens gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De verdachte heeft een container (feit 1), die tegen een poort op het wegdek in de nabijheid van woningen stond en twee terrasstoelen (feit 2) in brand gestoken. Onder 'gemeen gevaar voor goederen' in de zin van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een gevaar dat verschillende in zekere nabijheid zich bevindende goederen bedreigt. De omstandigheid dat uiteindelijk geen schade is ontstaan doet daar niet aan af. De toepasselijke wetsbepaling ziet op het gevaar zoals dat te duchten is op het tijdstip waarop de brand wordt gesticht. Naar algemene ervaringsregels is voorzienbaar dat wanneer op de weg of in een woonomgeving goederen in brand worden gestoken, dit gemeen gevaar voor het wegdek en/of naastgelegen goederen oplevert.
Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de brandstichting ten laste gelegd onder feit 4 blijkt dat de verdachte naar de container loopt, daar even blijft staan en verder loopt. Kort daarna is rookontwikkeling te zien en zijn vlammen zichtbaar. Zowel voor als na de rookontwikkeling zijn geen andere personen waargenomen rondom de container. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan deze brandstichting.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 27 augustus 2024 te Delft (aan de Westvest), opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een container en de inhoud van die container, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het wegdek en naast en boven gelegen panden, te duchten was;
2.
hij op 27 augustus 2024 te Delft (aan het Van Leeuwenhoekpark), opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met twee stoelen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
3.
hij op 27 augustus 2024 te Delft (aan de Coenderstraat), opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een container, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het wegdek en fietsen en voertuigen en naastgelegen panden, te duchten was;
4.
hij op 27 augustus 2024 te Delft (aan de Martinus Nijhofflaan), opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een container en de inhoud van die container terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten andere containers en meerdere winkelwagens, te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan de verdachte een gevangenisstraf met een klein onvoorwaardelijk deel en met een groot voorwaardelijk deel op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich in de nacht van 26 op 27 augustus 2024 schuldig gemaakt aan vier brandstichtingen in en rondom het centrum van Delft, waarbij gevaar voor goederen te duchten was. Brandstichting is een ernstig en gevaar zettend strafbaar feit vanwege het risico op uitslaande brand en het gevaar voor goederen en het leven van mensen. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Daarnaast kan brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid oproepen bij omwonenden. De verdachte heeft zich kennelijk geen rekenschap gegeven van de mogelijk zeer ernstige gevolgen van de brandstichtingen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren meermaals is veroordeeld voor andere strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 5 december 2024. Hieruit blijkt dat sprake is van problemen op alle leefgebieden. De verdachte heeft geen huisvesting, geen dagbesteding, financiële schulden en er is sprake van middelenmisbruik. Daarnaast heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst het verblijfsrecht van de verdachte ingetrokken. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De verdachte heeft geen rechten opgebouwd ten aanzien van sociale voorzieningen in Nederland. Aan een hulpverleningstraject onder toezicht van de reclassering kan dus onvoldoende inhoud worden gegeven. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde feit.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7De vordering van de benadeelde partij
[benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 2.510,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen betrekking hebben, wordt vrijgesproken.
Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt. Die kosten worden tot op heden begroot op nihil.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 4:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.C.J. Vriend, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. P. Figge, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Z. Zeeman en mr. F. Aksu, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 december 2024.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...