ECLI:NL:RBOVE:2025:6649 Rechtbank Overijssel , 30-06-2025 / AK_25_123

Nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever terecht. Eerder uitgevallen. Volledige hervatting in eigen werk voor minstens vier weken. Bij opnieuw uitvallen, begint op nieuw de wachttijd.

Source officielle

20 min de lecture 4,389 mots

Inhoudsindicatie. Nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever terecht.

Inhoudsindicatie. Eerder uitgevallen. Volledige hervatting in eigen werk voor minstens vier weken. Bij opnieuw uitvallen, begint op nieuw de wachttijd.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/123

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.C. van Gurp),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: P. Spoelstra).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [werknemer] uit [woonplaats] , werknemer,
(gemachtigde:mr. S.J. Heijtlager).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een WIA-uitkering aan de werknemer met ingang van 5 februari 2024. Eiseres is het niet eens met de loondoorbetalingsverplichting die het UWV ook in dit besluit heeft opgenomen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voor eiseres een loondoorbetalingsverplichting bestaat. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-herbeoordeling van de werknemer. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2024 toegekend en de werknemer in aanmerking gebracht voor een uitkering met ingang van 5 februari 2024. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit omdat zij stelt dat voor haar geen loondoorbetalingsverplichting bestaat.
Met het bestreden besluit van 29 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij het besluit van 14 augustus 2024 gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het UWV en de werknemer en zijn gemachtigde.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De werknemer is bij eiseres in dienst (geweest) als [beroep] . Voor dit werk is hij per 30 november 2021 uitgevallen als gevolg van klachten van een burn-out.
De werknemer heeft tijdens zijn ziekte gere-integreerd in zijn eigen werk. Per einde wachttijd heeft de werknemer een WIA-aanvraag ingediend.
Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het UWV de werknemer een WIA uitkering geweigerd met ingang van 8 september 2023. Aan dit oordeel ligt (onder meer) een arbeidskundige beoordeling ten grondslag van 25 oktober 2023. Er is een praktische schatting verricht. Hierin is opgenomen dat de werknemer nu gedurende 37,93 uur in eigen werk werkt tegen hetzelfde uurloon, zonder leidinggevende taken. De leidinggevende taken gaan nog opgebouwd worden. Werknemer is hiermee 0% arbeidsongeschikt.
Bij brief van 13 november 2023 heeft eiseres het UWV verzocht alsnog een volledige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uit te voeren.
Bij besluit van 14 augustus 2024 heeft het UWV de werknemer in aanmerking gebracht voor een WIA uitkering met ingang van 5 februari 2024.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft in haar bezwaar aangegeven dat de werknemer per 1 januari 2024 weer werd ingezet in de maatgevende arbeid van [beroep] en vanuit deze arbeid op 5 februari 2024 is uitgevallen. Gezien het feit dat geen sprake is van nieuw bedongen arbeid, heeft eiseres geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte en dient dan ook de WIA uitkering onverkort tot uitbetaling te komen.

Bij bestreden besluit van 4 september 2024 heeft het UWV het besluit van 14 augustus 2024 gehandhaafd. Het UWV stelt dat het voor de verplichting die eiseres heeft om loon door te betalen niet uitmaakt of de werknemer hervat in zijn oude of in ander werk. Wat relevant is, is dat de werknemer tussen de ziekteperiodes vier weken of meer hersteld was. Dit is het geval. Voor de kerst 2023 was er het vertrouwen dat de werknemer hersteld was. Sinds 31 juli 2023 is er geen begeleiding van de bedrijfsarts omdat de gezondheidsklachten daar geen aanleiding toe gaven. Nu de werknemer per 5 februari 2024 weer ziek werd zijn er meer dan 4 weken tussen de ziekteperiodes.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit waarbij het UWV bij de berekening van de uitkering van de werknemer, is uitgegaan van een loondoorbetalingsverplichting van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Beroepsgronden.

4. Eiseres betoogt thans, samengevat weergegeven, dat geen nieuwe periode van 104 weken is aangevangen. Eiser heeft nooit volledig in zijn eigen werk hervat. Hij heeft zijn leidinggevende werkzaamheden nooit volledig hervat. Volgens de Hoge Raad brengt het wettelijke stelsel mee, dat indien de werknemer als gevolg van de re-integratie andere (passende) werkzaamheden is gaan verrichten, zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden, en hij na afloop van de periode van 104 weken opnieuw door ziekte uitvalt, de werkgever niet gehouden is (wederom) diens loon door te betalen. Die lijn wordt ook gevolgd in de lagere rechtspraak, bijvoorbeeld de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel.
Voor de vraag of een nieuwe wachttijd kan ontstaan, is uitsluitend van belang of sprake is van nieuw bedongen arbeid. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Niet relevant is of de werknemer tussen de ziekteperiodes 4 of meer weken hersteld was. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en de jurisprudentie van de Hoge Raad, is voor eiseres na de eerdere 104 weken loondoorbetalingsperiode geen nieuwe loondoorbetalingsplicht ontstaan.
In reactie op het verweerschrift van het UWV voert eiseres het volgende aan.
Ten eerste is niet juist dat de werknemer na afloop van de wachttijd, althans per 1 januari 2024, zijn eigen (oorspronkelijke) arbeid tegen volledige loonwaarde heeft hervat conform de arbeidsovereenkomst. De re-integratie was nog niet ten einde gekomen. Uit het actueel oordeel van de bedrijfsarts van 31 juli 2023 blijkt dat de werknemer nog niet zijn leidinggevende taken had hervat. Bij einde wachttijd van 27 november 2023 was de werknemer 40 uur per week werkzaam bij eiseres. De werknemer was op dat moment niet geschikt voor de maatgevende arbeid (leidinggevend elektromonteur). Zijn belastbaarheid ten opzichte van de belasting in de functie werd overschreden op het punt van leidinggeven.
Het arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de WIA is per einde wachttijd (27 november 2023) vastgesteld op 6,23%. Vast staat aldus dat de werknemer in ieder geval per einde wachttijd niet de bedongen, maar passende werkzaamheden verrichtte. Hij werkte zonder leidinggevende taken.
Vlak voor kerst 2023 hadden eiseres en de werknemer er weer vertrouwen in dat de werknemer ook zijn leidinggevende taken kon gaan opbouwen. Begin 2024 is de werknemer dan ook in overleg begonnen de leidinggevende taken weer op te bouwen bij een project.
Er was dan ook sprake van een begin met het opbouwen van leidinggevende taken die onderdeel uitmaakten van de bedongen werkzaamheden. Tot volledige opbouw is het nooit gekomen, omdat de werknemer per 5 februari 2024 volledig uitviel. Tijdens het opbouwen van leidinggevende taken was eiseres overigens ook niet onverdeeld positief over hoe dat verliep. De werknemer was op het moment van uitval dus nog aan het re-integreren.
Ten tweede is de uitleg die het UWV geeft aan artikel 7:629 lid 10 BW niet juist. Reeds eerder werd gewezen op een uitspraak van de kantonrechter van deze rechtbank die oordeelde: ‘Als de werknemer na meer dan 104 weken arbeidsongeschiktheid weer werkzaam is voor de werkgever in de bedongen arbeid en op een later moment opnieuw arbeidsongeschikt wordt, bestaat er geen loondoorbetalingsverplichting meer. Die is als het ware 'opgebruikt’.
5. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt dat de werknemer in ieder geval per 1 januari 2024 volledig heeft hervat in zijn eigen werk gedurende een periode van ten minste vier weken. Eiseres is daarom vanaf 5 februari 2024 verplicht het loon aan de werknemer door te betalen. Het UWV heeft daarom terecht beslist dat op grond van artikel 61 van de Wet WIA de WIA-uitkering per die datum niet volledig tot uitbetaling komt.
Beoordeling
6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werknemer in zijn eigen werk heeft hervat en als dat het geval is of hij heeft hervat voor een periode van ten minste vier weken.

Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep(CRvB) volgt dat als de werknemer na afloop van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken hervat in eigen werk voor een periode van ten minste 4 weken, een nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever gaat gelden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschikbare gegevens voldoende dat de werknemer in zijn eigen werk heeft hervat per 1 januari 2024. Hieruit volgt tevens dat hij heeft hervat voor een periode van ten minste vier weken omdat de werknemer pas per 5 februari 2024 opnieuw is uitgevallen. De rechtbank geeft hiervoor de volgende redenen.

In het actueel oordeel van 1 juni 2023 is opgenomen dat de werknemer in de volledige urenomvang werkt en dat in overleg met de bedrijfsarts de leidinggevende taken worden opgebouwd. De medische behandeling is dan volledig afgerond. De werknemer werkt dan inmiddels 40 uur in aangepast eigen werk.

De rapportage van de arbeidsdeskundige van 25 oktober 2023 vermeldt:

“(… ) Ik heb vastgesteld dat u uw eigen werk niet meer volledig kunt doen, de leidinggevende taken gaat u opbouwen. U werkt nu gedurende 37,93 uur in eigen werk tegen hetzelfde uurloon, zonder leidinggevende taken.”

De rapportage van de verzekeringsarts van 10 juli 2024 vermeldt onder anamnese:

“(…) Cliënt werkte rond einde wachttijd WIA (eind november 2023) 40 uur per week. Deed geen leidinggevende taken. Werd vervolgens gevraagd om mee te werken aan een project, waarbij hij wel leidinggevende taken had. Op 6-2-204 vond er een gesprek plaats met de werkgever. Deze gaf aan dat men niet tevreden was over het functioneren van werknemer.”

Het verslag van de hoorzitting in bezwaar vermeldt:
“De gemachtigde geeft aan werknemer te hebben begeleid. Ze hebben zich ingezet om werknemer te laten terug te keren naar zijn eigen werk. Omdat het zo belangrijk was voor werknemer, is zijn salaris ook niet verlaagd toen hij zijn oude werk nog niet volledig deed. Werkgever en gemachtigde geven aan dat ze er vlak voor de kerst 2023 weer vertrouwen in hadden. Per 1 januari 2024 is werknemer daarom officieel begonnen met zijn werk als [beroep] . Werkgever geeft aan dat het niet goed ging met het zijn van een voorbeeldfunctie. Werkgever geeft aan dat werknemer niet altijd even gemotiveerd overkwam en soms te laat kwam. Voorzitter vraagt of dit gezien werd als gevolg van zijn ziekte of problemen bij de re-integratie. Werknemer is namelijk vanaf 31 juli 2023 niet meer gezien door de bedrijfsarts. Werkgever geeft aan dat hij dit zeker niet zag als ziekte.”

Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat de werknemer na het actueel oordeel van juni 2023 niet meer is gezien en begeleid door de bedrijfsarts. Dit duidt er niet op dat de werknemer nog als “ziek” werd beschouwd en nog immer aan het re-integreren was. Eiseres heeft gesteld dat er nooit een hersteld melding van de werknemer heeft plaatsgevonden en dat daaruit volgt dat de werknemer bij uitval nog altijd aan het re-integreren was. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling en verwijst naar rechtspraak van de CRvB. Hieruit kan worden afgeleid dat een hersteld melding, of het ontbreken er van niet doorslaggevend is voor de vaststelling of een werknemer het eigen werk heeft hervat. Zulks moet beoordeeld worden in het licht van alle beschikbare (medische) informatie, waaronder die van de bedrijfsarts.
Eiseres heeft de werknemer niet hersteld gemeld, maar zij heeft echter ook geen verslagen van een bedrijfsarts overgelegd. Daar komt bij dat al in juni 2023 sprake was van het werken van alle uren, naar volledige loonwaarde en dat toegewerkt zou worden naar werk in de volledige omvang, inclusief leidinggeven.
Ten tijde van de hoorzitting in bezwaar is namens eiseres uitdrukkelijk bevestigd dat de werknemer per 1 januari 2024 heeft hervat in zijn eigen werk, inclusief leidinggeven. Destijds is expliciet gevraagd of de problemen die eiseres ervaarde met de werknemer werden gezien als gevolg van ziekte of problemen bij de re-integratie. Dit is ontkend; er is aangegeven dat de werkgever het zeker niet zag als ziekte.
Op basis hiervan heeft het UWV mogen concluderen dat de werknemer per 1 januari 2024 was hervat in eigen werk. Eiseres heeft geen gegevens overgelegd waaruit anders zou kunnen blijken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op http://www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet WIA

Artikel 55. Later ontstaan van het recht op een WGA-uitkering

1Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan, ontstaat het recht op een WGA uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand:

a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;

minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na:

1°.de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of

2°.de in artikel 49 bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of

minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vier weken na:

1°.de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of

2°.de in artikel 49 bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2 Het recht op een WGA-uitkering ontstaat niet indien een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 2°, d, e, f of i zich voordoet.

3 Het recht op een WGA-uitkering ontstaat alsnog op de dag dat geen van de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 2°, d, e, f of i zich meer voordoet binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, of artikel 49 bedoelde dag, mits de verzekerde op die dag gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

Artikel 61. De hoogte van de loongerelateerde uitkering en de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering

1De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:

0,75 x (A-B x C/D) over de eerste twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat; en

0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:

A voor het maandloon;

B voor het inkomen per kalendermaand;

C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend;

D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2 De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering komt overeen met de hoogte van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien de verzekerde ten minste een inkomen verdient dat gelijk is aan zijn overblijvende verdiencapaciteit, bedoeld in het derde lid, of indien voor hem geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 geldt.

3 De overblijvende verdiencapaciteit, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan twee maal de inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid.

4 De loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering bedraagt voor de verzekerde die een inkomen verdient van ten minste 50% van doch minder dan zijn overblijvende verdiencapaciteit, per kalendermaand: 0,7 x (E-F x G/H). Hierbij staat:

E voor het maandloon;

F voor de overblijvende verdiencapaciteit;

G voor het dagloon waarnaar de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering is berekend;

H staat voor het dagloon waarnaar de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

5 Indien de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, per kalendermaand minder bedraagt dan G × H waarbij:

G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in het zesde lid; en

H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon,

wordt de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, vastgesteld op G × H, doch ten hoogste op 0,7 x (A-B x C/D), als bedoeld in het eerste lid.

6 Het uitkeringspercentage, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

0–35%, 0%

35–45%, 28%;

45–55%, 35%;

55–65%, 42%;

65–80%, 50,75%; en bij

80% of meer, 70%.

7 De hoogte van de uitkering, bedoeld in het vijfde lid, wordt eerst nadat een wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden heeft voortgeduurd, herzien.

8 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

9 De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering wordt voor de verzekerde:

a. die na het ontstaan van het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk ziek is geworden, en

voor wie als gevolg van de toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat of indien op die eerste dag het recht op een uitkering herleeft;

gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering en in het geval de hoogte van de loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering zoals die op grond van het tweede, vierde, vijfde of zevende lid is vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde uitkering.

Burgerlijk Wetboek

7:629

1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

2 In afwijking van lid 1 geldt het in dat lid bedoelde recht voor een tijdvak van zes weken voor de werknemer die:

a. doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat; of

de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.

Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in onderdeel b bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in dit lid genoemde termijn, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.

3 De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:

a. indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;

voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een door de werkgever aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;

voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten;

voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;

voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond zijn aanvraag om een uitkering als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later indient dan in dat artikel is voorgeschreven.

4 In afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.

5 Het loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer niet deelneemt, voorzover deze uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.

6 De werkgever is bevoegd de betaling van het in het lid 1 bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.

7 De werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.

8 Artikel 628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.

9 Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.

10 Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden, waarin de werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten als bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

11 Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:

a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;

met de duur van het verlengde tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft vastgesteld en met de duur van het tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die wet;

met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en

met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.

12 Indien de werknemer passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 verricht, blijft de arbeidsovereenkomst onverkort in stand.

13 Voor de toepassing van lid 2, aanhef en onderdeel a, wordt onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.

Voetnoten

  1. HR 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134 (Oskam/Kummeling)
  2. Rechtbank Overijssel 31 maart 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1449
  3. Bijvoorbeeld: CRvB 9 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:58, r.o. 4.6.
  4. Uitspraak van de CRvB van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:286.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.