ECLI:NL:RBDHA:2026:8614 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL26.16503
Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, artikel 64 Vw 2000, luchtruim Irak dicht, voortvarendheid, lichter middel, ongegrond.
6 min de lecture · 1,234 mots
Inhoudsindicatie. Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, artikel 64 Vw 2000, luchtruim Irak dicht, voortvarendheid, lichter middel, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16503
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
De minister heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 januari 2026.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op 24 maart 2026 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 1 april 2026 een kennisgeving van het voortduren van de maatregel van bewaring ingediend.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door een waarnemer van zijn gemachtigde, mr. M.A.M. Karsten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 januari 2026) rechtmatig is.
Bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Ten eerste omdat hij uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft aangevraagd. In deze procedure is een BMA-advies afgegeven waaruit blijkt dat een medische noodsituatie wordt verwacht binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wanneer eiser geen behandeling meer krijgt voor zijn psychische klachten. Eiser betwist dat behandeling voor hem beschikbaar is in Irak. Uit het BMA-advies volgt ook dat eiser bij uitzetting dient te worden overgedragen aan een behandelaar ter plaatse en dat hij tijdens de reis moet worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige. Eiser meent dat deze voorwaarden niet binnen een korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Hierbij speelt mee dat uit het M120-formulier blijkt dat er al twee keer een vlucht is geannuleerd vanwege medische omstandigheden.
Ten tweede zit het luchtruim van Irak op dit moment dicht in verband met de ontwikkelingen in de oorlog in Iran. Gelet op de ontwikkelingen zal de sluiting langdurig zijn.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van de Vw 2000 niet relevant is voor de toetsing van de maatregel van bewaring. Dit ziet namelijk op een aparte procedure die los staat van eisers inbewaringstelling. Daarbij heeft de minister op de zitting toegelicht dat de reisvoorwaarden zoals deze volgen uit het BMA-advies wel binnen een redelijke termijn gerealiseerd kunnen worden. De rechtbank is niet gebleken dat op voorhand kan worden geconcludeerd dat niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan of dat de minister hierin zal tekortschieten. Eiser heeft dit ook niet concreet weersproken.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het gesloten luchtruim van Irak niet maakt dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De minister heeft toegelicht dat sprake is van een tijdelijk beletsel. Hoewel de situatie op dit moment onduidelijk is, zijn er geen aanwijzingen dat het luchtruim niet binnen een redelijke termijn weer opengaat. De minister heeft op de zitting toegelicht dat dit aspect zwaarder mee gaat wegen naarmate de bewaring langer duurt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser betoogt ook dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat er nog geen nieuwe vlucht gepland staat. Daarnaast heeft de minister geen aantoonbare maatregelen genomen die maken dat eiser in lijn met het BMA-advies kan terugkeren naar Irak.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Sinds het sluiten van het vorige onderzoek zijn er meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd, namelijk op 19 februari 2026 en op 3 april 2026. Ook heeft de minister toegelicht dat er nog geen nieuwe vlucht gepland staat, omdat hij nog in afwachting is van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij graag wil terugkeren naar Irak. Dit blijkt ook uit het laatste vertrekgesprek. Ook speelt eisers medische situatie hierbij een rol. Eiser heeft contact met zijn broer in Erbil waar hij tijdelijk opgevangen kan worden als hij terugkeert. Aan hem dient een meldplicht opgelegd te worden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkgesteld wordt met de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat deze medische zorg in de situatie van eiser ontoereikend is. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat aan hem een lichter middel opgelegd moet worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1250.
- Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
- Bureau Medische Advisering.
- Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...