ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 Rolnummer: A. 233389/IX-10078 Zaak: Arrest 259053 - Wapens – exportvergunningen - 07/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-14 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-10 23:43 Fiche Arrest nr 259.053 van 7 maart 2024...
29 min de lecture · 6,305 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 07 maart 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053
Rolnummer:
A. 233389/IX-10078
Zaak:
Arrest 259053 – Wapens – exportvergunningen – 07/03/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-03-14
Raadplegingen:
104 – laatst gezien 2026-06-10 23:43
Fiche
Arrest nr 259.053 van 7 maart 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en
lokale besturen – Wapens – exportvergunningen Beslissing : heropening
debatten Aanvullend verslag
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 no lien 276045 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 259.053 van 7 maart 2024
in de zaak A. é.389/IX-10.078
In zake: P.S.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Laure Proost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
de PROEFBANK VOOR VUURWAPENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Adrien Masset kantoor houdend te 4650 Herve Rue du Bê Pâki 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 8 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 9 februari 2021, houdende de verwerping van het beroep van verzoeker tegen het uitblijven van een beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen met betrekking tot een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen.
IX-10.078-1/21
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De Proefbank voor Vuurwapens heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking van 19 april 2022. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2024.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Laure Proost, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sven Boullart, die loco advocaat Adrien Masset verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
IX-10.078-2/21
IX-10.078-3/21
III. Feiten
3.1. Verzoeker dient op 23 juli 2019 een aanvraag in voor het verkrijgen van een vergunning voor twee halfautomatische geweren.
De lokale politie geeft op 7 augustus 2019 een gunstig advies.
De gouverneur van de provincie Antwerpen vraagt aan de Proefbank voor Vuurwapens (“de proefbank”) advies over de vraag of in de vergunningsaanvraag sprake is van een verboden wapen.
Op 4 december 2019 dient verzoeker een administratief beroep in tegen het uitblijven van een beslissing van de gouverneur.
De lokale politie geeft op 13 december 2019 een gunstig advies, maar merkt op dat het noodzakelijk lijkt dat het advies van de proefbank in het dossier wordt opgenomen.
De procureur des Konings geeft op 16 januari 2020 een gunstig advies.
Hiertoe uitgenodigd, deelt verzoeker per e-mailbericht mee dat de invoerder van het wapen bevestigt dat het wapen in kwestie werd omgevormd tot een niet-verboden wapen.
De proefbank laat op 22 december 2020 weten dat het wapen CZ, model BREN 2 MS 11”, met serienummer C6[…], als een verboden wapen wordt aangemerkt.
Hiertoe uitgenodigd, bezorgt verzoeker op 3 februari 2021 zijn opmerkingen over het standpunt van de proefbank.
IX-10.078-4/21
3.2. De minister van Justitie verwerpt op 9 februari 2021 het beroep. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd:
“Artikel 3, § 1, 20° van de wapenwet stelt dat als verboden wapens worden beschouwd: ‘lange semiautomatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten’.
U diende een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een lang wapen met getrokken loop, model&type halfautomatisch BREN2, merk CZ, kaliber 7.62×39, serienummer C6[…].
Dit wapen beschikt over een inklapbare kolf die naar eigen zeggen is vastgezet door de invoerder met een splijtpen die enkel kan worden verwijderd door gebruik te maken van instrumenten. U meent dat dit wapen bijgevolg geen verboden wapen is in de zin van artikel 3, § 1, 20° van de wapenwet, hetgeen u ook kon laten bevestigen door de invoerder of de wapenhandelaar.
Deze bevestiging betreft een emailbericht van de invoerder van het wapen, […] van Midarms Belgium, waarin deze stelt dat het betreffende wapen in zijn atelier werd getransformeerd zodat het een legaal wapen wordt. In het mailbericht stelt [de invoerder] hiervan geen document te hebben aangezien dit een werk betreft dat werd gedaan in het atelier.
Voormeld artikel 3, § 1, 20° van de wapenwet stelt nochtans dat verboden zijn, lange semiautomatische wapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van:
– een opvouwbare kolf, of – een telescopische kolf, of – een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik te maken van instrumenten.
Indien het bijgevolg een lang halfautomatisch vuurwapen betreft met –
zoals u zelf bevestigt – een inklapbare kolf, dan is dit een verboden wapen.
De voorwaarde ‘die kan worden verwijderd zonder gebruik te maken van instrumenten’ slaat niet op de inklapbare of de telescopische kolf, doch wel op het soort kolf die dergelijke wapens kan inkorten tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen én die dus verwijderd kan worden zonder instrumenten te gebruiken.
Voormelde vuurwapens worden sinds de wetswijziging van 5 mei 2019
(artikel 153 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek) als verboden beschouwd.
Om u de mogelijkheid te geven om het betreffende wapen technisch te laten nakijken en categoriseren, werd u gevraagd om het wapen fysiek te laten aanbieden via de lokale politie bij de proefbank voor vuurwapens, die in België de autoriteit is voor de categorisering van vuurwapens. De lokale politie werd hier tevens door de federale wapendienst op gewezen.
IX-10.078-5/21
Op 14 december 2020 werd het wapen door de lokale politiezone Bodukap bij de Proefbank voor vuurwapens aangeboden. De Proefbank kwam tot de conclusie dat het betreffende wapen als een verboden wapen overeenkomstig de wapenwet moet worden gecatalogeerd.
Op basis van de gegevens die zich in het dossier en bij uw vergunningsaanvraag bevinden, kan derhalve niet anders dan besloten worden dat het wapen waarvoor u een vergunning tot het voorhanden hebben ervan aanvraagt, een opvouwbare kolf heeft en overeenkomstig artikel 3, § 1, 20° van de wapenwet verboden is.
Op grond van artikel 8 van de wapenwet mag niemand verboden wapens vervaardigen, herstellen, te koop stellen, verkopen, overdragen of vervoeren, opslaan, voorhanden hebben of dragen.
Een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verboden wapen kan bijgevolg niet ingewilligd worden.”
IV. Tussenkomst
Standpunt van de partijen
4.1. Op 15 maart 2022 dient de verwerende partij haar laatste memorie in. Op dezelfde dag dient de proefbank een verzoekschrift tot tussenkomst in. Het auditoraatsverslag gaat – uiteraard – hieraan vooraf.
De laatste memorie van verzoeker wordt op 12 april 2022
ingediend, de memorie in tussenkomst op 20 juni 2022.
4.2. De proefbank betoogt dat zij pas ná het voor de verwerende partij ongunstige auditoraatsverslag door deze laatste op de hoogte is gebracht en dat zij niet vroeger kennis had van het beroep. Volgens de proefbank kan het auditoraat worden belast met een aanvullend verslag, zodat zijn onderzoeksmogelijkheden niet zijn aangetast.
4.3. Volgens verzoeker komt de vraag om in de procedure tussen te komen te laat. Bovendien, zo betoogt hij, is de beslissing om tussen te komen niet rechtsgeldig.
IX-10.078-6/21
Beoordeling
5. De proefbank is alleszins niet in die mate een belanghebbende partij in een geschil over een wapenvergunning, dat van het met de instructie van de zaak belast lid van het auditoraat verwacht moest worden dat het de proefbank als mogelijk belanghebbende partij zou aanwijzen en de griffie haar zou uitnodigen om tussen te komen.
Bij ontstentenis van zulke kennisgeving “kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten”, aldus artikel 52, § 1, tweede lid, van de algemene procedureregeling, echter alleen “voor zover deze de procedure niet vertraagt”.
6. Uit de hiervóór beschreven chronologie blijkt dat het verzoek tot tussenkomst aan de Raad is gericht nadat het auditoraatsverslag is neergelegd en dat de memorie in tussenkomst dateert van na de beide laatste memories. Noch de verwerende partij, noch verzoeker hebben ordentelijk, dat wil zeggen in procedurestukken waarin door het procedurereglement is voorzien, op de argumenten van de proefbank kunnen reageren.
Het staat dan ook buiten kijf dat het verzoek in de huidige stand van de rechtspleging in principe niet kan worden ingewilligd, om de enkele reden reeds dat het noodzakelijk de procedure zou vertragen. De suggestie van de proefbank om een aanvullend auditoraatsverslag te laten opstellen en de vraag van verzoeker om in een aanvullende memorie te mogen antwoorden op de memorie van de proefbank illustreren zulks des te meer.
Om de procedure niet te vertragen, mag thans met de procedurestukken van de proefbank geen rekening worden gehouden ter beoordeling van het middelonderdeel dat in het auditoraatsverslag is onderzocht en waarvoor de zaak in staat is.
IX-10.078-7/21
7. Het onderzoek ten gronde is in het auditoraatsverslag evenwel beperkt tot dat eerste onderdeel van het eerste middel. Hierna zal blijken dat dit onderzoek de oplossing van het geschil niet mogelijk maakt en dat aanvullend onderzoek geboden is.
In die omstandigheden is er wel reden om de proefbank nog steeds voorlopig toe te laten om in de procedure tussen te komen, maar dan enkel voor het navolgende onderzoek van de overige middelen.
Nog steeds voorlopig, omdat tussen de partijen nog geen tegensprekelijk debat gevoerd is over de vraag of de proefbank belang heeft om tussen te komen; bovendien wordt door verzoeker de geldigheid van de tussenkomst betwist. Ook het auditoraat heeft hierover nog geen schriftelijk standpunt kunnen innemen. Om die reden is de toelating om voor het vervolg van de procedure tussen te komen slechts voorlopig.
V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel
Uiteenzetting van het middelonderdeel
8. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending “van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 1, eerste lid, van het eerste protocol bij het EVRM, van artikel 3, § 1, 20° van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, van artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”.
IX-10.078-8/21
Volgens verzoeker is er een schending voorhanden:
“Doordat de bestreden beslissing een oorspronkelijk lang halfautomatisch vuurwapen met een inklapbare kolf hoe dan ook als een verboden wapen in de zin van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet beschouwt;
En doordat de bestreden beslissing de categorie van verboden wapens in artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet stilzwijgend uitbreidt zonder dat daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke basis voorhanden is;
En doordat de bestreden beslissing aangeeft dat de mogelijke aanpassingen die een vuurwapen dat aanvankelijk met een opvouwbare of telescopische kolf was uitgerust, sindsdien heeft ondergaan, omkeerbaar zijn indien gebruik wordt gemaakt van instrumenten zodat de categorisering ervan als verboden wapen hierdoor niet kan worden beïnvloed;
Terwijl, eerste onderdeel, een dergelijke uitlegging van de categorie van verboden wapens uit artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet, geenszins overeenstemt met de uitdrukkelijke bewoordingen van de betrokken wettelijke bepaling en evenmin strookt met de bedoelingen van de wetgever bij het aannemen ervan en van artikel 199 van de wet van 5 mei 2019.”
In het eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing een oorspronkelijk lang halfautomatisch vuurwapen met een opvouwbare kolf hoe dan ook beschouwt als een verboden wapen in de zin van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet (wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’), ongeacht de wezenlijke aanpassingen die het betrokken vuurwapen ondertussen heeft ondergaan. De opvouwbare kolf werd vastgezet en ten gevolge van deze aanpassing beschikt het vuurwapen niet langer over een inklapbare kolf waarmee het wapen kan worden ingekort tot minder dan 60 cm. De bestreden beslissing verwerpt niettemin het beroep omdat de aanvraag betrekking zou hebben op een verboden wapen in de zin van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet.
Verzoeker argumenteert (voetnoten weggelaten):
“21. Met de introductie van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet werd een nieuwe categorie van verboden wapens toegevoegd aan de opsomming ervan in artikel 3 van de Wapenwet. Het gaat met name om de lange semiautomatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 IX-10.078-9/21
verwijderd zonder gebruik van instrumenten. Deze bepaling werd aan de Wapenwet toegevoegd door artikel 153 van de wet van 5 mei 2019
houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek (de wet van 5 mei 2019). De voormelde wettelijke bepaling vult de lijst met verboden wapens aan en voorziet daarmee in de omzetting van Bijlage I, punt II, A, 8, van EU-Richtlijn nr.
91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, zoals ingevoegd bij artikel 1 (19) van EU-Richtlijn nr. 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens. Artikel 153 van de wet van 5 mei 2019, en bijgevolg ook het nieuwe 20° van artikel 3, § 1 van de Wapenwet, is op 3 juni 2019 in werking getreden. Diezelfde wet van 5 mei 2019 voorzag ter zake eveneens in een overgangsbepaling. Artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 bepaalt immers als volgt: […]
22. De wetgever heeft met deze bepaling in een tijdelijk uitzonderingsregime willen voorzien voor eigenaars van lange semiautomatische vuurwapens die onder de nieuwe categorie van verboden wapens vallen en die in de periode voor de wetswijziging het vuurwapen hebben verworven.
De regeling schept de mogelijkheid voor eigenaars die hun wapen recent hebben verworven (tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019) om binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet het betrokken vuurwapen aan te passen zodat het niet langer een verboden wapen zou uitmaken in de zin van deze bepaling. De eigenaars die aan voormelde vereisten voldoen, beschikken bijgevolg over een overgangsperiode om te vermijden dat hun vuurwapens vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet als een verboden wapen zouden worden gekwalificeerd en ze bijgevolg meteen strafbaar zouden zijn op grond van artikel 8 van de Wapenwet.
23. Een dergelijke aanpassing in de zin van artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 is precies wat de verzoekende partij met de wijzigingen aan het vuurwapen in kwestie heeft willen bewerkstellingen.
De opvouwbare kolf van het vuurwapen is door de invoerder ervan met een splijtpen vastgezet vooraleer het door de verzoekende partij werd verworven. Ten gevolge van deze ingreep is de opvouwbare kolf van het vuurwapen niet langer functioneel zodat het wapen niet kan worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm tenzij het wordt gedemonteerd waarvoor gebruik moet worden gemaakt van bepaalde instrumenten.
De verzoekende partij voldoet bovendien aan de vereisten om toepassing te maken van deze bepaling. Ze heeft het aangepaste wapen binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van artikel 153 van de wet van 5
mei 2019, zijnde 3 juni 2019, voorgelegd met het oog op een vergunningsaanvraag op 24 juli 2019. De verwerende partij houdt in de bestreden beslissing evenwel op geen enkel ogenblik rekening met deze wettelijke bepaling.
IX-10.078-10/21
24. Ongeacht de vraag of de verzoekende partij al dan niet toepassing kan maken van artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 – hoewel hierboven is gebleken dat zij aan de vereisten uit deze bepaling voldoet – , kan uit het bestaan van deze bepaling hoe dan ook ondubbelzinnig worden afgeleid dat de wetgever van oordeel was dat niet alleen de vuurwapens met verwijderbare kolf maar ook de vuurwapens met een opvouwbare of telescopische kolf in de zin van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet kunnen worden aangepast met het oog op de aanvraag van een wapenvergunning en de uiteindelijke verwerving ervan.
De verboden vuurwapens die kunnen worden ingekort zoals omschreven in artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet, komen weliswaar niet (meer) in aanmerking voor een wapenvergunning. Dat soortgelijke vuurwapens wel degelijk kunnen worden aangepast indien ze reeds vergund waren of ook in de toekomst nog kunnen worden vergund nadat ze eerst zijn gewijzigd, blijkt eveneens uit de toelichting bij het amendement dat aanleiding gaf tot het invoegen van artikel 199 in de wet van 5 mei 2019:
De EU-vuurwapenrichtlijn laat echter de lidstaten niet meer toe om nog vergunningen tot het voorhanden hebben van deze wapens te verlenen. Na de inwerkingtreding van deze omzettingswet zal de gouverneur dan ook geen vergunningen meer kunnen verlenen voor deze wapens.
De bezitters van dergelijke wapens aan wie na 13 juni 2017 een vergunning werd verleend, kunnen de kolf van het wapen binnen de drie maanden na inwerkingtreding van artikel 180 (uitbreiding van de lijst met verboden wapens) aanpassen zodat het niet meer onder de categorie verboden wapens van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet valt.
Artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet sluit bijgevolg geenszins uit dat de lang halfautomatische vuurwapens waarvan sprake in deze bepaling, kunnen worden aangepast zodat ze niet langer kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm. Een dergelijke wijziging heeft als gevolg dat het vuurwapen in kwestie niet als een verboden vuurwapen moet worden beschouwd.
25. In het licht van het voorgaande vormt de beoordeling van de Proefbank waarop de bestreden beslissing zich nagenoeg volledig baseert, dan ook een onjuiste interpretatie van de categorie van verboden wapens uit artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet. […]
De Proefbank gaat er klaarblijkelijk van uit dat eender welk vuurwapen dat aanvankelijk met opvouwbare of telescopische kolf was uitgerust, hoe dan ook een verboden wapen blijft ongeacht de aanpassingen die het vuurwapen mogelijk heeft ondergaan voorafgaand aan de verwerving ervan door de eigenaar.
26. Deze absolute invulling van de omschrijving van de categorie van verboden wapens in de zin van artikel 3, § 1, 20° maakt dat soortgelijke vuurwapens nooit zouden kunnen worden aangepast en onherroepelijk een verboden wapen vormen vanaf het bestaan of de productie ervan. Een dergelijke interpretatie strookt evenwel niet met de bedoelingen die de wetgever had met artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 evenals met de geest van deze bepaling en van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet.”
IX-10.078-11/21
IX-10.078-12/21
9. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe wat volgt:
“De verzoekende partij komt wel degelijk in aanmerking om toepassing te maken van het overgangsregime uit artikel 199 van de wet van 5 mei 2019.
Deze regeling schept de mogelijkheid voor eigenaars die hun wapen tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019 hebben verworven om binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet het betrokken vuurwapen aan te passen zodat het niet langer een verboden wapen zou uitmaken in de zin van deze bepaling. De eigenaars die aan voormelde vereisten voldoen, beschikken bijgevolg over een overgangsperiode om te vermijden dat hun vuurwapens vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet als een verboden wapen zouden worden gekwalificeerd en ze bijgevolg meteen strafbaar zouden zijn op grond van artikel 8 van de Wapenwet.
Een dergelijke aanpassing in de zin van artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 is precies wat de verzoekende partij met de wijzigingen aan het vuurwapen in kwestie heeft willen bewerkstellingen. De opvouwbare kolf van het vuurwapen is door de invoerder ervan immers met een splijtpen vastgezet vooraleer het door de verzoekende partij werd verworven. Ten gevolge van deze ingreep is de opvouwbare kolf van het vuurwapen niet langer functioneel zodat het wapen niet kan worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm tenzij het wordt gedemonteerd waarvoor gebruik moet worden gemaakt van verschillende instrumenten. De verzoekende partij heeft het aangepaste wapen binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van artikel 153 van de wet van 5 mei 2019, zijnde 3
juni 2019, voorgelegd met het oog op het verkrijgen van een vergunningsaanvraag op 24 juli 2019.
Los van het voorgaande, toont het bestaan van de voormelde overgangsregeling op zijn minst aan dat de wetgever niet voor ogen had om dergelijke lange halfautomatische wapens per definitie als een verboden wapen te categoriseren maar dat er integendeel (ook in de toekomst) mogelijkheden zijn om deze wapens te moduleren zodat ze niet langer als verboden worden aanzien. De wetgever was kennelijk van oordeel was dat niet alleen de vuurwapens met verwijderbare kolf maar ook de vuurwapens met een opvouwbare of telescopische kolf in de zin van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet kunnen worden aangepast met het oog op de aanvraag van een wapenvergunning en de uiteindelijke verwerving ervan.
Voor zover dergelijke vuurwapens kunnen worden aangepast, kunnen ze ook in de toekomst nog worden vergund nadat ze eerst zijn gewijzigd (zoals in het voorliggende geval).
[…]
De oorspronkelijke opvouwbare kolf van het betrokken vuurwapen is […]
met een splitpen vastgezet. Ten gevolge van deze ingreep is de opvouwbare kolf niet langer functioneel zodat het vuurwapen in kwestie niet meer kan worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm. Dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 IX-10.078-13/21
kan enkel en alleen nog voor zover het wordt gedemonteerd waarvoor gebruik moet worden gemaakt van bepaalde instrumenten. Hiermee is het vuurwapen wezenlijk veranderd en heeft de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij dan ook betrekking op een lang halfautomatisch vuurwapen met vastgezette kolf dat niet kan worden ingekort enkel en alleen via het aanwenden van een opvouwbare kolf zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet.
Deze vaststelling is des te meer onontkoombaar nu de Proefbank slechts na het doorvoeren van ingrepen met verscheidene instrumenten, vaststelt dat het wapen via de opvouwbare kolf kan worden ingekort tot minder dan 60 cm. Om deze reden zouden de wijzigingen aan het vuurwapen die de verzoekende partij heeft doorgevoerd, ‘omkeerbaar’ zijn. De verwerende partij leidt uit de bewoordingen van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet dan ook af dat enkel een vuurwapen waarvan de (niet opvouwbare) kolf uitsluitend kan worden verwijderd mét het gebruik van instrumenten géén verboden wapen zou zijn, terwijl een dergelijke modulatie evenzeer ‘omkeerbaar’ is mits gebruik wordt gemaakt van instrumenten.
[In] artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet […] wordt niet expliciet aangegeven dat de inkorting van dergelijke wapens moet plaatsvinden ‘zonder gebruik van instrumenten’ zodat de verwerende partij hier schijnbaar uit afleidt dat een vuurwapen met opvouwbare of telescopische kolf voortaan steeds verboden zou zijn ongeacht of er al dan niet gebruik zou moeten worden gemaakt van instrumenten.
In tegenstelling tot hetgeen wordt aangevoerd in de memorie van antwoord, is de vermelding dat er geen gebruik mag worden gemaakt van instrumenten evenwel overbodig in het geval van vuurwapens met een opvouwbare of telescopische kolf precies omdat deze eigenschap karakteristiek en vanzelfsprekend is voor een opvouwbare kolf. Indien de opvouwbare kolf slechts kan functioneren nadat er externe instrumenten aan te pas zijn gekomen, verliest deze immers zijn kenmerkende eigenschap zodat er geen sprake (meer) kan zijn van een opvouwbare kolf. Het vuurwapen kan niet langer worden ingekort door middel van de opvouwbare kolf alleen waardoor het betrokken wapen niet als een verboden wapen in de zin van artikel 3, § 1, 20° van de Wapenwet moet worden gecategoriseerd. Datzelfde is daarentegen niet noodzakelijk het geval voor een verwijderbare kolf die in voorkomend geval mét of zonder gebruik van bijkomende instrumenten kan worden verwijderd. Het feit dat de wet expliciet aangeeft dat een kolf die kan worden verwijderd zonder instrumenten, verboden is, betekent dan ook niet dat enkel de vuurwapens met een verwijderbare kolf zouden kunnen worden aangepast zodat de inkorting ervan slechts nog met behulp van instrumenten kan plaatsvinden. De omschrijving van de categorie van vuurwapens met verwijderbare kolf kan dan ook geen a contrario gevolgen hebben voor de omvang van de categorie van verboden vuurwapens met opvouwbare of telescopische kolf.”
IX-10.078-14/21
10. In zijn laatste memorie herinnert verzoeker nogmaals aan artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet, waarin hij leest dat niet een wapen met een vastgezette kolf verboden wordt door de wet, maar wel een wapen met een opvouwbare kolf. Als de kolf van het wapen niet opvouwbaar is, kan het derhalve onmogelijk onder de verboden wapens vallen. Het is duidelijk dat het wapen dat het voorwerp is van de vergunningaanvraag niet meer over een opvouwbare kolf beschikt, aangezien deze kolf door middel van een schroef werd vastgezet. Hij wijst er ook op dat de administratie van de Europese Commissie en de proefbank, vervolgens de federale wapendienst en ten slotte de minister er elk een andere visie op na houden hoe de voormelde bepaling in de richtlijn of de wet gelezen moet worden. De enige manier om rechtsonzekerheid te vermijden, bestaat erin vast te houden aan de wet die duidelijk genoeg is opdat interpretatie niet noodzakelijk is.
Beoordeling
11. Bij artikel 153, 3°, van de wet van 5 mei 2019 ‘houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek’ (“de wet van 5 mei 2019”) werd artikel 3, § 1, van de wapenwet aangevuld met een 20°, waarin voortaan als verboden wapens worden beschouwd:
“Lange semiautomatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten.”
12. Onder het hiervóór sub 8 aangehaalde punt 21 van het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker correct de achtergrond van deze wetswijziging geschetst, inzonderheid richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 ‘tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens’, waarvan ze de omzetting beoogt. Het betreft meer bepaald de volgende wijziging van bijlage I, punt II, A, categorie B, punt 8 van die richtlijn:
IX-10.078-15/21
“Lange semiautomatische vuurwapens (d.w.z. vuurwapens die oorspronkelijk zijn bedoeld om te worden afgevuurd vanaf de schouder)
die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten.”
13. Artikel 45/2 van de wapenwet, ingevoegd bij artikel 163 van de wet van 5 mei 2019, bevat een overgangsmaatregel:
“Personen die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, rechtmatig verwierven en registreerden vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon, mogen dit vuurwapen verder voorhanden hebben, mits aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens is voldaan. Zij kunnen het betreffende vuurwapen enkel overdragen aan de sportschutters bedoeld in artikel 27, § 3, vierde lid en aan daartoe erkende handelaars, verzamelaars en musea. Ze kunnen het vuurwapen tevens laten neutraliseren overeenkomstig artikel 3, § 2, 3°, of er afstand van doen.”
14. Artikel 199 van de wet van 5 mei 2019, waarop verzoeker een beroep doet, bevat een tweede overgangsmaatregel:
“Binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van artikel 153, kunnen personen, die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet rechtmatig verwierven vanaf 13 juni 2017 tot de inwerkingtreding van artikel 153, de opvouwbare of telescopische kolf of de kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten, aanpassen zodat het vuurwapen niet langer valt onder de categorie van verboden wapens van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet.”
Dat artikel 199 is het gevolg van een amendement –
amendement 27 – dat de volgende verantwoording kreeg van de indieners (Parl.St. Kamer 2018-2019, 3515/3, 12):
“Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens […]
deelt de lange semiautomatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 IX-10.078-16/21
door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten in onder categorie A
– verboden wapens. Deze verplichting wordt in dit wetsvoorstel omgezet door artikel 180, eerste lid, 3°.
Om te vermijden dat de lidstaten alle bezitters van dergelijke wapens dienen te onteigenen en te vergoeden, maakt artikel 7.4bis van de richtlijn het mogelijk dat deze wapens voorhanden kunnen worden gehouden indien ze voor 13 juni 2017 (datum inwerkingtreding EU-
vuurwapenrichtlijn) rechtmatig verworven en geregistreerd waren.
Vermits deze wapens echter waren ingedeeld als vergunningsplichtige wapens (artikel 3, § 3 wapenwet), is het niet uit te sluiten dat voor deze wapens nog vergunningen werden verleend na 13 juni 2017.
De EU-vuurwapenrichtlijn laat echter de lidstaten niet meer toe om nog vergunningen tot het voorhanden hebben van deze wapens te verlenen. Na de inwerkingtreding van deze omzettingswet zal de gouverneur dan ook geen vergunningen meer kunnen verlenen voor deze wapens.
De bezitters van dergelijke wapens aan wie na 13 juni 2017 een vergunning werd verleend, kunnen de kolf van het wapen binnen de drie maanden na inwerkingtreding van artikel 180 (uitbreiding van de lijst met verboden wapens) aanpassen zodat het niet meer onder de categorie verboden wapens van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet valt.”
15. Uit het administratief dossier blijkt dat het betrokken wapen op het ogenblik van de vergunningsaanvraag op 23 juli 2019 een nieuw wapen was, met productiejaar 2019. Daaruit volgt dat het vanzelfsprekend niet verworven is vóór 13 juni 2017 en dus niet ingepast kan worden in de overgangsmaatregel van artikel 45/2 van de wapenwet. Verzoeker beweert zulks ook niet.
16. Volgens verzoeker mag hij zich wel beroepen op artikel 199
van de wet van 5 mei 2019.
Hierin vergist hij zich.
Gelet op de totstandkoming van dit artikel – men leze de sub 14
aangehaalde verantwoording waarop verzoeker zich meermaals zelf beroept –
moet immers onder “personen, die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet rechtmatig verwierven” begrepen worden, de personen aan wie na 13 juni 2017 nog een wapenvergunning is verleend voor één van de ondertussen unierechtelijk verboden vuurwapens van de bedoelde categorie. Dit
IX-10.078-17/21
is uiteraard niet het geval voor het wapen van verzoeker, aangezien hem geen vergunning is verleend maar hij ze precies aanvraagt.
Deze lezing strookt bijgevolg zeer wel met de bedoeling van de wetgever, die immers enkel een bijkomende gunstmaatregel wou invoeren voor de personen die te goeder trouw een vergunning hadden gevraagd én gekregen vóór 3 juni 2019 en – al dan niet terecht– volgens de wetgever niet het slachtoffer mochten zijn van de laattijdige omzetting van de richtlijn.
Het wapen van verzoeker valt dus evenmin onder deze overgangsmaatregel.
17. Voorts dient de wet van 5 mei 2019 richtlijnconform te worden gelezen.
Het nieuw ingevoegde artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn laat de lidstaten de vrijheid “om vergunningen voor in punt 6, 7 of 8 van categorie A
ingedeelde semiautomatische vuurwapens te bevestigen, vernieuwen of verlengen voor wat betreft een vuurwapen dat was ingedeeld in categorie B, en dat rechtmatig was verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, mits aan de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden wordt voldaan”. De afwijking van de regel betreft dus het “bevestigen, vernieuwen of verlengen” van reeds toegekende vergunningen, niet het verlenen van nieuwe vergunningen.
Van die mogelijkheid heeft de wetgever gebruik gemaakt met artikel 45/2 van de wapenwet.
Maar ook de in artikel 199 van de wet van 5 mei 2019
opgenomen overgangsmaatregel spoort hiermee, anders dan verzoeker het ziet:
enkel wie al vroeger een vergunning was verleend, krijgt tijd om het wapen aan te passen, waardoor hij zijn vergunning kan behouden. A contrario mogen personen die pas na de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2019 een dergelijk wapen verwerven, die aanpassing niét doorvoeren, want zij hebben hun wapen niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053 IX-10.078-18/21
rechtmatig verworven en genieten niet de overgangsmaatregel. Voor deze wapens geldt ten volle het verbod, als bedoeld in artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet, zoals ook is te lezen in de voormelde verantwoording:
“Na de inwerkingtreding van deze omzettingswet zal de gouverneur dan ook geen vergunningen meer kunnen verlenen voor deze wapens.”
18. Anders dan verzoeker argumenteert, volgt dus uit de regelgeving inderdaad dat “eender welk vuurwapen dat aanvankelijk met opvouwbare of telescopische kolf was uitgerust, hoe dan ook een verboden wapen blijft ongeacht de aanpassingen die het vuurwapen mogelijk heeft ondergaan voorafgaand aan de verwerving ervan door de eigenaar”, met als enige uitzondering de wapens die op regelmatige wijze werden verworven en vergund vóór 3 juni 2019, dat is de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2019. Dat de laatstgenoemde vuurwapens mogen worden aangepast indien ze reeds vergund waren klopt, maar sluit precies uit dat ze “ook in de toekomst nog kunnen worden vergund nadat ze eerst zijn gewijzigd”. De mogelijkheid tot aanpassing wordt enkel geboden aan “bezitters van dergelijke wapens aan wie na 13 juni 2017 [en vóór 3 juni 2019] een vergunning werd verleend”.
19. Dat het wapen enkel met gebruik van instrumenten kan worden hersteld in zijn oorspronkelijke toestand, doet aan wat voorafgaat geen afbreuk.
De toevoeging in de wapenwet – en in de richtlijn – over de instrumenten betreft immers enkel de wapens met een kolf die kan worden verwijderd “zonder gebruik van instrumenten”, niet een wapen met opvouwbare kolf. Er mag aan worden herinnerd dat de herziening die richtlijn 2017/853 doorvoert, luidens punt 2 van zijn considerans beoogt “misbruik van vuurwapens voor criminele doeleinden aan te pakken, alsook in het licht van recente terreuraanslagen” door “een gemeenschappelijke aanpak voor het onbruikbaar maken van vuurwapens om het opnieuw gebruiksklaar maken en het gebruik ervan door criminelen te voorkomen”.
20. Verzoeker weerspreekt niet dat het wapen waarover de betwisting gaat tijdens het jaar 2019 in productie is gebracht als een wapen met
IX-10.078-19/21
opvouwbare kolf – zodat het onder de nieuwe categorie van verboden vuurwapens valt – en dat er nooit enige vergunning voor is verleend – zodat het niet de overgangsmaatregelen kan genieten.
Hij toont aldus geen schending aan van de ingeroepen bepalingen van de wapenwet of van de wet van 5 mei 2019.
21. In zoverre is het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond.
22. In dit middelonderdeel voert verzoeker ook een schending aan van het eigendomsrecht. Die grief is in het auditoraatsverslag niet onderzocht.
Dat is evenmin het geval voor het tweede middelonderdeel en het tweede middel.
Aangezien de Raad de conclusie van het auditoraatsverslag niet bijvalt, is er reden tot aanvullend onderzoek van deze wettigheidskritieken.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast een aanvullend verslag op te stellen.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
IX-10.078-20/21
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-10.078-21/21
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.053
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.495
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...