Pays-Bas Rechtbank Gelderland Fiscal 24 3 月 2025 N° 05/012749-24 en 05/244255-24 (ttz. gev.); 22/005141-19 (tul) NL

ECLI:NL:RBGEL:2025:11819 Rechtbank Gelderland , 24-03-2025 / 05/012749-24 en 05/244255-24 (ttz. gev.); 22/005141-19 (tul)

Opw. Voorbereiden van de handel in cocaïne en vervoer van cocaïne. Taakstraf 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Source officielle

19 min de lecture 3,981 mots

Inhoudsindicatie. Opw. Voorbereiden van de handel in cocaïne en vervoer van cocaïne. Taakstraf 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/012749-24 en 05/244255-24 (ttz. gev.); 22/005141-19 (tul)

Datum uitspraak : 24 maart 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]
,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

Raadsman: mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer 05/012749-24:

1.

hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

– zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
– voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit, te weten
– een hoeveelheid cocaïne en/of
– meerdere telefoons en/of prepaidkaarten en/of
– een auto en/of
– contant briefgeld (in verschillende coupures) voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Onder parketnummer 05/244255-24:

1.
hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Putten, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
– een (of meerdere) telefoon(s) en/of
– een (huur)auto en/of
– een hoeveelheid cocaïne en/of
– een contant geldbedrag (biljetten en/of munten);

2

hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Putten, althans in Nederland, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 11,94 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 05/012749-24 feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de tenlastegelegde feiten vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte was enkel aanwezig in een auto, had geen wetenschap van de eventueel aanwezige verdovende middelen en uit het dossier blijkt niet dat hij voorafgaand aan zijn aanhouding contact heeft gehad met de medeverdachten die tevens zijn aangehouden.

Beoordeling door de rechtbank

Op 1 maart 2023 ziet de politie verdachte, samen met een tweede persoon rijden in zijn witte Volkswagen Polo in Nijkerkerveen. De politie ziet dat verdachte de auto op een lokale, doodlopende parkeerplaats bij een sporthal parkeert. Vervolgens zien de agenten dat er een auto naast wordt geparkeerd. Dit blijkt medeverdachte [medeverdachte 1] (verder [medeverdachte 1] ) te zijn. Hierna stapt de bijrijder van verdachte, dit blijkt medeverdachte [medeverdachte 2] (verder [medeverdachte 2] ) te zijn, uit de Volkswagen Polo en gaat bij [medeverdachte 1] in de auto zitten. De politie neemt waar dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] iets aan elkaar overgeven. Na ongeveer twee minuten stapt [medeverdachte 2] uit en gaat weer bij verdachte in de auto zitten. Hierna worden verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden.

Verdachte is gefouilleerd en zijn auto is doorzocht. Hierbij worden drie telefoons, 7 nieuwe prepaid kaarten van LycaMobil en een bedrag van € 395,- aangetroffen. Eén telefoon bleek na onderzoek door de politie geen recente informatie te bevatten. De twee andere telefoons waren niet te kraken en konden daardoor niet worden uitgelezen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, met zijn eigen auto, samen met [medeverdachte 2] naar Nijkerkerveen was gereden om te chillen.

De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie bekend was, omdat hij al vaker was aangehouden in verband met de handel in drugs. Daarnaast bevond hij zich in gezelschap van een persoon die ook als zodanig bij de politie bekend was. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte spullen bij zich had die zouden kunnen duiden op betrokkenheid bij de handel in drugs, te weten meerdere telefoons, nieuwe (ongebruikte) prepaid kaarten en een grote hoeveelheid contact geld in kleine coupures.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte op dat moment ook daadwerkelijk bezig was met de tenlastegelegde voorbereidende handelingen voor de verkoop van drugs. De rechtbank overweegt daartoe dat twee van de telefoons die bij verdachte zijn aangetroffen niet konden worden uitgelezen, waardoor niet kan worden vastgesteld dat deze telefoons op die dag zijn gebruikt voor de handel in drugs. De derde telefoon bleek geen relevante informatie te bevatten.

Daarnaast bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om verdachte in verband te brengen met de overdacht van vermoedelijk drugs tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de auto van die [medeverdachte 1] . Enkel de aanwezigheid van verdachte op die parkeerplaats en het gebruik van zijn auto zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit verband te kunnen onderbouwen. Ook de aanwijzingen dat verdachte onder de naam de [naam] een aansturende rol zou hebben gehad, zoals door de politie wordt aangegeven, zijn onvoldoende concreet onderbouwd om hieruit af te leiden dat verdachte op dat moment bezig was met voorbereidende handelingen voor de verkoop van drugs. Volgens de rechtbank is dan ook onvoldoende gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] in de verkoop van drugs.

Daarnaast biedt het dossier volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte kennis had van de drugs die zijn aangetroffen in de broek van [medeverdachte 2] en dat hij deze daardoor opzettelijk heeft vervoerd. De politie trof de drugs aan in een plastic zak in de voorzijde van de broek van [medeverdachte 2] . Het bovenste gedeelte van de plastic zak, welke waarschijnlijk was afgescheurd, stak nog uit het middenconsole in de auto.

De officier van justitie gaat uit van het scenario dat [medeverdachte 2] , op het moment dat de actie van de aanhouding begon, de zak, in het bijzijn van verdachte, kapot heeft gescheurd toen hij deze in de haast in zijn broek verstopte. Aangezien er nog een deel van de zak uit zijn broeksband stak, zouden de drugs voor verdachte zichtbaar zijn geweest. Het is volgens de officier van justitie daarom aannemelijk dat verdachte geheel op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs. De rechtbank constateert echter dat, enkel op basis van dit mogelijke scenario, onvoldoende vast te stellen is dat verdachte inderdaad wetenschap had van de drugs die [medeverdachte 2] bij zich droeg Deze waren bij de aanhouding immers niet zichtbaar bij [medeverdachte 2] aanwezig. Ook blijkt niet uit het dossier vanaf welk moment de drugs in de broek van [medeverdachte 2] hebben gezeten en in hoeverre verdachte de drugs kon hebben gezien. De rechtbank betrekt hierbij de verklaring van verdachte ter zitting dat hij niet heeft gezien dat [medeverdachte 2] een plastic zak in zijn broek heeft gedaan of een stuk daarvan had afgescheurd.

Gelet op het voornoemde bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op 1 maart 2023 bezig was met het voorbereiden van de handel in drugs en dat hij de drugs die zijn aangetroffen bij medeverdachte [medeverdachte 2] in een nauwe en bewusten samenwerking met hem opzettelijk heeft vervoerd.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de feiten zoals tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en zal verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastegelegde feiten.

Parketnummer 05/244255-24

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 van dit parketnummer vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich heeft bezig gehouden met het voorbereiden van de handel in verdovende middelen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen verweer gevoerd omdat verdachte erkent de drugs bij zich te hebben gehad.

Feit 1

Op 30 mei 2024 reed verdachte in een zwarte Peugeot 108 op [adres] in Putten. Op aangeven van de politie parkeerde verdachte de auto. Toen de verbalisant het zijportier openende en hem aansprak, maakte verdachte een gespannen indruk en zijn handen trilden. De verbalisant zag dat het leek alsof hij iets wegstopte in zijn kleding bij zijn kruis. In het middelconsole van de auto zag de verbalisant een stapel dubbel gevouwen geldbiljetten. In totaal had verdachte € 835,20 bij zich, overwegend in biljetten van 10, 20 en 50 euro. Verdachte haalde vervolgens een sigarettenpakje uit zijn broek dat verstopt zat in de buurt van zijn kruis. In dit pakje zaten tientallen witte wikkels. In totaal betrof het 21 wikkels. Bij de fouillering van verdachte in het arrestantencomplex, werd in zijn vest een, tot ponypack gevouwen papier aangetroffen met daarin een wit korrelig poeder. De wikkels en het poeder in de ponypack zijn onderzocht en bleken verdovende middelen te bevatten. In totaal betrof het 11,94 gram cocaïne. Tevens zijn de twee telefoons die verdachte bij zich had in beslag genomen. Deze telefoons zijn niet verder onderzocht.

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto had geleend van een vriend die de auto had gehuurd. Hij was onder invloed van cocaïne en was op weg naar een prostituee om seks mee te hebben en samen drugs te gebruiken. Het geld had hij meegenomen om hiervoor te betalen en bij zijn dealer had hij een extra hoeveelheid drugs aangeschaft.

De beoordeling door de rechtbank

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte 21 wikkels met cocaïne, twee telefoons, een grote hoeveelheid contact geld en een huurauto voorhanden had. De grote hoeveelheid wikkels met cocaïne die verdachte bij zich had is een sterke aanwijzing dat deze bedoeld waren voor de verkoop. De verklaring van verdachte dat hij deze wikkels enkel voor eigen gebruik bij zich had, vindt de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Daarnaast zijn het gebruik van een huurauto en de grote hoeveelheid contact geld die verdachte bij zich had in kleine coupures, in combinatie met de aangetroffen wikkels, een indicatie voor de handel in drugs. De verklaring van verdachte dat hij het geld bij zich had om seks te gaan hebben met een prostituee maakt dit niet anders. Dit sluit geenszins uit dat het geldbedrag in deze coupures te maken heeft met de handel in drugs. Daarbij komt dat zijn verklaring verder ook niet aannemelijk is geworden. Ook bevond verdachte zich op dat moment op een locatie die bekend staat als een dealerlocatie en is verdachte al meerdere malen veroordeeld voor de handel in verdovende middelen. De rechtbank acht op basis van het voornoemde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

– het proces-verbaal van bevindingen, p. 15-16;

– het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 25-29;

– het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 32-34;

– het NFI-rapport, p. 30;

– het NFI-rapport, p. 31;

– het NFI-rapport, p. 35;

– de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.

3De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 van parketnummer 05/244255-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.
hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Putten, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
– een (of meerdere) telefoon(s) en/of
– een (huur)auto en/of
– een hoeveelheid cocaïne en/of
– een contant geldbedrag (biljetten en/of munten);

2.
hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Putten, althans in Nederland, opzettelijk
heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 11,94 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen een verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt.

Het bewezenverklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

5De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide parketnummers zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te geven om de positieve ontwikkeling die verdachte nu heeft ingezet niet te doorkruisen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het voorbereiden van de handel in cocaïne. Daarnaast heeft hij op deze dag de cocaïne vervoerd.

Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen zeer slecht en schadelijk zijn voor de volksgezondheid. De handel hierin houdt een netwerk van criminaliteit in stand en gaat vaak gepaard met ander strafbaar gedrag, zoals geweld. Daarom wordt er door politie en justitie hard tegen drugscriminaliteit opgetreden.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, d.d. 5 februari 2025. Daaruit volgt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het wordt verdachte aangerekend dat hij zich wederom en voor de zoveelste keer met deze handel heeft ingelaten. Kennelijk heeft verdachte geen lering getrokken uit eerdere veroordelingen want het heeft hem niet weerhouden om onderhavige feiten te plegen. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

Verdachte lijkt zijn leven inmiddels beter op de rit te hebben. Hij richt zich immers op het creëren van een stabiele situatie voor hem en zijn nieuwe vriendin, waarmee hij ook een kindje verwacht. Daarnaast is hij is bezig met het opstarten van zijn eigen bedrijf. Hij genereert daarmee momenteel voldoende inkomsten. Tevens heeft hij hulp gezocht voor zijn alcohol en drugsverslaving en is hij gestopt met gebruiken. Hij krijgt nu behandeling via Jellinek.

Conclusie

Alles afwegend en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de ernst van het feiten en het feit dat verdachte zich, ondanks de vele eerdere veroordelingen, opnieuw heeft ingelaten met de handel in verdovende middelen, acht de rechtbank in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Omdat dit echter de positieve ontwikkeling die verdachte heeft ingezet te veel zou doorkruisen, acht zij dit niet wenselijk. In plaats daarvan veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Dit dient als stok achter de deur om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

De rechtbank sluit hiermee aan bij de straf zoals geëist door de officier van justitie. Ondanks het feit dat de rechtbank verdachte voor een deel van de tenlastegelegde feiten vrijspreekt, acht zij deze straf passend en geboden.

8De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 22/005141-19)

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 26 oktober 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich beide op het standpunt gesteld dat het OM niet-ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf. Deze is namelijk eerder, op 24 april 2024 bij parketnummer 05/287212-23 volledig ten uitvoer gelegd.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de vordering al geheel ten uitvoer is gelegd en is van oordeel dat het OM in de vordering tot tenuitvoerlegging niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

9De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de auto, het geld en de telefoons, die onder verdachte in beslag zijn genomen, verbeurd worden verklaard, omdat deze zijn gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om teruggave van de goederen aan verdachte omdat dit niet in verhouding staat tot het feit en dit een te zware financiële belasting voor verdachte is.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal van de volgende goederen:

het bedrag van € 30,-,

het bedrag van € 365,-,

de personenauto (een witte Volkswagen met kenteken [kenteken] )

de teruggave aan rechthebbende (te weten verdachte) gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Verdachte is immers voor de feiten onder parketnummer 05/012749-24 vrijgesproken.

De rechtbank zal het volgende goed:

– het bedrag van € 835,20

met betrekking tot welke feit 1 van parketnummer 05/244255-24 is begaan, verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal de teruggave van de volgende goederen:

het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2024248164-G3223240),

het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2024248164-G3223239),

aan rechthebbende (te weten verdachte) gelasten nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Immers kan niet worden vastgesteld dat de feiten onder parketnummer 05/244255-24 met behulp van deze goederen zijn begaan.

10De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10, 10a van de Opiumwet.

11De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05/01274924 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarde:

 stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

o het bedrag van € 835,20,

 gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan de rechthebbende (verdachte):

o het bedrag van € 30,-,

o het bedrag van € 365,-,

o de personenauto (een witte Volkswagen met kenteken [kenteken] )

o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2024248164-G3223240),

o het telefoontoestel (voorwerpnummer PL0600-2024248164-G3223239),

 verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering van 10 februari 2025 onder parketnummer 22/005141-19 strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem van 26 oktober 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2025.

Mr. Brinkman en mr. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

  1. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024340690, gesloten op 22 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
  2. Proces-verbaal van bevindingen, p. 15-16.
  3. Proces-verbaal van bevindingen, p. 18.
  4. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 25-29 en p. 32-34 en NFI-rapporten, p. 30, 31, 35.
  5. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2025.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.