ECLI:NL:RBDHA:2025:22068 Rechtbank Den Haag , 14-08-2025 / C/09/675688 / FA RK 24-8181
Gezag, zorgregeling, kinderalimentatie.
11 min de lecture · 2,408 mots
Inhoudsindicatie. Gezag, zorgregeling, kinderalimentatie.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8181
Zaaknummer: C/09/675688
Datum beschikking: 14 augustus 2025
Gezag, zorg-/omgangsregeling, alimentatie
Beschikking op het op 12 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
– het verweer tegen het zelfstandig verzoek.
Op 17 juli 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn op de zitting nadere stukken overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder luidt om met ingang van 1 mei 2024 de kinderalimentatie op € 375,-, althans op € 232,50 per maand te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de vader verzocht:
te bepalen dat de vader samen met de moeder belast zal worden met het gezag over [minderjarige] ;
een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
in de oneven weken van dinsdag 16.00 uur tot donderdag 08.00 uur;
in de even weken van dinsdag 16.00 uur tot donderdag 08.00 uur en van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
in de even jaren: op eerste kerstdag vanaf 10.00 uur tot tweede kerstdag 10.00
uur, waarna de vader [minderjarige] naar de moeder brengt, waar [minderjarige] tot 27 december 10.00 uur verblijft en waarbij in de even jaren het omgekeerde geldt;
– in de even jaren op nieuwjaarsdag van 10.00 uur tot 2 januari 10.00 uur, waarna
het reguliere schema wordt hervat;
in de oneven jaren op oudejaarsdag 10.00 uur tot nieuwjaarsdag 10.00 uur; en
waarbij vakanties en andere afwijkingen van het reguliere schema in onderling
overleg worden afgestemd.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
– Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
– Zij zijn de ouders van het volgende, minderjarige kind:
– [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
– De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
– [minderjarige] verblijft bij de vader van woensdagmiddag 17.00 uur (vanuit de gastouder) tot en met donderdagochtend (naar de gastouder) en een keer per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur (vanuit de gastouder) tot en met zondagmiddag 17.00 uur.
Beoordeling
Gezag
De vader heeft verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] . Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt. Enkel wanneer er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag klem-en-verloren zal raken of het belang van het kind hierom anderszins vraagt, kan het verzoek worden afgewezen, zo volgt uit artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door de moeder is gesteld dat zij geen ruimte ziet voor gezamenlijk gezag, omdat de communicatie tussen partijen problematisch verloopt. Daarnaast hoeven partijen, vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] , voorlopig ook nog geen grote beslissingen te nemen. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel gebleken is dat partijen in het afgelopen jaar onderling nare, kwetsende berichten naar elkaar hebben gestuurd, was dit met name in de periode na de relatiebreuk. Inmiddels staan zij weer op redelijk goede voet en is gebleken dat zij ook samen tijd doorbrengen, in aanwezigheid van [minderjarige] , bijvoorbeeld tijdens Pasen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vader en de moeder ook in staat zullen zijn om in goed overleg gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] . Daarbij benadrukt zij wel dat het versturen van lelijke berichten naar de ander niet in het belang van [minderjarige] is en dat de ouders zich hiervan moeten onthouden. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat indien de ouders toch tegen problemen aanlopen, zij via de gemeente hulp kunnen vragen voor hun onderlinge communicatie, bijvoorbeeld in de vorm van ouderschapsbemiddeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Omdat in het voorgaande is besproken dat de vader en de moeder voortaan samen het gezag over [minderjarige] zullen hebben, zal de rechtbank in het vervolg spreken van een zorgregeling. Bij het beëindiging van de relatie zijn partijen in onderling overleg een zorgregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige] steeds een doordeweekse dag en één weekend in de twee weken bij de vader is. De vader wil deze zorgregeling graag uitbreiden en toewerken naar een co-ouderschap.
De rechtbank kan een zorgregeling wijzigen op de grond dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze wijziging is gelegen in het feit dat [minderjarige] bij het maken van de afspraak over de zorgregeling nog een jonge baby was. Inmiddels heeft hij zich ontwikkeld tot een peuter. Dat leidt ertoe dat de zorgbehoefte van [minderjarige] anders is en hij ook in staat moet worden geacht om wat langer bij elke ouder te verblijven. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen in zijn verzoek.
De vader verzoekt een zorgregeling waarbij [minderjarige] doordeweeks van dinsdagmiddag tot donderdagochtend en om het weekend bij hem verblijft. De moeder wil dat de huidige zorgregeling wordt vastgelegd. Zij vindt dat deze zorgregeling duidelijkheid geeft en recht doet aan de situatie, waarbij zij ook gedurende de relatie de primaire verzorger was. Zoals ook door de Raad op de zitting is benadrukt, is een kind er echter bij gebaat om zoveel mogelijk tijd door te brengen met beide ouders. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de uitbreiding van de zorgregeling met één dag niet mogelijk is. De rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige] en zal het verzoek van de vader daarom toewijzen, met dien verstande dat hij [minderjarige] op dinsdag om 17.00 uur ophaalt in plaats van 16.00 uur. Op die manier is het ophaaltijdstip steeds gelijk, zodat hierover geen verwarring kan ontstaan.
Verdeling van de vakanties en feestdagen
Naast een wijziging van de reguliere zorgregeling verzoekt de vader ook om de vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen. Hij wil de vakanties en feestdagen graag bij helfte verdelen. De moeder is het hiermee niet eens. Zij heeft gesteld dat het geen nut heeft om de schoolvakanties te verdelen, terwijl het nog twee jaar duurt voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat. De moeder is wel bereid om met de vader in overleg te gaan wanneer de vader in overleg een week met [minderjarige] vakantie wil vieren. Evenals de moeder vindt de rechtbank het op dit moment te vroeg om de (school)vakanties te verdelen. De schoolgang van [minderjarige] is nog te ver in de toekomst gelegen om daar nu al en definitieve beslissing over te kunnen nemen. De rechtbank acht partijen -gelet op de verbeterde verstandhouding- verder goed in staat om zelf afspraken te maken over verdeling van de feestdagen. De rechtbank geeft partijen in overweging om een verdeling voor de feestdagen voor het hele jaar vast te leggen met een wisseling tussen even en oneven jaren zoals door de vader voorgesteld, zodat daar niet steeds over onderhandeld hoeft te worden.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van het verzoekschrift, omdat de vader vanaf dit moment in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] .
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 392,- per maand bedraagt per 2024, het jaar waarin partijen uit elkaar zijn gegaan.
Verdiencapaciteit
Partijen hebben over en weer gesteld dat de ander in het kader van de berekening van de draagkracht een onbenutte verdiencapaciteit heeft. De rechtbank zal aan de zijde van de moeder geen onbenutte verdiencapaciteit aannemen. Gebleken is dat de moeder op dit 19,25 uur per week bij een huisartsenpraktijk werkt. Zij heeft op de zitting toegelicht dat er op haar werk pas meer uren beschikbaar komen, zodra een collega met pensioen gaat. Daarnaast draagt de moeder – ook bij de gewijzigde zorgregeling – het merendeel van de zorg voor [minderjarige] , zodat van haar (mede gelet op zijn jonge leeftijd) op dit moment niet kan worden verwacht dat zij meer uren gaan werken. Op termijn zal dit echter mogelijk anders zijn.
Aan de zijde van de vader zal de rechtbank wél meer verdiencapaciteit aannemen. Hoewel de vader met de gewijzigde zorgregeling meer zorg gaat dragen, is hiermee maar één volledige doordeweekse dag gemoeid. De vader kan in ieder geval op de overige vier werkdagen werken en daarnaast mogelijk ook in het weekend, gelet op zijn werk als verhuisliftchauffeur. Naar oordeel van de rechtbank mag daarom van de vader worden verwacht dat hij meer uren gaat werken dan nu het geval is. Gelet op de huidige arbeidsmarkt kan daarbij van de vader ook worden verwacht dat hij eventueel buiten zijn huidige werkgever aanvullende werkzaamheden zoekt. De rechtbank zal daarom uitgaan van een fictief inkomen aan de zijde van de vader, zoals in het navolgende nader te bespreken.
Draagkracht van de moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.891,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van (gemiddeld genomen) € 1.514,- per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 192,- per maand en de bijdrage Sociaal Fonds Huisartsenzorg van € 2,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.467,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.065,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.270,-) gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.467 – (740 + 1.270)] = € 320,- per maand.
Draagkracht van de vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een (fictief) inkomen van € 20.000,- per jaar, ongeveer gelijk aan een inkomen bij een werkweek van 28 uur en zijn inkomen in 2024 inkomen van € 1.195,- bruto per maand. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, acht de rechtbank het redelijk om van de vader te verwachten dat hij dit inkomen genereert. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 1.634,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.815,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel 2024 in beginsel een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. Echter, op de zitting is gebleken dat de werkelijke woonlasten van de vader op dit moment lager zijn dan het forfaitaire percentage van 30% van het NBI. De vader woont op dit moment bij zijn vader in en betaalt een bijdrage van € 200,- per maand. Aangezien daarmee aan de zijde van de vader sprake is van duurzaam en aanmerkelijke lagere woonlasten, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht uitgaan van de volgende formule: 100% x [NBI – (200 + 1.220)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 100% x [1.634 – (200 + 1.220)] = € 214,- per maand. De rechtbank wijst er daarbij wel op dat indien de vader een eigen woning zal vinden en zijn woonlasten veranderen, partijen opnieuw in gesprek zullen moeten gaan over de verdeling van de kosten van [minderjarige] .
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 534,- per maand (€ 320 + € 214). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] van € 392,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 214 / 534 x 392 = € 157,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 320 / 534 x 392 = € 235,-
samen € 392,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 157,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 235,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld minder dan drie dagen per week omgang heeft de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 98,- per maand (25% van € 392,-).
Aandeel onderhoudsplichtige
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 59,- per maand (€ 157 -/- € 98). De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat [minderjarige] – met wijziging van de onderling overeengekomen zorgregeling – bij de vader zal zijn:
in de oneven weken: van dinsdag 17.00 uur tot donderdag 08.00 uur;
in de even weken: van dinsdag 17.00 uur tot donderdag 08.00 uur en van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 12 november 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 59,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
en verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
14 augustus 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...