ECLI:NL:RBZWB:2023:3607 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-05-2023 / BRE – 20 _ 9129

Verzoek om ambtshalve vermindering, vijfjaarstermijn

Source officielle

8 min de lecture 1,647 mots

Inhoudsindicatie. Verzoek om ambtshalve vermindering, vijfjaarstermijn

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 20/9129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering van 17 september 2020.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.476 en bij gelijktijdige beschikking € 596 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking).

Belanghebbende heeft op 23 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2012 en de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft op 17 september 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur bevat twee beslissingen: (i) de inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn, en (ii) de inspecteur heeft besloten om de aanslag IB/PVV 2012 niet ambtshalve te verminderen, vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn. Het beroep van belanghebbende richt zich – zo begrijpt de rechtbank belanghebbende – alleen tegen de tweede beslissing: de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2012.

De rechtbank heeft op 28 januari 2022 een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb gedaan en het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 9 december 2022 op zitting behandeld. De rechtbank heeft op 23 december 2022 het verzet gegrond verklaard en beslist dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, zijn gemachtigde, en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur].

Beoordeling door de rechtbank

2. Tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering, zoals de beslissing in de brief van 17 september 2020, moet in beginsel eerst bezwaar worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, maar dat is voor het verloop van deze procedure niet erg. De inspecteur heeft er namelijk mee ingestemd dat de bezwaarfase kan worden overgeslagen. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak daarom of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Belanghebbende heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn een verzoek ingediend en de (persoonlijke) omstandigheden van belanghebbende leiden niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Vijfjaarstermijn

4. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). Het bezwaarschrift van 23 januari 2019 kan worden opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering.

De vijfjaarstermijn eindigde voor het jaar 2012 op 31 december 2017. Het verzoek van 23 januari 2019 is dus te laat ingediend.

Belanghebbende stelt dat hij al eerder, op verschillende momenten binnen de vijfjaarstermijn, contact heeft gehad met medewerkers van de Belastingdienst en mondeling kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens is met de aanslag IB/PVV 2012. Daarnaast stelt belanghebbende dat hij op verzoek van de medewerkers van de Belastingdienst stukken aan de Belastingdienst heeft toegestuurd, waaronder een brief met dagtekening 22 april 2015, waarin staat dat hij het niet eens is met de aanslag IB/PVV 2012.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder dan op 23 januari 2019 aan de inspecteur heeft laten weten dat hij het niet eens was met de aanslag IB/PVV 2012. Zo heeft de inspecteur aangevoerd dat de onder 4.2 genoemde brief niet bij de Belastingdienst bekend is en dat er ook geen andere brieven of aantekeningen van gesprekken bij de Belastingdienst bekend zijn waaruit volgt dat belanghebbende eerder dan op 23 januari 2019 kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens is met de aanslag IB/PVV 2012.

Gelet op het voorgaande, heeft dan als uitgangspunt te gelden dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. Dat is slechts anders indien de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is.

Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als belanghebbende redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt voor de termijnoverschrijding.

Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd, en ter zitting nader toegelicht, dat hij als gevolg van verschillende ingrijpende gebeurtenissen, waaronder de 24-uurszorg voor zijn vader, het overlijden van zijn vader, het wegvallen van zijn inkomen in die periode en zijn eigen ziekteverloop, in een zeer slechte mentale en fysieke gezondheidstoestand verkeerde. Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende dat hij daardoor niet in staat was om zich met administratieve zaken bezig te houden en zich te verdiepen in de wijze waarop een verzoek om ambtshalve vermindering (formeel) moet worden ingediend. Verder stelt belanghebbende – in de kern weergegeven – dat door de houding van de medewerkers van de Belastingdienst bij hem de indruk is gewekt dat het allemaal wel goed zou komen. Volgens belanghebbende hadden de medewerkers van de Belastingdienst in zijn geval maatwerk moeten leveren of hem er tenminste op moeten wijzen dat hij formeel nog een verzoek om ambtshalve vermindering moest indienen.

Al deze omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke omstandigheden die belanghebbende heeft doorgemaakt. Wat belanghebbende aanvoert is echter niet genoeg om te kunnen concluderen dat belanghebbende op geen enkel moment binnen de vijfjaarstermijn, eventueel met hulp van een derde, in staat is geweest om zijn bezwaren tegen de aanslag IB/PVV op de juiste wijze kenbaar te maken.

De rechtbank maakt op uit het betoog van belanghebbende dat hij een beroep doet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan belanghebbende in dit geval echter niet helpen. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder dan op 23 januari 2019 aan de belastingdienst kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens was met de aanslag IB/PVV 2012 (zie 4.3). In dat opzicht kan ook niet worden gezegd dat de inspecteur – in het kader van een behoorlijke taakvervulling – belanghebbende erop had kunnen en moeten wijzen dat een verzoek om ambtshalve vermindering schriftelijk en binnen de daarvoor gestelde vijfjaarstermijn moest worden ingediend.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 en de belastingrentebeschikking.

Ter zitting is gebleken dat onduidelijkheid over het inhoudelijke geschilpunt belanghebbende erg bezig houdt. De rechtbank merkt daarom – ondanks dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling – ten overvloede nog het volgende op over het inhoudelijke geschilpunt. Belanghebbende wil een aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. De bewijslast of en in hoeverre belanghebbende recht heeft op een dergelijke aftrek rust op belanghebbende. Dat betekent dat belanghebbende, bij betwisting van de geclaimde aftrek door de inspecteur, met stukken, bijvoorbeeld nota’s en rekeningafschriften, aannemelijk moet maken dat er kosten zijn gemaakt die op grond van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij recht heeft op een aftrekpost. Als de rechtbank wel toe zou zijn gekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering, dan zou de rechtbank belanghebbende, vanwege een gebrek aan onderbouwing van zijn stelling, waarschijnlijk niet in het gelijk hebben gesteld.

Conclusie en gevolgen

5. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2023 door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).

Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via http://www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.

Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

  1. Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en artikel 58, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
  2. Artikel 60 van de AWR in samenhang met artikel 6:11 van de Awb.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.