ECLI:NL:RBGEL:2025:2178 Rechtbank Gelderland , 06-03-2025 / 05.248799.24
Veroordeling van een man voor tweemaal een mishandeling en eenmaal een zware mishandeling van zijn vriendin. TUL afgewezen. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk deel bijzondere voorwaarden.
19 min de lecture · 4,127 mots
Inhoudsindicatie. Veroordeling van een man voor tweemaal een mishandeling en eenmaal een zware mishandeling van zijn vriendin. TUL afgewezen. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk deel bijzondere voorwaarden.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummers: 05/248799-24 en 05/210800-21 (TUL)
Datum uitspraak : 20 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] (Duitsland).
Raadsvrouw: mr. F.H.J. de Graaf, advocaat in Tilburg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 19 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
– in/op/tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen, en/of
– bij het/de be(e)n(en) vast te pakken en/of (terwijl voornoemde [slachtoffer] op een matras lag), zijn, verdachtes, knieën op haar be(e)n(en) te zetten en/vervolgens de armen van [slachtoffer] over/onder haar rug te doen/zetten/brengen en/of een deken over het hoofd van [slachtoffer] heen te doen en/of de benen (telkens) verder omhoog te brengen, en/of
– een kussen op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken/zetten en/of te houden;
feit 2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2023 tot en met 5 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met dat opzet (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de neus, althans het gezicht heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2023 tot en met 5 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de neus, althans het gezicht te stompen/slaan;
feit 3
hij op of omstreeks de periode 22 mei 2024 tot en met 31 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken
oogkas/orbitabodemfractuur en/of een gebroken neus en/of blijvend aangezichtsletsel, heeft toegebracht door (met kracht) op/tegen het oog, althans gezicht en/of hoofd, te stompen en/of voornoemde [slachtoffer] (met kracht) richting een tafel te duwen, waardoor [slachtoffer] met haar gezicht op een tafel is gevallen en voornoemd letsel heeft opgelopen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks de periode 22 mei 2024 tot en met 31 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) op/tegen het oog, althans gezicht en/of hoofd, te stompen en/of voornoemde [slachtoffer]
(met kracht) richting een tafel te duwen, waardoor [slachtoffer] met haar gezicht op de tafel is gevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken oogkas/orbitabodemfractuur en/of een gebroken neus en/of blijvend aangezichtsletsel ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 primair omdat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel. Verder is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel bij feit 3 primair, waardoor verdachte daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat het tenlastegelegde als één feit dient te worden gekwalificeerd, te weten: eenvoudige mishandeling in de periode eind september 2023 tot en met 9 juni 2024.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij en verdachte sinds augustus 2023 een relatie hadden. Verdachte verbleef regelmatig bij [slachtoffer] in haar woning in [plaats] . Veilig Thuis heeft van een (van de) hulpverlener(s) van [slachtoffer] , Icare, een overzicht gekregen van een vijftal door Icare geconstateerd en vastgelegd letsel van [slachtoffer] in de periode van 19 oktober 2023 tot en met 22 mei 2023, en onder meer het letsel van 19 oktober 2023 (blauwe plekken) is voorzien van door Icare gemaakte foto’s.
[slachtoffer] heeft op 19 juni 2024 aangifte van mishandeling gedaan en het volgende verklaard.
Eind september 2023 heeft verdachte [slachtoffer] met kracht met zijn vuist op haar bovenarm geslagen, waardoor zij een bloeduitstorting kreeg op haar bovenarm.
Midden november 2023 heeft verdachte [slachtoffer] op meerdere plaatsen van haar lichaam geslagen. Zij had hierdoor blauwe plekken op haar benen en op haar borstkas.
Op 7 december 2023 heeft verdachte [slachtoffer] op haar gezicht geslagen, waardoor haar lip is gaan bloeden. [slachtoffer] heeft toen haar moeder gebeld. De moeder van [slachtoffer] is haar komen ophalen samen met haar buurvrouw [getuige 1] .
Op 22 december 2023 heeft verdachte [slachtoffer] op haar hoofd geslagen waardoor zij een rode plek kreeg bij haar slaap. Hij heeft vervolgens krachtig haar benen vastgepakt. Zij lag op dat moment op een matras. Verdachte heeft zijn knieën op haar benen gedaan, pakte haar armen en deed deze op haar rug. Hij heeft een deken over haar hoofd gedaan en bracht haar benen verder omhoog zodat er meer rek op kwam en dit meer pijn deed.
Op 31 december 2023 heeft verdachte [slachtoffer] in haar gezicht geslagen. Vervolgens heeft hij een kussen gepakt en op haar gezicht gedrukt.
Op 8 april 2024 heeft verdachte [slachtoffer] met zijn vuist in haar gezicht geslagen. Hierdoor heeft [slachtoffer] een blauw oog opgelopen.
Op 4 mei 2024 heeft verdachte [slachtoffer] met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Hij is op haar gaan zitten heeft een kussen op haar gezicht gedrukt.
Op 9 juni 2024 is verdachte op [slachtoffer] gaan liggen en heeft hij haar hardhandig vastgepakt waardoor zij blauwe plekken had. Hij heeft haar toen ook geslagen.
[getuige 1] heeft verklaard dat zij en de moeder van [slachtoffer] op 7 december 2023 [slachtoffer] hebben opgehaald, omdat ze was geslagen door verdachte. De volgende dag zag [getuige 1] blauwe plekken op de arm van [slachtoffer] en [slachtoffer] vertelde haar dat dit door verdachte kwam.
Op 4 mei 2024 is de politie langsgekomen naar aanleiding van een melding van geschreeuw van het adres van [slachtoffer] . Meldster zou bewoonster horen schreeuwen en huilen. Verbalisanten hebben met verdachte en [slachtoffer] los van elkaar gesproken. [slachtoffer] heeft tegen verbalisanten verklaard dat verdachte haar heeft geslagen, verdachte heeft gezegd dat er een conflict was en dat er “over en weer” was geslagen.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] meerdere malen heeft geslagen op haar hoofd, gezicht en lichaam. Verdachte heeft verklaard dat hij zich de overige ten laste gelegde geweldshandelingen niet goed kan herinneren, maar dat [slachtoffer] de waarheid spreekt in haar aangifte.
De rechtbank stelt gelet op bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, het overzicht van Icare, de bevindingen van de politie en de getuigenverklaring van [getuige 1] .
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde mishandeling. Omdat niet is gebleken van enige geweldsincidenten ná 9 juni 2024 zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de periode van 10 juni 2024 tot en met 19 juni 2024. Nu verdachte niet op het adres van [slachtoffer] stond ingeschreven en op basis van de bewijsmiddelen ook overigens niet kan worden vastgesteld dat (destijds) sprake was van een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die van echtgenoten of geregistreerde partners wordt verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.
Feit 2
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij in oktober 2023 bij verdachte [verdachte] in een auto zat in [plaats] . Verdachte heeft [slachtoffer] al rijdend in de auto met een vuist in haar gezicht geslagen. Hij heeft hierbij haar neus geraakt en haar neus begon te bloeden. De dokter heeft tegen [slachtoffer] verteld dat haar neus gebroken was. [slachtoffer] heeft later tegen haar moeder verklaard dat verdachte haar neus heeft gebroken doordat hij haar, in de auto, heeft geslagen.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op of tegen haar neus heeft gestompt.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde onder feit 2
Hoewel [slachtoffer] door de vuistslag een gebroken neus heeft opgelopen, kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld met hoeveel kracht verdachte, al rijdend in een auto, [slachtoffer] heeft geslagen noch blijkt wat de mogelijke gevolgen van deze verwonding (zou kunnen) zijn. De rechtbank kan gelet hierop niet zonder meer vaststellen dat de kans dat [slachtoffer] door de vuistslag van verdachte zwaar letsel op zou lopen, aanmerkelijk te noemen is. Van (voorwaardelijke) opzet op zwaar lichamelijk letsel is dan ook geen sprake. De rechtbank is, zoals ook door de verdediging betoogd, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .
Het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2
Gelet op de verklaring van [slachtoffer] die wordt ondersteund door de verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] een vuistslag op haar neus heeft gegeven. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling. Opnieuw geldt dat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] toen kon worden aangemerkt als verdachtes levensgezel in de zin van artikel 304 Sr. Verder is niet komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer] in de onder 2 ten laste gelegde periode meermalen op haar neus of haar gezicht heeft geslagen. Van dat deel van de tenlastelegging zal verdachte daarom ook worden vrijgesproken.
Het primair tenlastegelegde onder feit 3
[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar op 22 mei 2024 met zijn vuist met kracht op haar oog heeft geslagen. [slachtoffer] heeft hierdoor haar oogkas gebroken en is hieraan geopereerd. [slachtoffer] moest eigenlijk drie dagen in het ziekenhuis verblijven, maar is na één dag weggegaan. Ten tijde van haar aangifte op 19 juni 2024 is haar oogkas nog opgezwollen. [slachtoffer] heeft tegen haar moeder verklaard dat zij door toedoen van verdachte haar oogkas heeft gebroken en in het ziekenhuis heeft gelegen. De arts heeft op 26 mei 2024 een gedislokeerde meerfragmentarische orbitabodemfractuur (oogkasbreuk) bij [slachtoffer] gediagnostiseerd. [slachtoffer] heeft een operatie ondergaan aan haar oogkasbreuk, waarbij de chirurg botsplinters heeft verwijderd en haar orbitabodem heeft gereconstrueerd.
Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens een ruzie [slachtoffer] heeft geslagen op haar oog en dat zij daardoor haar oogkas heeft gebroken.
Gelet op de verklaring van [slachtoffer] , die wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] met kracht een vuistslag heeft gegeven ten gevolge waarvan zij een orbitabodemfractuur heeft opgelopen. Door met een vuistslag met kracht op het oog te slaan heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Die kans heeft zich hier ook verwezenlijkt. [slachtoffer] heeft een operatie moeten ondergaan om botsplinters te verwijderen en haar oogkas te reconstrueren. Het letsel maakte een operatie noodzakelijk. De rechtbank is naar de aard van dit letsel van oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde zware mishandeling van [slachtoffer] .
De bewezenverklaarde feiten 1 en 2, subsidiair, zijn beide te kwalificeren als mishandeling. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de afzonderlijke tenlasteleggingen niet strijdig zijn met het ne bis in idem beginsel, omdat de feitelijke gedraging van feit 2 (het op/tegen de neus stompen/slaan) niet is opgenomen in feit 1. Het enkele feit dat het bewezenverklaarde feit 2 binnen dezelfde periode heeft plaatsgevonden als het bewezenverklaarde feit 1, maakt dat niet anders.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 9 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
– in/op/tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen, en/of
– bij het/de be(e)n(en) vast te pakken en/of (terwijl voornoemde [slachtoffer] op een matras lag), zijn, verdachtes, knieën op haar be(e)n(en) te zetten en/vervolgens de armen van [slachtoffer] over/onder haar rug te doen/zetten/brengen en/of een deken over het hoofd van [slachtoffer] heen te doen en/of de benen (telkens) verder omhoog te brengen, en/of
– een kussen op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken/zetten en/of te houden;
feit 2, subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2023 tot en met 5 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de neus, althans het gezicht te stompen/slaan;
feit 3, primair
hij op of omstreeks in de periode 22 mei 2024 tot en met 31 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken
oogkas/orbitabodemfractuur en/of een gebroken neus en/of blijvend aangezichtsletsel, heeft toegebracht door (met kracht) op/tegen het oog, althans gezicht en/of hoofd, te stompen en/of voornoemde [slachtoffer] (met kracht) richting een tafel te duwen, waardoor [slachtoffer] met haar gezicht op een tafel is gevallen en voornoemd letsel heeft opgelopen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Onder feit 1 en feit 2 telkens:
mishandeling;
Onder feit 3:
zware mishandeling.
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat dient te worden volstaan met een taakstraf met aftrek van het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met als enige bijzondere voorwaarde de meldplicht bij de reclassering.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn vriendin. Deze mishandelingen vonden bijna maandelijks plaats gedurende een lange periode van circa 8 à 9 maanden en nagenoeg altijd in de woning van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hierdoor meermaals letsel opgelopen. De mishandelingen hebben geleid tot een gebroken neus en een gebroken oogkas. Zelfs na de operatie aan de gebroken oogkas heeft verdachte haar nogmaals geslagen.
[slachtoffer] heeft in juni 2024 in haar aangifte verklaard dat zij bang was voor verdachte en bang was dat als de hulpverlening niet had ingegrepen het tegen haar uitgeoefende geweld nog erger zou zijn geworden. Naast de fysieke mishandelingen heeft verdachte [slachtoffer] tijdens hun relatie proberen weg te houden bij haar vrienden en hulpverlening.
Verdachte heeft met het langdurig huiselijk geweld, waaronder een zware mishandeling, ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . De impact van het handelen van verdachte is voor [slachtoffer] groot. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Uit het strafblad blijkt verder dat verdachte ook na de onderhavige pleegdata is veroordeeld, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 25 februari 2025. Hieruit volgt dat verdachte een betaalde baan en eigen woonruimte heeft, open staat voor hulpverlening en wil weten waar zijn gedrag vandaan komt. Verdachte heeft onvoldoende copingvaardigheden ontwikkeld om adequaat om te gaan met conflictsituaties. Verdachte en [slachtoffer] hebben hun relatie hervat/voortgezet. De reclassering acht de kans op recidive gemiddeld en er zijn verbanden te leggen tussen de strafbare feiten en factoren als financiën, psychosociaal functioneren en houding. De reclassering adviseert bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht bij de reclassering, diagnostiek en ambulante behandeling, contactverbod met [slachtoffer] en meewerken aan financieel overzicht en schuldhulpverlening.
Oplegging van straf
De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Anders dan de officier van justitie heeft geëist, zal de rechtbank die straf in dit geval niet opleggen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De relatie met [slachtoffer] is hersteld, wat, zoals door haar ter zitting is bevestigd, door beiden positief wordt ervaren. Verdachte lijkt in de maanden die zijn verstreken na het bewezenverklaarde zijn leven een positieve wending te hebben gegeven. Hij heeft een baan en een eigen woonruimte, staat open voor behandeling en heeft zich daarvoor ook al aangemeld. Een gevangenisstraf zou mogelijk deze positieve ontwikkelingen teniet kunnen doen. Dat acht de rechtbank niet wenselijk voor verdachte en evenmin in het belang van de maatschappij bij het voorkomen van recidive.
De rechtbank zal daarom aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren. Daarnaast legt de rechtbank de maximale taakstraf op van 240 uren met aftrek van het voorarrest. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf brengt de rechtbank de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en het geeft hem de kans te bewijzen dat hij de positieve wending in zijn leven serieus neemt.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden zoals geëist door de officier van justitie opleggen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat diagnostiek en ambulante behandeling noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een behandeling enkel in een vrijwillig kader. Ook het verplicht meewerken aan financieel overzicht en schuldhulpverlening acht de rechtbank, anders dan de verdediging, noodzakelijk. De reclassering concludeert immers dat de financiën van verdachte één van de factoren voor mogelijke recidive is.
8De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/210800-21)
De officier van justitie vordert niet langer de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie, waartoe verdachte is veroordeeld door de kinderrechter bij vonnis van 7 januari 2022.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
– verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering op het adres Stieltjesstraat 1, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Huisbezoeken kunnen onderdeel uitmaken van de meldplicht;
verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Hierbij is het van belang zo lang de relatie wordt voortgezet dat [slachtoffer] ook wordt betrokken bij de behandeling;
verdachte meewerkt aan het verkrijgen van een financieel overzicht en daarna het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
stelt als overige voorwaarden dat:
– verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
– verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze
bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van 7 januari 2022 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie af (parketnummer 05/210800-21).
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. G. Edelenbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2025.
mr. G. Edelenbos is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024269232, gesloten op 6 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 19, 20.
- Proces-verbaal van aangifte Veilig Thuis namens [slachtoffer] , met bijlagen, p. 6 t/m 18.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 20- 25.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 81, 82.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 91.
- Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2025.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 20.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 85.
- Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2025.
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 22 t/m 24; Ontslagbrief Helios, p. 80.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 86.
- Brief van de arts, dr. [arts] van het Academisch ziekenhuis van de Universiteit Düsseldorf, p. 72, Operatieverslag van patiënt [slachtoffer] , p. 75.
- Operatieverslag van patiënt [slachtoffer] , p. 75.
- Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...