ECLI:NL:RBGEL:2025:11816 Rechtbank Gelderland , 24-03-2025 / 05/012748-24 en 05/089306-24 (ttz. gev.)
Opw. Voorbereiden van de handel in cocaïne en heroïne en het vervoeren van deze middelen. Taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
22 min de lecture · 4,810 mots
Inhoudsindicatie. Opw. Voorbereiden van de handel in cocaïne en heroïne en het vervoeren van deze middelen. Taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/012748-24 en 05/089306-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak : 24 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. S.J. van der Aart, advocaat in Koog aan de Zaan.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Onder parketnummer 05/012748-24:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2022 t/m 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
– zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
– voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
– een hoeveelheid cocaïne en/of
– meerdere (deal)telefoon(s) en/of
– een auto en/of
– (meerdere bundels) contant briefgeld in verschillende coupures voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Onder parketnummer 05/089306-24:
1
hij op of omstreeks 25 februari 2023 te Putten en/of Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
– zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
– voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
– (wikkels en/of bolletjes) cocaïne en/of (bolletjes) heroïne en/of
– een (dealer)telefoon en/of
– een stapel biljetten (totaal € 3340) en/of
– een (huur)auto voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 25 februari 2023 te Putten en/of Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 19,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4,97 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne; (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Inzake feit 1 van parketnummer 05/089306-24
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het feit. Het valt namelijk binnen de periode die onder feit 1 primair van parketnummer 05/012748-24 bewezen kan worden verklaard. Als beide feiten bewezen worden verklaard, zou sprake zijn van dubbele bestraffing.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van het feit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat feit 1 primair van parketnummer 05/012748-24 – kort gezegd – ziet op de handel in cocaïne in de periode van 1 juli 2022 tot en met 1 maart 2023 te Nijkerkerveen en/of Barneveld. Het feit waarop het verweer van de verdediging ziet, betreft het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne op 25 februari 2023 te Putten en/of Apeldoorn.
De beide verdenkingen zien dus op twee verschillende pleegplaatsen. Daardoor kan bij bewezenverklaring niet worden gezegd dat het ne bis in idem-beginsel wordt geschonden, omdat verdachte niet tweemaal wordt gestraft voor hetzelfde feit.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onderhavige feit.
3Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2 van parketnummer 05/012748-24 en aan feit 2 van parketnummer 05/089306-24.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 van parketnummer 05/089306-24.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 primair er, gelet op de verklaring van de verdachte, slechts tot een bewezenverklaring gekomen kan worden van de periode van februari tot en met 1 maart 2023. Over deze periode heeft de verdachte bekent dat hij zich bezighield met de handel in cocaïne.
Beoordeling door de rechtbank
Parketnummer 05/012748-24
Feit 1 primair
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 52-56;
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 86 en 95-100;
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 102 en 107-108;
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 139 en 141;
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 144-147;
– de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
De pleegperiode
Bij de aanhouding van verdachte is in zijn jaszak een telefoon aangetroffen. Hierop zijn gesprekken aangetroffen waaruit blijkt dat er vanaf 1 februari 2023 cocaïne wordt verhandeld door de eigenaar van de telefoon. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard dat hij begin 2023 begon met de handel in cocaïne, waarmee hij zich drie maanden lang heeft bezig gehouden. Anders dan de raadsvrouw, neemt de rechtbank 1 januari 2023 als aanvang van de periode, en acht gelet daarop, bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 maart 2023 meermaals heeft gehandeld in cocaïne. Van het overige zal verdachte worden vrijgesproken.
Medeplegen
Op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] is een Signal-gesprek aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte] ’ en ‘ [verdachte] ’. Verdachte heeft verklaard dat hij [verdachte] is en de politie heeft vastgesteld dat [medeverdachte] medeverdachte [medeverdachte] is. Ze spreken middels versluierd taalgebruik over cocaïne en spreken op 1 maart 2023 af bij de [adres] in Nijkerkerveen. Dat is in de buurt van de locatie waar verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en medeverdachte [medeverdachte] uiteindelijk zijn aangehouden. Bovendien hadden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] diezelfde dag tussen 8:14 uur en 9:18 uur meer dan tien keer telefonisch contact met elkaar. Daarnaast heeft de politie waargenomen dat verdachte die ochtend bij medeverdachte [medeverdachte] , toen ze naast elkaar op de locatie bij de [adres] stonden geparkeerd, is ingestapt. Vervolgens zag de politie handelingen tussen hen die erop leken dat er zaken werden overgegeven.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 52-56;
– het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 182-186;
– het NFI-rapport, p. 205;
– het NFI-rapport, p. 206;
– het NFI-rapport, p. 207;
– het NFI-rapport, p. 208;
– het NFI-rapport, p. 209;
– de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
Medeplegen
De rechtbank constateert dat aan medeverdachte [medeverdachte] het vervoeren, dan wel het bezit, van een andere hoeveelheid cocaïne ten laste is gelegd dan aan verdachte, terwijl medeverdachte [medeverdachte] wordt vrijgesproken van deze verdenking. Daarom spreekt de rechtbank hem vrij van het tenlastegelegde medeplegen.
Parketnummer 05/089306-24
Feit 1
De bewijsmiddelen
Op 25 februari 2023 reed verdachte te Putten in een Kia Ceed, waarvan de tenaamgestelde [bedrijf] betreft. Dit is een verhuurmaatschappij. Toen een verbalisant hem een stopteken gaf, zette verdachte de auto stil. Vervolgens zag de verbalisant dat verdachte drie papieren wikkels in zijn hand hield. In de middenconsole van de auto lag een stapel biljetten van 50, 20, 10 en 5 euro. Het ging in totaal om € 3.340,-. Toen verdachte op het arrestantencomplex gefouilleerd werd, vielen er drie zakjes uit zijn onderbroek. Hierin zaten 25 wikkels en 21 bolletjes. De wikkels en bolletjes zijn onderzocht en bleken verdovende middelen te bevatten, in totaal 19,64 gram cocaïne in wikkels en bolletjes en 4,97 gram heroïne in bolletjes.
Verdachte was tijdens zijn aanhouding in het bezit van een mobiele telefoon, te weten een iPhone 12 mini. Hierop werden verschillende gesprekken aangetroffen, waarin middels versluierd taalgebruik wordt gesproken over de handel in verdovende middelen.
Verdachte heeft verklaard dat hij de huurauto mee had gekregen om er drugs mee te kunnen dealen. De verdovende middelen die bij zijn aanhouding bij hem zijn aangetroffen, had hij bij zich en hij was onderweg om die af te geven. Het geld dat in de auto is aangetroffen, was de opbrengst van de verkoop van verdovende middelen. Hij had verder een iPhone mini bij zich. Dit was een dealer-telefoon waarmee hij een aantal gesprekken heeft gevoerd die gingen over de handel in verdovende middelen.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte wikkels en bolletjes cocaïne en bolletjes heroïne, een dealertelefoon, een stapel biljetten van in totaal € 3.340,- en een huurauto voorhanden had.
In samenhang bezien met de eigen verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel hij zichzelf hiermee gelegenheid en middelen heeft geprobeerd te verschaffen tot het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en heroïne en dat hij voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De rechtbank overweegt verder dat er tijdens de fouillering van verdachte op het arrestantencomplex in Apeldoorn verdovende middelen zijn aangetroffen, maar dat deze al in zijn onderbroek moeten hebben gezeten tijdens zijn aanhouding in Putten. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd in Putten en spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde voor zover het in Apeldoorn zou zijn gepleegd.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
– het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 8-9;
– het proces-verbaal van bevindingen, p. 14;
– het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 40-45;
– het NFI-rapport, p. 48;
– het NFI-rapport, p. 49;
– het NFI-rapport, p. 50;
– het NFI-rapport, p. 51;
– het NFI-rapport, p. 52;
– het NFI-rapport, p. 53;
– het NFI-rapport, p. 54;
– de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
4De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 van parketnummer 05/012748-24 en het onder 1 en 2 van parketnummer 05/089306-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Onder parketnummer 05/012748-24:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 t/m 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Onder parketnummer 05/089306-24:
1
hij op of omstreeks 25 februari 2023 te Putten en/of Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
– zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
– voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
– (wikkels en/of bolletjes) cocaïne en/of (bolletjes) heroïne en/of
– een (dealer)telefoon en/of
– een stapel biljetten (totaal € 3340) en/of
– een (huur)auto voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 25 februari 2023 te Putten en/of Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 19,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4,97 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Parketnummer 05/012748-24:
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt.
Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 05/089306-24:
De rechtbank is ook hier met de verdediging van oordeel dat met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt.
Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
6De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
7De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de oudheid van de tenlastegelegde feiten, de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt en het feit dat hij sindsdien niet nog eens met politie en justitie in aanraking is gekomen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde is. Verder heeft ze aangevoerd dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is, gelet op de kortere periode die bewezen kan worden verklaard en het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om geen bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals door de reclassering geadviseerd. Deze zijn niet meer nodig.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het voorbereiden van de handel in cocaïne en heroïne en het vervoeren van deze middelen. Verdachte is in korte tijd tweemaal aangehouden voor deze feiten. De eerste aanhouding op 23 februari 2023 heeft hem geenszins laten afschrikken. Nog geen week later werd hij namelijk opnieuw aangehouden voor dezelfde feiten. Dit terwijl hij eerder, in september 2022, ook al voor dergelijke feiten was aangehouden. Al met al heeft verdachte heeft zich drie maanden weer bezig gehouden met de handel in harddrugs.
Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen ontzettend slecht zijn voor de volksgezondheid. De handel hierin houdt een netwerk van criminaliteit in stand en gaat vaak gepaard met ander strafbaar gedrag, zoals geweld. Daarom wordt er door politie en justitie hard tegen drugscriminaliteit opgetreden. Het wordt verdachte aangerekend dat hij zich hiermee heeft ingelaten.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte, d.d. 30 januari 2025, blijkt dat hij op 13 december 2023 door de politierechter in Gelderland is veroordeeld wegens het overtreden van de Opiumwet; de zaak aangaande de aanhouding in september 2022. Deze zaken hadden ook op die zitting kunnen worden behandeld, zodat artikel 63 Sr van toepassing is.
Reclassering Nederland heeft op 16 augustus 2024 een advies over verdachte uitgebracht. Ten tijde van de verdenking zat verdachte in de ziektewet, waardoor hij niet kon werken. Zijn inkomen is hierdoor aanzienlijk afgenomen. Vanuit zijn netwerk in Nijkerk had hij voldoende contacten om via een drugstransport wat bij te verdienen.
De reclassering ziet echter dat verdachte zich sindsdien in wil zetten voor zijn gezin en zijn in 2024 geboren dochtertje, waarbij hij zijn verantwoordelijkheid wil oppakken. Als zzp’er heeft hij dagbesteding en een inkomen, al is dit afhankelijk van de opdrachten die hij krijgt. Als dit allemaal volgens de wens van verdachte verloopt, zijn dit risicoverlagende factoren. Desondanks voorziet de reclassering een risico op recidive ten aanzien van drugsgerelateerde delicten indien zijn inkomsten tegenvallen. Om die reden adviseert de reclassering bijzondere voorwaarden die gericht zijn op het creëren van meer stabiliteit en het monitoren/beheersen van het middelengebruik geïndiceerd en wel de volgende bijzondere voorwaarden:
meldplicht bij de reclassering;
dagbesteding;
meewerken aan schuldhulpverlening;
meewerken aan middelencontrole en eventuele ambulante behandeling.
Conclusie
Alles afwegende, en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is.
De rechtbank acht het echter niet wenselijk dat de goede weg die verdachte heeft ingeslagen, wordt doorkruist. Daarnaast houdt de rechtbank met de minimale overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval dan ook onwenselijk. Tegelijkertijd ziet de rechtbank geen ruimte voor een geheel voorwaardelijke straf, nu de rechtbank ook feit 1 van parketnummer 05/089306-24 bewezen heeft verklaard. Ondanks dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van meer feiten dan de officier van justitie, zijn een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.
Verdachte en zijn raadsvrouw hebben aangevoerd dat bijzondere voorwaarden en toezicht door de reclassering niet meer nodig zijn, omdat verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. De rechtbank acht het echter van belang dat verdachte steun krijgt bij het vervolgen van de door hem ingeslagen weg. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de bijzondere voorwaarden niet per se de hele proeftijd hoeven te gelden, maar slechts zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarom zal de rechtbank toch de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.
9De beoordeling van het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het geld en de telefoons, die onder verdachte in beslag zijn genomen, verbeurd worden verklaard, omdat deze zijn gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de volgende goederen:
het bedrag van € 491,05,
het bedrag van € 1.470,-,
het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930554),
het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930555),
het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930558),
het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023086759-G2928015) en
het bedrag van € 3.340,-
met betrekking tot welke feit 1 primair van parketnummer 05/012748-24 en feit 1 van parketnummer 05/089306-24 zijn begaan, verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
10De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
– 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
– 2, 10 en 10a van de Opiumwet;
11De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
– verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem;
– verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het (vinden en) behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo lang als de reclassering dat nodig vindt;
– verdachte de reclassering gedurende de proeftijd inzicht geeft in zijn financiën en schulden en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en, indien nodig, het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, zo lang als de reclassering dat nodig vindt;
– verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het gebruik van alcohol en drugs te leren beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Indien uit controles blijkt dat verdachte zijn middelengebruik niet onder controle heeft en de reclassering het, met het oog op recidiverisicobeheersing, noodzakelijk vindt dat hij zich hiervoor (ambulant) laat behandelen, zal verdachte hier zijn medewerking aan verlenen;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de gestelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
– meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
– meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
o het bedrag van € 491,05,
o het bedrag van € 1.470,-,
o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930554),
o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930555),
o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023093002-G2930558),
o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2023086759-G2928015) en
o het bedrag van € 3.340,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en
mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2025.
Mr. Brinkman en mr. Aalbers zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023094279, gesloten op 25 augustus 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023087015, gesloten op 20 juli 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 8-9.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.
- Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 40-45 en NFI-rapporten, p. 48-54.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 18-19 en proces-verbaal van bevindingen, p. 33-35.
- De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...