Pays-Bas Raad van State Divers 27 8 月 2025 N° 202401423/1/R3 NL

ECLI:NL:RVS:2025:4121 Raad van State , 27-08-2025 / 202401423/1/R3

Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam Zeebries onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om de overtreding met betrekking tot het paviljoen aan de Zeekant 111 te Hoek van Holland (hierna: het perceel) te beëindigen. Op 24 juni 2020 heeft een inspecteur van de gemeente geconstateerd dat onder het strandpaviljoen drie zeecontainers...

Source officielle

5 min de lecture 904 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam Zeebries onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om de overtreding met betrekking tot het paviljoen aan de Zeekant 111 te Hoek van Holland (hierna: het perceel) te beëindigen. Op 24 juni 2020 heeft een inspecteur van de gemeente geconstateerd dat onder het strandpaviljoen drie zeecontainers waren ingegraven zonder omgevingsvergunning. Wegens deze overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft het college aan Zeebries een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding binnen tien weken te beëindigen.

202401423/1/R3.

Datum uitspraak: 27 augustus 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Holding De Zeebries B.V. (hierna: Zeebries), gevestigd in Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024 in zaak nr. 22/4414 in het geding tussen:

Zeebries

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college Zeebries onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om de overtreding met betrekking tot het paviljoen aan de Zeekant 111 te Hoek van Holland (hierna: het perceel) te beëindigen.

Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college het door Zeebries daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 december 2021 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 22 januari 2024 heeft de rechtbank het door Zeebries daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Zeebries hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2025, waar Zeebries, vertegenwoordigd door [directeur] en mr. J. Geelhoed, advocaat te Honselersdijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert en mr. C. Golak, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 3 december 2021 heeft het college aan Zeebries een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Zeebries huurt het perceel van de gemeente Rotterdam. Het strand is eigendom van de Staat (artikel 5:26 BW), maar de Staat heeft de gemeente Rotterdam gevolmachtigd om het perceel te verhuren.

2.1 Zeebries exploiteert op het perceel een strandpaviljoen. Het college stelt dat Zeebries een recht van opstal (artikel 5:101 BW) op dit paviljoen heeft. Het dossier bevat geen akte van vestiging waaruit dit blijkt. De Afdeling beschouwt Zeebries dus ook voor het paviljoen als huurder.

3. Op 24 juni 2020 heeft een inspecteur van de gemeente geconstateerd dat onder het strandpaviljoen drie zeecontainers waren ingegraven zonder omgevingsvergunning. Wegens deze overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft het college aan Zeebries een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding binnen tien weken te beëindigen.

4. Zeebries heeft inmiddels één van de zeecontainers verwijderd. Een tweede bleek geen container, maar een houten kelder te zijn. Voor deze kelder is inmiddels een omgevingsvergunning verleend. Het geschil gaat dus alleen nog maar over de derde container. Deze ligt onder de bar en het terras van het paviljoen.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

6. Zeebries betoogt dat zij geen overtreder is, omdat zij geen eigenaar van het perceel is en de containers al aanwezig waren toen zij het perceel huurde.

Dit betoog slaagt niet. Artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo verbiedt het in stand laten van bouwwerken die zonder de vereiste omgevingsvergunning zijn gebouwd. Hoewel Zeebries huurder is van het perceel, is zij wel overtreder van dit verbod. Gebleken is dat Zeebries de containers mag verwijderen. Zij heeft immers na de last al één van de containers verwijderd. Omdat zij dit mocht maar niet deed, liet zij de overgebleven container in stand.

7. Zeebries betoogt dat het college geen last onder dwangsom mocht opleggen, omdat er concreet zicht op legalisatie was.

Dit betoog slaagt niet, Zeebries heeft voor de container geen vergunning aangevraagd. Dat dit een bewuste keuze was, blijkt uit het gegeven dat Zeebries de andere container wel heeft verwijderd en voor de kelder wel een vergunning heeft aangevraagd en gekregen. Het college kan niet zonder aanvraag een omgevingsvergunning verlenen.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.