ECLI:NL:RBLIM:2021:4585 Rechtbank Limburg , 08-06-2021 / 03.246701.20
Nekklem. Vrijspraak poging tot doodslag; wel poging tot zware mishandeling bewezen. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.
15 min de lecture · 3,088 mots
Inhoudsindicatie. Nekklem. Vrijspraak poging tot doodslag; wel poging tot zware mishandeling bewezen. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.246701.20
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 08 juni 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 mei 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door bij die [slachtoffer] een nekklem aan te leggen.
3De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Onduidelijk is hoe lang de verdachte de nek van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en bovendien is bij [slachtoffer] slechts beperkt letsel in de vorm van kneuzingen geconstateerd. De officier van justitie acht wel bewezen dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan. Zij heeft daarbij gewezen op de aangifte, de verklaringen van getuigen [naam 1] en [naam 2] en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en vooral omdat onduidelijk is hoe lang de nekklem heeft geduurd. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Met de raadsman van de verdachte en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte het opzet had of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden. Uit de feiten en omstandigheden blijkt onvoldoende hoe lang de nekklem heeft geduurd en er is slechts beperkt letsel in de vorm van kneuzingen geconstateerd bij [slachtoffer] .
De bewijsmiddelen ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, te weten de poging tot zware mishandeling. De rechtbank zal, nu de verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
– het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer];
– het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1];
– het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] ;
– de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 mei 2021.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte gedurende enige tijd met kracht druk op de keel van [slachtoffer] heeft uitgeoefend waardoor [slachtoffer] in ademnood kwam. Ter terechtzitting heeft de verdachte weliswaar aangegeven dat hij zich kan herinneren dat hij [slachtoffer] eenmaal in een nekklem heeft genomen, maar gelet op de aangifte en de verklaringen van getuigen [naam 1] en [naam 2] acht de rechtbank bewezen dat de verdachte [slachtoffer] tweemaal in een nekklem heeft gepakt en gehouden.
Het gedurende enige tijd met kracht druk uitoefenen op iemands keel brengt in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Op die plaats in het lichaam – te weten de hals – bevinden zich immers kwetsbare en vitale weke delen. Ook kan een gebrek aan zuurstof gedurende langere tijd tot een hersenbeschadiging leiden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Dat dit is voorkomen, lijkt slechts te danken aan het handelen van getuige [naam 1] en [slachtoffer] zelf, die de greep van de verdachte hebben ontzet. Dit handelen van verdachte kan, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte hiermee de kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft daarom in ieder geval het voorwaardelijk opzet gehad op zware mishandeling.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 20 september 2020 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met zijn arm een zogenaamde nekklem bij de keel van die [slachtoffer] heeft aangelegd en met kracht druk heeft uitgeoefend op de keel van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan die [slachtoffer] bijna geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair:
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd in haar rapport van 28 april 2021, alsmede de voorwaarde "begeleid wonen of maatschappelijke opvang" bij Domus Plus of een soortgelijke instantie. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de ernst van het feit waarbij ook van belang is dat het gaat om geweld tegen een hulpverlener. De verdachte heeft geen recente documentatie op het gebied van geweldsfeiten. De officier van justitie neemt de conclusie van de psycholoog en psychiater over dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de door de verdachte reeds ondergane voorlopige hechtenis, aan te vullen met een voorwaardelijk strafdeel en de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het is vooral van belang dat de verdachte in een begeleid wonen-traject wordt geplaatst.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] , door op [slachtoffer] tweemaal een nekklem toe te passen. De verdachte heeft [slachtoffer] in een voor hem zeer angstige situatie gebracht, waarbij hij geen lucht meer kreeg. Het is te danken aan snel en adequaat ingrijpen van een collega en [slachtoffer] zelf dat hij geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft, door zo te handelen, weinig respect getoond voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , die als hulpverlener bij het Leger des Heils juist veilig zijn werk moet kunnen doen. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk. Bij een zo ernstig feit past in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daaraan doet niet af dat de verdachte recent niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De psychologische en psychiatrische rapportages
De verdachte is onderzocht door psychiater dr. D.J. Vinkers, die in zijn rapport van 12 februari 2021 concludeert dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, schizofrenie van het paranoïde type en een stoornis in het gebruik van alcohol en amfetamines. Dat was ook zo ten tijde het delict, toen de verdachte psychotisch was en mede daardoor agressief. Het middelengebruik is verweven met zijn psychiatrische aandoening. Door zijn verstandelijke beperking was de verdachte niet goed in staat om de situatie te begrijpen of er adequaat naar te handelen. De deskundige adviseert de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Daarnaast heeft psycholoog N. van der Weegen op 13 februari 2021 een rapport uitgebracht over de verdachte. Ook deze deskundige concludeert dat de verdachte lijdt aan schizofrenie, een licht verstandelijke beperking en een matig ernstige stoornis in het gebruik van amfetaminen. Dit was ook het geval ten tijde van het delict, terwijl de verdachte toen ook nog onder invloed was van speed. Hij was psychotisch en lijkt wanen te hebben gehad. Door zijn verstandelijke beperking overziet de verdachte de gevolgen van het gebruik van amfetaminen niet. In een aanvullende e-mail van 14 april 2021 adviseert de psycholoog de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Ter inperking van de recidivekans adviseren beide deskundigen om de verdachte in een begeleide woonvorm te plaatsen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Volgens de psycholoog is de verdachte gebaat bij een gestructureerde woonvorm waar middelengebruik niet wordt getolereerd en daarop wordt gecontroleerd. Ook kan daar toezicht worden gehouden op het medicatiegebruik van de verdachte.
De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van beide rapportages en neemt deze over.
De rapportage van de reclassering
De reclassering heeft in haar rapport van 28 april 2021 een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de volgende bijzondere voorwaarden: ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), geen andere huisvesting zonder toestemming en meewerken aan middelencontrole. De verdachte is aangemeld bij GGZ Mondriaan en bij Domus Plus; een begeleide woonvorm. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard mee te willen werken aan alle geadviseerde voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de adviezen van de psychiater, de psycholoog en de reclassering, waaronder in het bijzonder de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis dan ook voldoende. De plaatsing in een gestructureerde woonvorm en de middelencontrole als bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel, dienen ter beperking van het recidivegevaar.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de door de reclassering en de deskundigen geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden.
De voorlopige hechtenis
Omdat aan de verdachte geen gevangenisstraf zal worden opgelegd die de duur van de door hem reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
7De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
– spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte voor tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname): de veroordeelde laat zich behandelen door GGZ Mondriaan of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na einde detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
begeleid wonen of maatschappelijke opvang: de veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Domus Plus, of een soortgelijke instelling, en houdt zich aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
geen andere huisvesting zonder toestemming: de veroordeelde vestigt zich gedurende de proeftijd niet op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;
meewerken aan middelencontrole: de veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controle van het gebruik van alcohol en harddrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Voorlopige hechtenis
– heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. drs. E.C.M. Hurkens en mr. dr. D.L.F. de Vocht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.C. van Wijmen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 08 juni 2021.
Buiten staat
Mr. dr. D.L.F. de Vocht is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 20 september 2020 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven te beroven, opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht), met (een van) zijn, verdachte’s arm(en) een zogenaamde “verwurging” en/of “nekklem” bij de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd/aangebracht en/of nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen gehouden, in elk geval (gedurende enige tijd) met kracht druk heeft uitgeoefend op de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] en/of (tegelijkertijd) met zijn, verdachte’s andere arm die “verwurging” en/of “nekklem” heeft versterkt en/of strakker aangetrokken en aldus de druk op de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft opgevoerd, zulks tengevolge waarvan die [slachtoffer] (bijna) geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 20 september 2020 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (met kracht), met (een van) zijn, verdachte’s arm(en) een zogenaamde “verwurging” en/of “nekklem” bij de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd/aangebracht en/of nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen gehouden, in elk geval (gedurende enige tijd) met kracht druk heeft uitgeoefend op de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] en/of (tegelijkertijd) met zijn, verdachte’s andere arm die “verwurging” en/of “nekklem” heeft versterkt en/of strakker aangetrokken en aldus de druk op de nek en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft opgevoerd, zulks tengevolge waarvan die [slachtoffer] (bijna) geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.246701.20
Proces-verbaal van de openbare zitting van 08 juni 2021 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende te [adres] ,
gedetineerd in [P.I.] .
Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat, kantoorhoudende te Cadier en Keer.
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
, griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is wel in de zittingzaal aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.
Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.
Voetnoten
- Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Maastricht, proces-verbaalnummer PL2300-2020153788, gesloten d.d. 7 oktober 2020, digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 37.
- Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 september 2020 (p. 4-6).
- Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] d.d. 28 september 2020 (p. 8-9).
- Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] d.d. 25 september 2020 (p. 10-11).
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...