ECLI:NL:RBNHO:2017:6028 Rechtbank Noord-Holland , 04-07-2017 / 15/223945-16
Openlijke geweldpleging. Partiële vrijspraak. Beroep op noodweer slaagt.
11 min de lecture · 2,223 mots
Inhoudsindicatie. Openlijke geweldpleging. Partiële vrijspraak. Beroep op noodweer slaagt.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.223945.16 (P)
Uitspraakdatum: 18 juli 2017
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
4 juli 2017 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.G. Hendriks en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.S.J. Hoogstraaten, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2016 te Beverwijk, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto (Volkswagen Polo) en/of een perso(o)n(en), zijnde [aangever 1] en/of [aangever 2] , welk geweld bestond uit:
– het dreigend opdringen en/of rennen in de richting van die [aangever 1]
en/of (vervolgens)
– het dreigend opdringen en/of rennen in de richting van die auto en/of [aangever 1] en/of [aangever 2] , althans gewapend met knuppel(s) zich begeven in de richting van die auto
en/of (vervolgens)
– het slaan met (een) knuppel(s) op/tegen die auto en/of (vervolgens)
– het met (een) knuppel(s) inslaan van de voorruit van die auto
– het ter aanmoediging en/of ondersteuning aanwezig zijn bij één of meer van bovengenoemde handelingen.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweer.
Aanleiding
Op 11 juni 2016 is aangever [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) met [betrokkene 1] telefonisch overeen gekomen dat hij een personenauto van het merk BMW van hem zou kopen. Als [aangever 1] de volgende dag contact opneemt met het telefoonnummer van [betrokkene 1] om te zeggen dat hij onderweg is naar Beverwijk om de auto te halen, wordt hem door de vrouw van [betrokkene 1] medegedeeld dat de auto al verkocht is en dat hij niet meer hoeft te komen. [aangever 1] laat weten dat hij evengoed naar Beverwijk komt. [betrokkene 1] belt met de politie en de politie belt naar [aangever 1] . [aangever 1] gelooft echter niet dat hij daadwerkelijk de politie aan de lijn heeft. Als [aangever 1] bij de woning aankomt, wordt hem (nogmaals) medegedeeld dat de auto reeds is verkocht. Er ontstaat vervolgens een woordenwisseling tussen [betrokkene 2] en [aangever 1] waarbij [aangever 1] op een gegeven moment door hem wordt vastgepakt bij zijn polsen. [medeverdachte 1] besluit een honkbalknuppel uit de achterbak van zijn auto te pakken. Verdachte loopt vervolgens ook met een honkbalknuppel de woning uit in de richting van [aangever 1] en ook [medeverdachte 2] pakt een honkbalknuppel en verlaat de woning om achter [aangever 1] aan te gaan. [betrokkene 1] belt wederom met de politie. [aangever 1] rent in de richting van zijn auto en stapt in. Het voertuig staat geparkeerd met de achterkant naar verdachte, [betrokkene 2] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] toe.
Vrijspraak (ten aanzien van het geweld tegen personen)
Verdachte heeft bevestigd dat hij op enig moment met een honkbalknuppel in zijn hand achter [aangever 1] is aangerend. Volgens verdachte wilde hij [aangever 1] verjagen. Op een afstand van ongeveer 30 meter van de auto van [aangever 1] is verdachte blijven staan.
Op grond van de aangifte van [aangever 1] en de verklaring van verdachte kan het dreigend opdringen en/of rennen in de richting van (de auto van) [aangever 1] en het gewapend met knuppels zich begeven in de richting van de auto van [aangever 1] door verdachte en anderen wel bewezen worden verklaard maar kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als ‘geweld’ als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafrecht. Anders dan de casus in het door de officier van justitie aangehaalde arrest (HR 17 november 1992, NJ1993, 292), heeft het dreigend opdringen door verdachte niet plaatsgevonden binnen een verband van een groep personen die op dat moment ook daadwerkelijk geweld gebruikten tegen aangever. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste is gelegd.
Redengevende feiten en omstandigheden (ten aanzien van het geweld tegen
goederen)
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.
Op 12 juni 2016 komt [aangever 1] naar de woning van [betrokkene 1] te Beverwijk. Omdat verdachte voor de komst van [aangever 1] al het gevoel heeft dat het wel eens fout zou kunnen aflopen, belt hij [medeverdachte 2] met de vraag of hij ook naar de woning wil komen. [medeverdachte 2] komt vervolgens met [medeverdachte 1] naar de woning. Tevens zet verdachte beneden een honkbalknuppel klaar. Ook [medeverdachte 2] zet een honkbalknuppel in de keuken neer voor het geval het fout gaat. Enige tijd nadat [aangever 1] bij de woning van [betrokkene 1] is aangekomen, ontstaat een woordenwisseling met [betrokkene 2] en rent [aangever 1] weg. [betrokkene 2] , verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] rennen achter [aangever 1] aan waarbij verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een honkbalknuppel in hun hand houden. [aangever 1] rent richting zijn auto die geparkeerd staat in de [adres] , stapt in en rijdt vervolgens hard weg waarbij hij zijn auto keert. Vol gas gevend, rijdt [aangever 1] vervolgens in op [betrokkene 2] , verdachte en [medeverdachte 2] , die op dat moment op het trottoir staan, en daarna op [medeverdachte 1] , die aan de andere kant van de weg staat. Op het moment dat [aangever 1] op verdachte inrijdt, slaat verdachte met zijn honkbalknuppel op de voorruit van de auto. Ook [medeverdachte 2] slaat, op het moment dat hij [aangever 1] op zich af ziet rijden, in een reflex met zijn honkbalknuppel op de auto.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend is bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte voor de komst van [aangever 1] zijn broer, [medeverdachte 2] , heeft gebeld met het verzoek om ook naar de woning te komen. [medeverdachte 2] is vervolgens samen met zijn vriend, [medeverdachte 1] , naar de woning gegaan en daar hebben zij samen de komst van [aangever 1] afgewacht. Tevens hebben verdachte en [medeverdachte 2] honkbalknuppels klaargezet voor het geval het uit de hand zou lopen. Toen er een woordenwisseling ontstond tussen [betrokkene 2] en [aangever 1] , hebben zij alle drie een honkbalknuppel gepakt en zijn zij achter [aangever 1] aangegaan. Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte 2] met de honkbalknuppels op de auto van [aangever 1] geslagen.
Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde geweldshandelingen. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 12 juni 2016 te Beverwijk met anderen, op de openbare weg, te weten [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een auto, welk geweld bestond uit:
– het slaan met knuppels op/tegen die auto en (vervolgens)
– het met een knuppel inslaan van de voorruit van die auto.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Beroep op noodweer
De raadsvrouw van verdachte heeft subsidiair betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient, voor zover hier van belang, vast komen te staan dat verdachte het feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Allereerst dient de vraag beoordeeld te worden of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. [aangever 1] is met zijn auto gekeerd en is vervolgens met hoge snelheid op verdachte en zijn medeverdachten ingereden die op dat moment op het trottoir en op de weg stonden. Volgens [getuige] had [aangever 1] de groep makkelijk voorbij kunnen rijden maar veranderde hij zijn rijrichting om kennelijk op verdachte en zijn medeverdachten in te rijden.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door verdachte tegen deze aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan) en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (oftewel: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan, zie: HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).
Gelet op het feit dat [aangever 1] met hoge snelheid met een voertuig op verdachte en zijn medeverdachten inreed, die op dat moment niet meer konden weglopen, is de rechtbank van oordeel dat voor verdachte redelijkerwijs geen mogelijkheid bestond zich aan de aanval te onttrekken en verdediging noodzakelijk was.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat het beroep op noodweer slaagt, hetgeen met zich brengt dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is. De verdachte wordt derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen.
5Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.133,79 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht evenmin toepassing heeft gevonden, de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
6Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Stelt vast dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.
Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,
mr. P.H. Lauryssen en mr. B.C. Swier, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. V.J.M. Goldschmeding,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juli 2017.
Mr. Swier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 juni 2016 (dossierpagina 28 en 29).
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juli 2017.
- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 5 juli 2017 (dossierpagina 54).
- Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 7 juli 2016 (dossierpagina 62).
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juli 2017, het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 5 juli 2017 (dossierpagina 54-55), het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 6 september 2016 (dossierpagina 59c).
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 juni 2016 (dossierpagina 29).
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juli 2017, het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 5 juli 2017 (dossierpagina 55), het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 6 september 2016 (dossierpagina 59c) het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 12 juni 2016, dossierpagina 42).
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juli 2017 en het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 5 juli 2017 (dossierpagina 55).
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...