Pays-Bas Rechtbank Limburg Divers 21 11 月 2024 N° ROE 22/169 EN ROE 22/173 NL

ECLI:NL:RBLIM:2024:8458 Rechtbank Limburg , 21-11-2024 / ROE 22/169 EN ROE 22/173

Naar het oordeel van de rechtbank is de intrekking van het parkeerverbod door het college onvoldoende gemotiveerd. Beroepen gegrond.

Source officielle

14 min de lecture 2,965 mots

Inhoudsindicatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de intrekking van het parkeerverbod door het college onvoldoende gemotiveerd. Beroepen gegrond.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 22/169 en ROE 22/173

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2024 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats 1] , eiser 1

en

[eiser 2] , te [woonplaats 2] , eiser 2

(gemachtigde: mr. M.R.A. Armtz)
beiden uit [plaats] ,

(gezamenlijk te noemen: eisers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen

(gemachtigden: mr. J.J. Pieters-Janssen en L. Elbertsen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het verkeersbesluit van het college waarmee een parkeerverbod ter hoogte van Thull 32-32a-32b is ingetrokken.

Het college heeft bij verkeersbesluit van 22 juni 2021 het parkeerverbod ingetrokken. Met het besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eiser 2 en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

2. De rechtbank beoordeelt of het college het verkeersbesluit in redelijkheid kon nemen en de bezwaren van eisers ongegrond mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Eisers zijn vader en zoon en wonen aan de [adres 1] in [plaats] .

6. Het college heeft naar aanleiding van verschillende meldingen van parkeeroverlast bij parkeerbesluit van 31 maart 2021 een parkeerverbod ingesteld ter hoogte van Thull 32-32a-32b . In het besluit staat (onder meer) dat er in de zijstraat Thull 32-32a-32b geen ruimte is om te parkeren; dat parkerende auto’s in de zijstraat niet gewenst zijn door de beperkte wegbreedte; dat de zijstraat toegankelijk dient te zijn voor calamiteiten voertuigen; dat de zijstraat bereikbaar blijft voor zowel automobilisten en fietsers door parkeren op de zijstraat te verbieden; dat de zijstraat bereikbaar dient te blijven voor o.a. landbouwvoertuigen door parkeren op straat te verbieden.

7. Naar aanleiding van hiertegen ingediende bezwaren is het college tot het inzicht gekomen dat de verkeersmaatregel bij nader inzien toch niet juist is geweest, waarop het college bij het besluit van 22 juni 2021 heeft besloten om het besluit tot het instellen van het parkeerverbod in te trekken. Achteraf zou het college te snel en op basis van een onvolledige kijk op de situatie een parkeerverbodzone hebben ingesteld. Naar aanleiding van een nadere beschouwing van de situatie is het instellen van de parkeerverbodzone ongedaan gemaakt, omdat een parkeerverbodzone ter plaatste, in het licht van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994), volgens het college onnodig en dus onwenselijk is. Wanneer artikel 5 van de Wvw 1994 wordt nageleefd kan de doorgang van voertuigen in de zijstraat ter hoogte van de nummers 32-32a-32b ongehinderd plaatsvinden en kan een parkeerverbod zone achterwege blijven. Dit is voorgelegd en akkoord bevonden door de Politie Limburg.

8. Bij het bestreden besluit heeft het college het door eisers ingediend bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat hij bij het nemen van verkeersbesluiten een ruime beoordelingsmarge heeft. Niet is gebleken dat eisers onevenredig zullen worden benadeeld door de intrekking van het verkeersbesluit, dan wel dat hierdoor een onduidelijke verkeerssituatie zou ontstaan. Wanneer artikel 5 van de Wvw wordt nageleefd kan de doorgang van voertuigen ongehinderd plaatsvinden en kan een parkeerverbodszone in Thull , bij de nummers 32-32a-32b achterwege blijven. Volgens het college zijn de betrokken verkeersbelangen, namelijk het beschermen van weggebruikers en passagiers; het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, in voldoende mate tegen elkaar afgewogen. Bovendien valt volgens het college – voor zover omwonenden bewust hinderlijk parkeren – niet in te zien hoe een parkeerverbod verandering in het vermeend bewust hinderlijke parkeergedrag zal bewerkstelligen. Aan de politie en BOA’s is de grootste taak weggelegd in het kader van de handhaving. Hinderlijk parkeren kan leiden tot een inbreuk op de doorstroming van het verkeer of een reële kans daarop en daarmee dus een overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 opleveren.

9. Eisers hebben beroep ingesteld. Op wat eisers hebben aangevoerd wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank

Formeel punt

10. Zoals hiervoor is overwogen is de intrekking van het parkeerverbod op 22 juni 2021 het gevolg van de bezwaren van omwonenden die zijn ingediend tegen het bij besluit van 31 maart 2021 opgelegde parkeerverbod. Het college heeft de intrekking echter niet als beslissing op deze bezwaren genomen. De rechtbank beschouwt het besluit van 22 juni 2021 tot intrekking van het parkeerverbod als een aanvullend besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het bestreden besluit heeft het college op de bezwaren van eiser beslist. De rechtbank stelt echter vast dat het college nog niet heeft beslist op de bezwaren die omwonenden tegen het besluit tot oplegging van het parkeerverbod hebben ingediend. Het had voor de hand gelegen dat het college die bezwaren niet-ontvankelijk had verklaard, omdat met de intrekking van het parkeerverbod tegemoet is gekomen aan de bezwaren van omwonenden. Het college heeft dat niet gedaan, waardoor die bezwaren nog open liggen. Gelet op wat de rechtbank hierna overweegt, zal het college deze bezwaren mee moeten nemen in de besluitvorming.

11. De rechtbank zal het beroep van eiser tegen de intrekking van het parkeerverbod nu inhoudelijk beoordelen.

Oordeel rechtbank

12. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3761) overwogen dat een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is de intrekking van het parkeerverbod door het college onvoldoende gemotiveerd. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Het college stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat belanghebbenden onevenredig zullen worden benadeeld door de intrekking van het parkeerverbod, dan wel dat er een onduidelijke verkeerssituatie zal ontstaan. Daartoe stelt het college dat indien artikel 5 van de Wvw 1994 wordt nageleefd, de doorgang van voertuigen ongehinderd kan plaatsvinden en een parkeerverbod achterwege kan blijven. Met de enkele verwijzing naar artikel 5 van de Wvw 1994 geeft het college naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende inzicht in welke verkeersbelangen zoals genoemd in artikel 2 van de Wvw 1994 ten grondslag liggen aan de intrekking van het parkeerverbod en hoe het college de belangen van alle belanghebbenden heeft afgewogen tegen het algemeen verkeersbelang. In het kader van de belangenafweging acht de rechtbank van belang dat het college na minder dan één jaar tot een andere afweging over het opleggen van een parkeerverbod is gekomen. Immers, bij de oplegging van het parkeerverbod heeft het college het standpunt ingenomen dat het vanuit het oogpunt van artikel 2, eerste en tweede lid van de Wvw 1994, gewenst is om een parkeerverbod in te stellen. De verkeerssituatie is ter plaatse niet veranderd. Juist nu het college een tegenovergestelde visie heeft ingenomen en het parkeerverbod met het bestreden besluit heeft ingetrokken, is het van belang dat het bestreden besluit goed wordt gemotiveerd. Duidelijk moet worden waarom het college nu een ander besluit heeft genomen. Dit geldt temeer nu uit e-mails blijkt dat Veilig Verkeer Nederland heeft geadviseerd dat parkeren op deze plekken bij voorbaat zorgt voor een overtreding van artikel 5 Wvw 1994. Verweerder heeft daarover eerder overwogen dat het desondanks vanuit het kader van de handhaving wenselijk is dat er een parkeerverbod komt. Ter zitting is door eisers aangevoerd dat er regelmatig ter plaatste wordt geparkeerd en er feitelijk overtredingen van artikel 5 van de Wvw 1994 plaatsvinden, terwijl daartegen niet handhavend wordt opgetreden. Verweerder heeft dat niet bestreden. Verweerders eerdere inschatting van de moeilijke handhaafbaarheid van artikel 5 Wvw lijkt daardoor in de praktijk te worden bevestigd.

Conclusie

14. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en ook onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit geen efficiënte wijze van afdoening is. Het college zal eerst onderzoek moeten doen naar de verkeerssituatie en naar de verkeersveiligheid. Op basis van dat onderzoek zal het college een nieuw besluit moeten nemen op de bezwaren van eisers en de bezwaren van omwonenden. Daarbij zal het college alle betrokken belangen tegen elkaar moeten afwegen. Dus ook de belangen van de omwonenden. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van 12 weken.

Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

15. Tot slot hebben eisers verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

16. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.

17. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 9 juli 2021 (eiser 1) en 27 juli 2021 (eiser 2), datum ontvangst van de bezwaarschriften door het college. Gelet op de datum van deze uitspraak (november 2024) is de redelijke termijn overschreden met ongeveer een jaar en vier/vijf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van schade van € 1.500,- voor ieder van eisers afzonderlijk. Die overschrijding is geheel te wijten aan de duur van de procedure bij de rechtbank.

18. Gelet op voorgaande komen eisers vergoeding van proceskosten toe voor het indienen van de verzoeken tot vergoeding van de immateriële schade. Er bestaat echter geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiser 1, omdat hij zich niet heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Voor eiser 2 stelt de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek en een wegingsfactor 0,5). De Staat moet deze proceskosten betalen.

Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

Proceskosten en griffierecht

19. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 184,- dient te vergoeden.

20. Er bestaat geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiser 1 omdat hij zich niet heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. De rechtbank zal het college wel veroordelen in de door eiser 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart de beroepen van eisers gegrond;

– vernietigt het bestreden besluit;

– draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
– veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser 2;

– draagt het college op het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden, dat wil zeggen twee keer € 184,-;

– veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot een

betaling aan eisers van een vergoeding van schade, dat wil zeggen € 1.500,- aan elke eiser.

– veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser 2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.M.L. Kousen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2024

de griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 november 2024

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19 van de Awb:

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2-5. […].

6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 2

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

3. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik;

b. het waarborgen van het op juiste wijze in rekening brengen van tarieven voor het gebruik van de weg;

c. het gebruik en de waarborging van de juistheid van de registers die ingevolge deze wet worden bijgehouden;

d. het voorkomen en bestrijden van fraude;

e. de regeling van positie, inrichting en werkwijze, alsmede het uitoefenen van toezicht op zelfstandige bestuursorganen die taken verrichten op het terrein van deze wet.

4. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken ter uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, op het terrein van goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd, in verband met de bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.

5. De vaststelling van regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde geschiedt in overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ministers, indien deze regels strekken tot behartiging van de belangen, bedoeld in het tweede dan wel het derde lid.

Artikel 5 luidt, voor zover van belang, als volgt:

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)

Artikel 21

De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Artikel 24

Verkeersbesluiten worden genomen na overleg met:

a. de korpschef,

b. de commandant van de Koninklijke marechaussee, indien de taak ten aanzien van het verkeer mede wordt vervuld op een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.