ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 Rolnummer: A. 236792/IX-10073 Zaak: Arrest 260540 - Tucht (openbaar ambt) - 29/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-03 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-03 21:07 Fiche Arrest nr 260.540 van 29 augustus 2024...
38 min de lecture · 8,317 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 29 augustus 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540
Rolnummer:
A. 236792/IX-10073
Zaak:
Arrest 260540 – Tucht (openbaar ambt) – 29/08/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-03
Raadplegingen:
85 – laatst gezien 2026-06-03 21:07
Fiche
Arrest nr 260.540 van 29 augustus 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar
ambt) Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 no lien 278437 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 260.540 van 29 augustus 2024
in de zaak A. 236.792/IX-10.073
In zake : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Huis 11
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Len Augustyns kantoor houdend te 2000 Antwerpen Brusselstraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
G.V.
die woonplaats kiest bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 19 april 2022 waarbij de aan GV opgelegde tuchtstraf van het ontslag wordt vernietigd en aan haar de tuchtstraf ‘schorsing tot 30 juni 2022’ wordt opgelegd.
IX-10.073-1/24
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
GV heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 september 2022. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2024.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Len Augustyns verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
IX-10.073-2/24
III. Feiten
3.1. Met een brief van 11 maart 2021 deelt de algemeen directeur van scholengroep ‘Huis 11’ van het Gemeenschapsonderwijs aan de tussenkomende partij, vast benoemd onderwijzer in de GO! freinetschool (basisonderwijs) ‘Tinteltuin’ te Zoutleeuw, mee wat volgt:
“Op 11 maart 2021 ontvang ik van [DM], coördinator van ‘De Tinteltuin’ volgend verzoek:
‘De bewogen geschiedenis van onze school is u uiteraard niet onbekend. Recent zijn we echter in extreem woelig vaarwater terechtgekomen omwille van de acties van enkele personeelsleden.
Deze hebben immers een project op poten gezet om een nieuwe school uit de grond te stampen. Dit is uiteraard ieders recht (onderwijsvrijheid) maar er stelt zich mijns inziens wel een onoverkomelijk probleem als een personeelslid van het GO! de initiatiefnemer, spreekbuis, sturende kracht is van een school (weliswaar in oprichting) die zich niet in het GO! situeert en daarbij actief ouders en kinderen van onze school ronselt en tijdens informatiesessies (aangaande de op te richten school) het project van onze school, van de scholengroep Huis 11 en van het GO! in zijn totaliteit in diskrediet brengt. Aangezien de handelwijze van de betrokken leerkrachten naar mijn aanvoelen resulteert in een manifeste ordeverstoring op onze school, wil ik u verzoeken om een preventieve schorsing van betrokken personeelsleden – [KC]
en [de tussenkomende partij] ([GVS] stapt in een verlofsysteem tot einde schooljaar) in overweging te nemen. Bijgesloten bij deze brief vindt u een dossier dat mijn betreurenswaardige conclusie onderbouwt.’ Gelet op de ernst van de gesignaleerde elementen en het verzoek van de directie wil ik u uitnodigen voor een hoorzitting door de Raad van Bestuur in het kader van de ordemaatregel ‘preventieve schorsing’.”
3.2. Op 17 maart 2021 beslist de raad van bestuur van de betrokken scholengroep om de tussenkomende partij bij hoogdringendheid preventief te schorsen en haar uit te nodigen voor een hoorzitting in het kader van deze ordemaatregel op 31 maart 2021.
Op 31 maart 2021 “bevestigt” en “bekrachtigt” de raad van bestuur de preventieve schorsing van de tussenkomende partij.
IX-10.073-3/24
Tegen deze laatste beslissing dient de tussenkomende partij een beroep in bij de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs.
3.3. Op 20 mei 2021 deelt de algemeen directeur van de scholengroep aan de tussenkomende partij mee dat de raad van bestuur heeft beslist om een tuchtonderzoek op te starten en dat aan de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs werd gevraagd om een onderzoeksteam met een onderzoeksopdracht te belasten.
3.4. Op 25 mei 2021 bevestigt de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs de voormelde beslissing van 31 maart 2021 in verband met de preventieve schorsing van de tussenkomende partij.
3.5. Op 10 december 2021 legt de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs een rapport neer over haar onderzoek naar “acties die [de tussenkomende partij] heeft ondernomen ten nadele van GO! freinetschool Tinteltuin Zoutleeuw, scholengroep 11 en/of het GO!”. Het besluit daarvan luidt als volgt:
“[De tussenkomende partij] had het moeilijk met de komst van de nieuwe coördinator in maart 2020 en haar beleid. Door haar tegenwerkingen ondermijnde [de tussenkomende partij] het gezag van [DM], waardoor het voor [DM] ontzettend moeilijk was om de opdracht die ze had gekregen, om rust te brengen in de school, te volbrengen. De climax van deze negatieve houding was het ogenblik dat [de tussenkomende partij] samen met de andere initiatiefnemers op 5 maart 2021 de bom dropte van een nieuwe school. Doordat [de tussenkomende partij] midden in een schooljaar, tijdens haar ziekteverlof, samen met [KC], [GVS] en [AL], dit initiatief nam, bracht dit niet alleen het beleid van [DM], maar ook de ganse schoolwerking van GO! freinetschool De Tinteltuin, in het gedrang.
We konden niet vaststellen dat [de tussenkomende partij] hiervoor actief leerlingen heeft geronseld maar dat dit door minstens één ouder op een bijna dwingende wijze gebeurde – al dan niet gebruik makend van incorrecte gegevens, waarvan de vraag nog maar is hoe zij daaraan kwam – staat vast. Uit het onderzoek blijkt niet dat [de tussenkomende partij]
deze ronselpraktijken heeft doen stoppen of op zijn minst heeft proberen af te remmen. Integendeel, de oproep die ze aan collega’s en ouders tijdens de infoavond op 8 maart 2021 deden om mee te stappen in hun verhaal, kan als ronselen beschouwd worden.
IX-10.073-4/24
Door tijdens de infoavond duidelijk aan te geven dat de visie van de TintelTuin niet meer de hunne was en ook de scholengroep een rol kreeg toegemeten waar zij het moeilijk mee had, werden de roddels aan de schoolpoort nog meer gevoed. Door bepaalde uitspraken heeft [de tussenkomende partij] de TintelTuin, de scholengroep, en daaraan gekoppeld ook het GO!, in diskrediet gebracht.
Het initiatief van de nieuwe school heeft een buitensporige onrust veroorzaakt, niet alleen bij de ouders die zich vragen begonnen te stellen bij de werking van de TintelTuin en waarom zulke gedreven krachten verdwenen, maar ook bij de leerlingen die niet begrepen wat er allemaal gebeurde. Niet alleen bevriende ouders maar ook klasvriendjes werden uiteen getrokken en dit in een periode dat corona al een jaar lang het leven van velen, maar ook zeker de onderwijswereld ‘op zijn kop’ had gezet.
Ouders voelden zich door dit initiatief verplicht om een kant te kiezen:
ofwel zat men in het kamp tegen de TintelTuin ofwel in het andere kamp.
Maar ondertussen bleven zowel de pro’s als de contra’s wel op diezelfde school.
Ouders waren hierdoor misnoegd, te meer omdat tijdens de infoavond, waar we onze vragen stellen bij de timing hiervan, voor sommigen het ook niet duidelijk was wat er dan zo verkeerd liep en hoe het dan wel bij het nieuwe initiatief anders zou lopen. Met andere woorden werd er onrust gecreëerd op basis van vage ideeën. [De tussenkomende partij] verlaat in de ogen van bepaalde ouders een ‘zinkend schip’ waaraan ze mogelijk zelf heeft bijgedragen en waarvan ze het niet de moeite meer vindt om het mee boven water te houden. Bovendien waren ouders ook misnoegd omdat ze vonden dat het niet kon zijn dat, in een periode van vele afwezigheden en constante wissels waarvan de kinderen de dupe waren, een collega die met ziekteverlof was bezig was met het oprichten van een nieuw project.
Dat [de tussenkomende partij] haar eigen belangen boven die van haar leerlingen van de TintelTuin heeft gezet kan niet worden betwist en druist zeker ook in tegen de ‘zuivere’ Freinetgedachte/visie die [de tussenkomende partij] als het argument aanhaalt om tot het oprichten van een nieuwe school over te gaan.”
3.6. Met een brief van 21 december 2021 meldt de algemeen directeur van de betrokken scholengroep aan de tussenkomende partij dat de raad van bestuur overweegt om aan haar de tuchtstraf van het ontslag op te leggen op grond van de volgende tenlasteleggingen:
“- Het in het gedrang brengen, door midden in het schooljaar aan te kondigen samen met collega’s een nieuwe school op te starten, van niet enkel het (door [de tussenkomende partij] tegengewerkte) beleid van de coördinator maar van de gehele schoolwerking van de TintelTuin, zoals nauwgezet beschreven in het onderzoeksverslag;
– Het tijdens de infoavond van 8 maart 2021 – die klaarblijkelijk tot doel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-5/24
had om de scholengroep in snelheid te pakken aangezien die op dinsdag 9 maart 2021 een infomoment organiseerde over de toekomstperspectieven van de TintelTuin – lanceren van een oproep aan collega’s en ouders om mee te stappen in het verhaal van de nieuwe school, hetgeen zonder meer als ronselen kan betiteld worden;
– Het tijdens diezelfde infoavond van 8 maart 2021 doen van uitspraken –
over het project van de TintelTuin, de scholengroep en de algemeen directeur, zoals nauwgezet beschreven in het onderzoeksrapport – die de TintelTuin, de scholengroep, en daaraan gekoppeld ook het GO!, in diskrediet brachten;
– Het met stelligheid plaatsen van uw persoonlijk belang boven dat van uw leerlingen door op basis van vage ideeën (de aankondiging van uw nieuwe project dat zelfs de embryonale fase nog niet ontgroeid was) buitensporige onrust te veroorzaken bij ouders en leerlingen en op die manier kampvorming instigeren.”
De tussenkomende partij gehoord, beslist de raad van bestuur op 26 januari 2022 om aan haar de tuchtstraf van het ontslag op te leggen. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd:
“II. Zijn de ten laste gelegde feiten bewezen?
De raad kan vaststellen dat [de tussenkomende partij], bij monde van haar raadsman, de modus operandi van de onderzoekscel en de conclusies die de onderzoekers trekken contesteert. [De tussenkomende partij] voert aan dat de conclusies van de onderzoekscel gebaseerd zouden zijn op louter veronderstellingen en aannames.
De raad van bestuur, die van oordeel is zich – door het onderzoek à charge en à décharge te laten voeren door een neutrale en onafhankelijke derde, met name de onderzoekscel – net erg onpartijdig te hebben opgesteld kan dit argument van [de tussenkomende partij] alleen maar betwisten. Wie het omvangrijke onderzoeksrapport leest, kan enkel maar besluiten dat de conclusies van de onderzoekers (die aan de basis liggen van de tenlasteleggingen t.a.v. [de tussenkomende partij]) geenszins gebaseerd zijn op ‘los zand’.
Dat de raadsman van [de tussenkomende partij] nu ook aanvoert geen kennis te hebben van de vragen die gesteld zijn aan de personen die in het kader van het onderzoek werden geïnterviewd is uiteraard volslagen ongegrond, nu deze zich in het geïnventariseerd dossier bevonden […]
maar dit door [de tussenkomende partij] noch haar raadsman werd opgevraagd/geconsulteerd, hoewel hen die gelegenheid uitdrukkelijk werd geboden.
De vraag die zich hier opwerpt is of een personeelslid dat vast benoemd is in het Gemeenschapsonderwijs, onderworpen is aan de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, de gehechtheidsverklaring handtekende, terwijl hij/zij als werknemer aan dit net verbonden is – [de tussenkomende partij] is tot nader order in dienst van het Gemeenschapsonderwijs, weliswaar preventief geschorst wat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-6/24
enkel mogelijk is nét omdat zij vastbenoemd personeelslid is – actief kan meewerken aan de oprichting van een school die de school en het net waar zij vast benoemd is beconcurreert en in de voorbereiding van dat project de schoolwerking van die school waaraan men nog verbonden is in het gedrang brengt, aldaar verdeeldheid creëert en de school en de scholengroep in diskrediet brengt.
Hoe kan/moet de Inrichtende Macht, als verantwoordelijke instantie voor het Gemeenschapsonderwijs binnen de Scholengroep Huis 11 hier op reageren? Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat de decreetgever aan de Raad van Bestuur de zorg voor het Gemeenschapsonderwijs, zijn scholen, zijn pedagogisch project heeft toevertrouwd.
De Raad is van oordeel dat een personeelslid van het Gemeenschapsonderwijs loyaal moet zijn aan het Gemeenschapsonderwijs en de instelling waarin hij of zij tewerkgesteld is.
Deze loyauteitsplicht is decretaal verankerd in artikel 6 van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en werd verder uitgewerkt in de gehechtheidsverklaring.
De door de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs te ondertekenen (en door [de tussenkomende partij] gehandtekende)
gehechtheidsverklaring vermeldt onder andere:
‘stel mij, te allen tijde, loyaal op ten aanzien van het gemeenschapsonderwijs en engageer mij om bij te dragen tot de realisatie van het pedagogisch project’ Dit houdt in dat als een personeelslid handelingen stelt waarbij hij of zij deze loyauteit in het gedrang brengt, hij of zij zondigt tegen de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en hij of zij het voorwerp van een tuchtprocedure kan vormen.
Diverse handelingen kunnen als een inbreuk op de loyauteitsplicht worden betiteld en dus gesanctioneerd door middel van één van de in artikel 61
van het DRP bepaalde tuchtstraffen.
Als een personeelslid zich de facto buiten het Gemeenschapsonderwijs plaatst, en dit is wat een personeelslid dat een school opricht die zich buiten dit net situeert, doet, dan overtreedt dit personeelslid de hem of haar opgelegde plichten en de door hem of haar gehandtekende gehechtheidsverklaring. De Raad ziet immers niet in hoe een personeelslid dat het project van het Gemeenschapsonderwijs afwijst – dit is wat een personeelslid dat een school buiten het Gemeenschapsonderwijs opricht doet – nog verder binnen dit net, waarvan hij of zij de principes afwijst, kan functioneren. De vertrouwensbreuk kan dan enkel beschreven worden als definitief.
De Raad betwist een personeelslid niet het recht om een school op te richten, noch om de sturende kracht te zijn bij het oprichtingsproces van deze school. De Raad is enkel van oordeel dat het personeelslid in dat geval consequent moet handelen en de band met zijn inrichtende macht moet doorknippen, door ontslag te nemen in het net waarvan hij of zij het project afwijst. Hij of zij kan zich dan ongebonden aan de realisatie van dit ‘ander’ project wijden. Op dat moment wordt het ook voor het publiek
IX-10.073-7/24
duidelijk dat dit ‘ander’ project niets te maken heeft met het Gemeenschapsonderwijs.
Voor de Raad is het duidelijk. Men kan niet van twee walletjes eten.
Ofwel tracht men zijn onderwijsinzichten te realiseren binnen het Gemeenschapsonderwijs, ofwel ‘verlaat’ men het Gemeenschapsonderwijs en kan men vrij zijn inzichten verwerkelijken en verwezenlijken. Wat in geen geval kan is gebruik maken van de voordelen die de band met het Gemeenschapsonderwijs biedt, om een project op te starten dat de belangen van het Gemeenschapsonderwijs, zowel in algemene zin – het afwijzen van het project van het Gemeenschapsonderwijs – als in ‘concrete’ zin – de opstart van een school die een concurrent zal zijn voor de scholen van het Gemeenschapsonderwijs – zal schaden.
[De tussenkomende partij] heeft er niet voor gekozen om haar project te realiseren binnen het GO! – meer nog, heeft de werking van de school waar zij vastbenoemd is ernstig getroubleerd en zelfs in diskrediet gebracht – maar wil wel nog graag minstens tot 1 september 2022
genieten van de baten die haar vaste benoeming binnen diezelfde school opleveren. De Raad is van oordeel dat de keuze van [de tussenkomende partij] consequenties heeft en dat zij, nu [zij] deze consequenties niet zelf wil nemen, genoodzaakt is om hier zelf de gepaste gevolgen aan te koppelen.
III. Vormen de ten laste gelegde feiten een inbreuk op de plichten?
In navolging van de rechtspraak van de Raad van State gaat de Raad van Bestuur ervan uit dat bij het beantwoorden van de vraag of een bepaalde handeling een inbreuk vormt op de plichten van de personeelsleden, het onderscheid tussen een opzettelijke en een onopzettelijke inbreuk niet dienend is. De loutere vaststelling van een professionele tekortkoming, is immers voldoende om een tuchtrechtelijk optreden te motiveren.
Uiteraard speelt het al dan niet opzettelijk handelen wel een rol bij het bepalen van de strafmaat.
Zelfs de vraag of een betwist gedrag aanleiding gaf tot schade, is voor de schuldvraag niet relevant. Dat dit wel meespeelt bij het bepalen van de strafmaat is evident.
De plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs worden beschreven in Hoofdstuk II van het Decreet van 27 maart 1991
betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
In artikel 6 wordt bepaald:
‘De personeelsleden moeten het belang behartigen van het gemeenschapsonderwijs en van de instelling waarin zij tewerkgesteld zijn. Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen, de cursisten en consultanten.’ Artikel 7 bepaalt:
‘De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hun door of krachtens de wet of decreet of bij dienstorder zijn opgelegd.’ Artikel 8 bepaalt:
IX-10.073-8/24
‘De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen.
De personeelsleden moeten alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs.’ De Raad van Bestuur is van oordeel dat een personeelslid dat handelt zoals beschreven in I. ‘Tenlastelegging’ zondigt tegen de plichten zoals ze hiervoor vermeld werden. Een dergelijk personeelslid is niet loyaal aan het Gemeenschapsonderwijs en de instelling die hem of haar tewerkstelt, vervult de taken die hem of haar zijn opgelegd niet met inachtneming van de verplichtingen die hem of haar zijn opgelegd, gedraagt zich niet op een correcte wijze en schaadt het vertrouwen van het publiek.
IV. De strafmaat Nu de tenlastelegging als bewezen geacht wordt en deze tenlastelegging ook als een inbreuk op de plichten moet worden beschouwd, rest enkel de vraag naar de strafmaat.
Bij het bepalen van de strafmaat moet rekening gehouden worden met de ernst van de inbreuk op de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met de schade die het gevolg is van de inbreuk op de plichten. Verzachtende omstandigheden en verzwarende omstandigheden kunnen in rekening gebracht worden.
De Raad van Bestuur van de Scholengroep Huis 11 fungeert als Inrichtende Macht t.a.v. de scholen van de Scholengroep. Dit houdt in dat de Raad van Bestuur er voor verantwoordelijk is dat het vertrouwen van de leerlingen, de ouders, de personeelsleden van de school, de participanten, … in een school van de Scholengroep Huis 11 niet wordt beschaamd. Dit houdt ook in dat de Raad van Bestuur er ook moet over waken dat personeelsleden zich op een aanvaardbare wijze, d.w.z. een wijze die in overeenstemming is met de diverse voorschriften, gedragen.
Artikel 12 van het decreet van 27 maart 1991 bepaalt:
‘Onverminderd de toepassing van de strafwetten wordt iedere overtreding door een vast benoemd personeelslid en door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur van de in dit hoofdstuk vermelde bepalingen, al naar het geval, bestraft met een van de in artikel 61 bepaalde tuchtstraffen.’ Artikel 61 van het DRP somt volgende tuchtstraffen op:
1. de blaam 2. de afhouding van wedde 3. de schorsing bij tuchtmaatregel 4. de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel 5. de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt en de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt 6. het ontslag 7. de afzetting.
De Raad stelde hiervoor bij de bespreking van de tenlastelegging (‘II. Zijn de ten laste gelegde feiten bewezen?’) al dat een personeelslid dat een school opricht die zich in een ander net situeert én daarbij de werking van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-9/24
de school waar zij vastbenoemd is ernstig in het gedrang brengt en zelfs in diskrediet brengt, zich de facto buiten het Gemeenschapsonderwijs plaatst.
De Raad wil hierna citeren wat hiervoor gesteld werd.
Als een personeelslid het project van het Gemeenschapsonderwijs afwijst en de werking van de eigen school bemoeilijkt en in een negatief daglicht stelt – dit is wat in deze gebeurd is – ziet de Raad van Bestuur niet in hoe dit personeelslid nog verder in dit net, waarvan het principes afwijst, kan fungeren.
Als een personeelslid zelf niet het inconsistente van zijn of haar houding inziet, niet consequent wil handelen, rest de Inrichtende Macht maar één mogelijkheid en dat is zelf middels het opleggen van het ontslag bij tuchtmaatregel voor duidelijkheid te zorgen.”
3.7. De tussenkomende partij stelt een beroep in bij de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs.
Op 19 april 2022 beslist de kamer van beroep om de tuchtstraf van het ontslag te vernietigen en aan de tussenkomende partij de tuchtstraf ‘schorsing tot 30 juni 2022’ op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Ze is, wat de grond van de zaak betreft, als volgt gemotiveerd:
“4.1. De [tussenkomende partij] betwist de objectiviteit en de bewijskracht van het verslag van de Onderzoekscel GO!.
4.1.1. Met [de huidige verzoekende partij] is de Kamer van beroep van oordeel dat de Onderzoekscel GO!, behorend tot de centrale diensten van het GO!, in opdracht van de schoolbesturen en voor hun rekening aangelegenheden onderzoekt, zonder zelf beslissingen te kunnen treffen. Het komt uiteindelijk het schoolbestuur – en de Kamer van beroep – toe de waarde en de bewijskracht van het onderzoek te beoordelen, dit waar nodig te nuanceren of aan te vullen en zelfstandig uit te maken of er een feitelijke en juridische grondslag bestaat om tuchtrechtelijk op te treden.
4.1.2. Te dezen stelt de Kamer van beroep vast dat de Onderzoekscel haar opdracht correct heeft uitgevoerd door alle betrokkenen te verhoren en die verhoren – die in tegenstelling tot wat de [tussenkomende partij] beweert wel degelijk in het tuchtdossier opgenomen zijn – te analyseren, waarmee zij aan de raad van bestuur de nodige gegevens verstrekte om zich te beraden en te beslissen over het bestaan en het tuchtrechtelijk karakter van de onderzochte feitelijke gegevens, om tenlasteleggingen te formuleren en om deze te beoordelen.
4.2. De [tussenkomende partij] stelt dat de raad van bestuur vooringenomen gehandeld heeft doordat hij afgegaan is op een eenzijdig geredigeerd verslag van de Onderzoekscel GO!. Dit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-10/24
standpunt wordt niet bijgevallen: als hiervoor reeds gesteld heeft de Onderzoekscel haar opdracht correct uitgevoerd. Noch in hoofde van de Onderzoekscel noch in hoofde van de raad van bestuur wordt vooringenomenheid vastgesteld.
4.3. Met betrekking tot het bewijs van de tenlasteleggingen en hun kwalificatie als tuchtinbreuk is de Kamer van beroep de volgende mening toegedaan:
4.3.1. De raad van bestuur formuleert vier tenlasteleggingen en catalogeert die in haar motivering onder de centrale vraag of een personeelslid van het GO! ‘actief kan meewerken aan de oprichting van een school die de school en het net waar zij vast benoemd is beconcurreert en in voorbereiding van dat project de schoolwerking van de school waaraan men nog verbonden is in het gedrang brengt, aldaar verdeeldheid creëert en de school en de scholengroep in diskrediet brengt’. Hij vindt dat een personeelslid dat buiten het net een school opricht, ‘van twee walletjes eet’ en zich de facto buiten het gemeenschapsonderwijs plaatst, zijn plichten en de gehechtheidsverklaring miskent en niet verder kan functioneren.
4.3.2 De Kamer van beroep kan het absolute standpunt dat de raad van bestuur aldus hanteert – te weten dat het oprichten van een school op zich een deontologische fout uitmaakt – niet bijvallen. Zij is de mening toegedaan dat de loyauteitsverplichting – waaraan elk personeelslid van het GO! onderworpen is en die aldus zijn grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs inperkt – in elk geval afzonderlijk beoordeeld moet worden.
4.4.1 Terugvallend dan op de concrete tenlasteleggingen die de raad van bestuur uit het onderzoeksverslag gedistilleerd heeft, brengt de toets van het loyauteitsgegeven de Kamer van beroep tot volgende feitelijke vaststellingen en overwegingen:
4.4.2 Op het eerste zicht en bekeken vanuit de vrijheid om een school op te starten, kan aan de [tussenkomende partij] weinig verweten worden: zij maakt deel uit van de groep die een nieuwe school opricht; is het niet verboden om een school op te richten, dan is het in logica ook niet verboden om zulks in de openbaarheid te brengen; in de mededelingen daaromtrent – zoals de opstelling van de [tussenkomende partij] tijdens het digitaal infomoment van 8
maart – heeft zij zich, zoals blijkt uit het onderzoeksverslag, met de vereiste afstandelijkheid ten aanzien van het GO!, de TintelTuin en haar hiërarchische meerderen gedragen; uit het dossier blijkt ook niet dat zij persoonlijk leerlingen ‘geronseld’ heeft of dat zij ouders daartoe aangezet heeft zodat zij ook op dat vlak niet verantwoordelijk kan gesteld worden.
4.4.3 Daar tegenover staat dat, bekeken vanuit de belangen van de scholengroep, er wel degelijk sprake is van een deloyale opstelling. De Kamer van beroep steunt daarvoor op volgende feitelijkheden: de nieuwe school kan in concurrentie treden met de bestaande GO! school waar zij tewerkgesteld is; dit is hier zeker het geval nu het gaat om eenzelfde methodeonderwijs (Freinet);
IX-10.073-11/24
nadat op 3 maart 2021 de coördinator van de school [DM] aan de ouders van de GO!-school TintelTuin bekendgemaakt heeft dat er op 9 maart 2021 een informatieavond gehouden zal worden, publiceren de oprichters op 5 maart 2021 een facebookbericht dat zij op 8 maart 2021 een digitale infoavond houden over hun nieuw project; die bekendmaking vermeldt volgend bericht: ‘Ferme Freinetters zoeken ondernemende ouders om samen een nieuwe Freinetschool op te starten – ‘ruime omgeving Sint-Truiden’ (verslag van onderzoek, pag. 40); tijdens de informatieavond zelf is namens de initiatiefnemers meegedeeld: ‘Hopelijk jullie warm maken ook om mee in ons project te stappen’ en heeft de [tussenkomende partij] zelf gezegd: ‘Ja, die ouders die het zien zitten om mee in die opstartfase te zitten en die nu al mee willen zoeken en nadenken en het project vorm geven die willen we heel hard uitnodigen om opnieuw een mailtje te versturen naar dat nieuwe e-mailadres ‘nieuwe Freinetschool’ en dan zullen we jullie graag woensdag uitnodigen om te bekijken van welke stappen kunnen we alvast zetten en waar is er en wat is er op dit moment, ja wat is er te doen en wie kunnen we of hoe kunnen we daar mekaar een beetje helpen’ (verslag van onderzoek, pag. 61), hetgeen een duidelijke oproep is aan de ouders om zich te engageren, wat ook kan verklaren dat er aan de schoolpoort over pro en contra wordt gesproken.
4.4.4 Rekening houdend met voormelde feitelijke gegevens, die aan de eerste – (doorkruisen van de werking van De TintelTuin), de tweede (vragen om mee in het project te stappen) en de vierde (creëren van onrust bij ouders en leerlingen uit De TintelTuin)
tenlastelegging een deugdelijke feitelijke grondslag verlenen, is de Kamer van beroep van oordeel dat de [tussenkomende partij]
tekortgekomen is aan haar loyauteitsplicht tegenover de GO!-
school en het GO!. Van de derde tenlastelegging vindt de Kamer van beroep geen effectieve bewijzen in het dossier.
4.5. De raad van bestuur heeft de [tussenkomende partij] gestraft met het ontslag. Hij stelt dat de [tussenkomende partij] ‘zich de facto buiten het Gemeenschapsonderwijs’ geplaatst heeft en dat hij niet inziet ‘hoe een personeelslid dat het project van het Gemeenschapsonderwijs afwijst en de werking van de eigen school bemoeilijkt en in een negatief daglicht stelt nog verder in dit net, waarvan het de principes afwijst, kan fungeren.’ 4.6. De Kamer van beroep deelt de mening van de raad van bestuur slechts partieel: door het oprichten van een nieuwe school in een ander net, bezorgt zij inderdaad een nadeel aan de school waar zij tewerkgesteld is, maar uit niets blijkt dat zij de principes van het GO! afgewezen heeft: zij is immers opgekomen voor haar project zonder het GO! in woord of daad af te vallen.
Om die reden vindt de Kamer van beroep de opgelegde tuchtstraf te zwaar.
4.7. De aangelegenheid opnieuw beoordelend en bekijkend vanuit de benadeling van de belangen van de school, acht de Kamer van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-12/24
beroep te kunnen volstaan met een tijdelijke verwijdering van de [tussenkomende partij] uit de dienst opdat zij zou inzien dat haar ongepast gedrag, weze het ongewild, de belangen van het GO!
geschaad heeft.
Een tuchtrechtelijke schorsing tot eind juni 2022 wordt als de gepaste maatregel aanzien ter bestraffing van de eerste, tweede en vierde tenlastelegging.”
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Een eerste middel is geput uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel en de “redelijkheidsplicht”.
De verzoekende partij bekritiseert het oordeel van de kamer van beroep dat zij van de derde tenlastelegging geen effectieve bewijzen in het dossier terugvindt. De verzoekende partij ziet daarin een “stijlformule” die “inhoudelijk fout” is en het gevolg is van een “onzorgvuldige lezing” van het tuchtdossier. Dat geldt trouwens ook voor de overweging van de kamer van beroep dat de tussenkomende partij zich “met de vereiste afstandelijkheid ten aanzien van het GO!, de TintelTuin en haar hiërarchische meerderen [heeft]
gedragen”. De verzoekende partij heeft bij de kamer van beroep verwezen naar het verslag van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs, dat een getrouw beeld geeft van wat op de infoavond van 8 maart 2021 werd gezegd.
Voor de verzoekende partij is het duidelijk dat de tussenkomende partij haar project uitdrukkelijk heeft afgezet tegen het project van de Tinteltuin. Zij heeft daarbij uitspraken gedaan die tot doel hadden dat laatste project, maar ook het Gemeenschapsonderwijs in diskrediet te brengen. Daarbij haalt de verzoekende partij verschillende citaten aan uit het voormelde verslag. Het doet de verzoekende partij besluiten dat de raad van bestuur terecht mocht vaststellen dat de tussenkomende partij tijdens die infoavond standpunten heeft ingenomen die
IX-10.073-13/24
“expliciet en impliciet een zich afzetten betekenen tegen haar school en haar inrichtende macht”.
Het optreden van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs is een objectiverend element in de procedure en dat wordt volgens de verzoekende partij ook door de Raad van State erkend. De vaststellingen van de onderzoekscel gelden dan ook als een bewijs van de feiten.
Die rechtspraak wordt overgenomen door de kamer van beroep, zodat de verzoekende partij, op grond van het vertrouwensbeginsel, ervan mocht uitgaan dat deze vaststellingen van de onderzoekscel in aanmerking zouden worden genomen als bewijs en vervolgens inhoudelijk zouden worden besproken. Dat is niet gebeurd.
De verzoekende partij noemt het tot slot “volstrekt onredelijk”
om op basis van deze feiten niet te besluiten dat de tussenkomende partij de school, de scholengroep en het Gemeenschapsonderwijs in diskrediet heeft gebracht.
5. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat de objectieve en niet-betwiste elementen van het dossier, zoals vastgesteld door de onderzoekscel, de basis vormen voor de discretionaire bevoegdheid waarover de kamer van beroep beschikt. Bovendien wordt die bevoegdheid om de gegevens van het onderzoeksverslag te beoordelen, begrensd door de redelijkheid.
Indien de kamer van beroep in het verleden steeds heeft erkend dat de feitenvinding door de onderzoekscel objectiverend werkt, kan zij daarvan thans niet zonder gegronde reden afwijken, zeker niet wanneer er ook opnames bestaan van die feiten. Een dergelijke gegronde reden ziet de verzoekende partij niet vermeld in de bestreden beslissing. Omdat zij erop moest kunnen vertrouwen dat de gegevens waarop zij heeft gesteund ook de gegevens zijn waarop de kamer van beroep zou steunen en omdat dit niet het geval is, acht de verzoekende partij het vertrouwensbeginsel geschonden. In de bestreden beslissing staat geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-14/24
gemotiveerde beoordeling van de gegevens van het onderzoek door de onderzoekscel. De beoordeling omvat slechts één zin. De bladzijden die de verwerende partij in haar memorie van antwoord vult met de achterliggende redenen van deze beoordeling, zijn niet terug te vinden in de bestreden beslissing.
De verzoekende partij merkt op dat het ene zinnetje in de bestreden beslissing van iedere redelijkheid is ontdaan en citeert daarop andermaal uit het verslag van de onderzoekscel. Zij meent dat de uitspraken van de tussenkomende partij tot doel hebben de bestaande school in diskrediet te brengen. Als dat evidente gevolg van de uitlatingen van de tussenkomende partij op de reputatie van de scholengroep en de school ontkend wordt, dan viel het aan de kamer van beroep toe om een uitgebreide motivering daarover op te nemen in de bestreden beslissing en niet in de memorie van antwoord.
Beoordeling
6. De kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs is een orgaan van de Vlaamse Gemeenschap dat krachtens artikel 71, tweede lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) over een hervormingsbevoegdheid beschikt:
“De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen de tuchtstraf die de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum heeft uitgesproken. De kamer van beroep heeft de bevoegdheid om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken. […]”
Ingevolge de zogenaamde devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep verwerft de kamer van beroep de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf, op dezelfde wijze als de oorspronkelijke tuchtoverheid, en zij stelt haar beslissing in de plaats van die van de laatstgenoemde overheid. Dit houdt in dat de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting, zij mag de straf niet verzwaren – over dezelfde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-15/24
ruime discretionaire bevoegdheid beschikt als de oorspronkelijke tuchtoverheid om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om tegen de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden. De kamer van beroep spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. De kamer van beroep mag een andere kwalificatie aan de feiten geven en een andere tuchtstraf opleggen. Zij is niet beperkt tot het hanteren van louter wettigheidsargumenten en zij mag in voorkomend geval haar eigen opportuniteitsoordeel over wat in de concrete omstandigheden van de zaak als een aangepaste tuchtmaatregel te beschouwen is, in de plaats stellen van de zienswijze die de oorspronkelijke tuchtoverheid erop nahield. Zij moet daartoe niet eerst vaststellen dat de straf die initieel was opgelegd, onwettig is. Van de kamer van beroep wordt niet op grond van de formelemotiveringsplicht verwacht dat zij expliciteert om welke redenen zij het eventueel anders ziet dan de oorspronkelijke tuchtoverheid. Het volstaat dat zij als tuchtoverheid in hoger beroep motiveert hoe zij het zelf ziet en wat háár ertoe brengt voor de vastgestelde tuchtfeiten de uiteindelijk opgelegde sanctie toe te passen. De kamer van beroep is daarbij niet verplicht om in te gaan op de redenen die de in eerste aanleg bevoegde tuchtoverheid ertoe hebben aangezet om een bepaalde beslissing te nemen, zij is niet gebonden door argumenten die werden aangewend in die voorafgaande administratieve procedure en zij is er niet toe gehouden te verantwoorden waarom zij de opvatting van de in eerste aanleg bevoegde tuchtoverheid als zodanig niet bijvalt.
7. Daarbij moet echter eveneens worden bedacht dat dit geenszins betekent dat het instellen van een annulatieberoep voor de oorspronkelijke tuchtoverheid nog enkel als een louter formele beroepsmogelijkheid overblijft.
De scholengroep kan steeds een beslissing van de kamer van beroep vernietigd zien, wanneer zij aantoont dat ze op ondeugdelijke grondslagen berust of de grenzen van de beoordelingsvrijheid waarover een tuchtoverheid beschikt, te buiten gaat.
8.1. Jegens de tussenkomende partij werden vier tenlasteleggingen geformuleerd. In de bestreden beslissing komt de kamer van beroep tot de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-16/24
slotsom dat voor de eerste, de tweede en de vierde tenlastelegging een “deugdelijke feitelijke grondslag” voorhanden is.
8.2. Wat de derde tenlastelegging betreft, vindt de kamer van beroep “geen effectieve bewijzen in het dossier”.
De derde tenlastelegging wordt in de oproepingsbrief door de raad van bestuur als volgt omschreven:
“Het tijdens diezelfde infoavond van 8 maart 2021 doen van uitspraken –
over het project van de TintelTuin, de scholengroep en de algemeen directeur, zoals nauwgezet beschreven in het onderzoeksrapport – die de TintelTuin, de scholengroep, en daaraan gekoppeld ook het GO!, in diskrediet brachten.”
9.1. De schending van het vertrouwensbeginsel koppelt de verzoekende partij uitsluitend aan zekere passages uit arrest nr. 249.252 van 16 december 2020. Daaruit leidt zij immers af dat zij er “in het kader van het vertrouwensbeginsel [mag] van uitgaan dat de vaststellingen van de onderzoekscel in aanmerking worden genomen als bewijs en vervolgens inhoudelijk besproken”. Wat volgens haar niet is gebeurd.
9.2. Met die zienswijze getuigt de verzoekende partij van een wel erg selectieve lezing van het voormelde arrest. Daarin heeft de Raad van State ook – en zelfs “[b]ovenal” – overwogen “dat het bewijs van de tuchtinbreuk en het finale oordeel erover niet bij de onderzoekscel berust, maar bij de raad van bestuur van de scholengroep (in eerste aanleg) en, vervolgens, [bij] de kamer van beroep (in beroep). Het is de tuchtoverheid die de inhoud van het onderzoeksverslag zal beoordelen en daar de nodige conclusies uit zal trekken, rekening houdende met alle andere elementen van het tuchtdossier – zoals, bijvoorbeeld, het door verzoeker gevoerde verweer”.
9.3. Van een vaste gedragslijn of beleidsregel dat de vaststellingen van de onderzoekscel zonder meer als bewijs van de feiten moeten worden aangenomen, zonder enige beoordelingsmarge in hoofde van de tuchtoverheid, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-17/24
kan de verzoekende partij derhalve niet gewagen. Evenmin kan er dan sprake zijn van het beschamen van opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen.
9.4. In die mate faalt het middel.
10.1. De verzoekende partij voert tevens de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel.
10.2. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen.
Het redelijkheidsbeginsel kan maar geschonden heten bij een de wanverhouding tussen, eensdeels, de inhoud en de draagwijdte van de genomen beslissing en, anderdeels, de motieven waarop ze werkelijk steunt –
waarbij die motieven ter beoordeling van het middel noodzakelijk geacht moeten worden feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven te zijn, zo niet zou immers niet de aangevoerde onredelijkheid, maar wel het gebrek aan materiële draagkracht ter discussie moeten staan.
In beginsel zijn de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel bijgevolg algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarvan de schending moeilijk is samen te brengen in één enkele vernietigingsgrond.
De verzoekende partij geeft aan de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel overigens ook geen afzonderlijke invulling, zodat mag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-18/24
worden aangenomen dat het middel in zoverre samenvalt met en opgaat in de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht.
10.3. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, komt het de Raad van State in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van het bestuur. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de tuchtoverheid op grond van de voorliggende gegevens tot een juiste beoordeling van de feiten is gekomen.
10.4. De kamer van beroep refereert in de bestreden beslissing zelf aan het onderzoeksverslag, waaruit zij afleidt dat de tussenkomende partij zich tijdens het infomoment van 8 maart 2021 “met de vereiste afstandelijkheid ten aanzien van het GO!, de TintelTuin en haar hiërarchisch meerderen [heeft]
gedragen”.
De uittreksels die de verzoekende partij citeert zijn niet van aard om die conclusie tegen te spreken.
Dat op het infomoment de betrokken school waarvan de tussenkomende partij op dat ogenblik nog deel uitmaakt, het Gemeenschapsonderwijs in zijn geheel, de scholengroep of de leiding daarvan, ter sprake komt, mag onvermijdbaar heten. Het tuchtfeit betreft echter niet het ter sprake brengen van het Gemeenschapsonderwijs, de school of de scholengroep, maar wel het “in diskrediet brengen” ervan. Het in diskrediet brengen veronderstelt de intentie om aan de andere schade toe te brengen.
10.5. In de passus van de transcriptie van de infoavond uit het onderzoeksverslag die de verzoekende partij aanhaalt, wordt op geen enkele wijze naar de bestaande freinetschool verwezen. Er wordt door de initiatiefnemers, onder wie de tussenkomende partij, uiteengezet waarover freinetonderwijs volgens hén moet gaan.
IX-10.073-19/24
In de daaropvolgende toelichting en de vragenronde komt tot uitdrukking dat de initiatiefnemers van de nieuwe school en de verzoekende partij in visie verschillen met betrekking tot de vraag hoe een freinetschool moet worden georganiseerd. Een verschil in visie betekent an sich niet dat de ene een houding van afkeuring of verzet aanneemt ten opzichte van de andere. De tussenkomende partij benadrukt trouwens dat “elke freinetschool […] zijn eigen verhaal [heeft]”. Daarmee wordt de bestaande freinetschool van de verzoekende partij dus allerminst in een kwaad daglicht gesteld. De tussenkomende partij geeft aan de voorkeur te geven aan “een ander verhaal”.
Het verslag van de onderzoekscel geeft trouwens zelf aan dat “de meeste toehoorders van de online infoavond niet de perceptie hadden dat de initiatiefnemers door hun uitspraken de TintelTuin, de scholengroep of het GO!
in diskrediet hebben gebracht”.
Wat voor “de meeste toehoorders” geldt, vermocht derhalve ook voor de kamer van beroep een reden te zijn om de derde tenlastelegging voor niet-bewezen te houden.
10.6. Ook in die mate faalt het eerste middel.
11. Het eerste middel wordt in zijn geheel verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
12. Een tweede middel is geput uit de schending van artikel 65 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ‘betreffende het gemeenschapsonderwijs’ (hierna: bijzonder decreet) juncto de artikelen 6, 9 en 14 van het rechtspositiedecreet juncto de ‘verklaring van gehechtheid aan het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap’, en van het redelijkheidsbeginsel.
IX-10.073-20/24
Dat de oprichting van een concurrerende school buiten het Gemeenschapsonderwijs geen deontologische fout zou zijn, zoals de kamer van beroep aanneemt, strijdt volgens de verzoekende partij met de voormelde bepalingen. Uit artikel 65, § 3, van het bijzonder decreet volgt de verplichting voor de betrokken personeelsleden om een gehechtheidsverklaring te ondertekenen. Die verplichting is ook terug te vinden in artikel 14 van het rechtspositiedecreet. Vervolgens citeert de verzoekende partij die gehechtheidsverklaring. Het maakt volgens haar een eenzijdige verbintenis uit vanwege het personeelslid. Het ondertekenen van die verklaring is een voorwaarde voor de indiensttreding. De decreetgever heeft een bijzonder belang gehecht aan die verklaring. Een personeelslid dat handelt in strijd met die verklaring is die verbintenis niet op een oprechte manier aangegaan. Zulks moet tot een verbreking van de tewerkstellingsband leiden. Die verklaring biedt geen ruimte die toestaat dat personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs een nieuwe school buiten het Gemeenschapsonderwijs starten. In het licht van de loyauteitsverplichting kan de beoordeling van het gedrag van het personeelslid door de kamer van beroep de toets van de aangevoerde bepalingen niet doorstaan.
De verzoekende partij verwijst ook naar het pedagogisch project, waarin de eigenschappen worden weergegeven waarvan gestreefd wordt om ze over te dragen aan de leerlingen in het Gemeenschapsonderwijs. Het is onmogelijk om bij te dragen aan deze uitdrukkelijke vermelding in het pedagogisch project vanuit een school die niet tot het Gemeenschapsonderwijs behoort. Volgens de verzoekende partij is het concurreren met een schoolbestuur waaraan men verklaart in die mate gehecht te zijn dat men er wil werken en bijdragen aan de realisatie van het pedagogisch project, vanzelfsprekend een doorbreken van de loyaliteitsverplichting. Het is daarom “volstrekt onredelijk” om aan het gedrag van het personeelslid een ander gevolg te koppelen dan een tuchtstraf die de beëindiging van de rechtsband met het Gemeenschapsonderwijs inhoudt.
13. De verzoekende partij betwist in de memorie van wederantwoord dat de grondwettelijke vrijheid van oprichting van een onderwijsinstelling een “allesoverheersend gegeven [is] waardoor een personeelslid van een onderwijsinstelling een concurrerende onderwijsinstelling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540 IX-10.073-21/24
kan oprichten en tegelijkertijd personeelslid blijven van het onderwijs dat zij beconcurreer[t]”. De verzoekende partij betoogt dat de tussenkomende partij niet wordt belet een onderwijsinstelling te starten. Dat dit gevolgen heeft voor haar tewerkstelling wordt niet belet door de onderwijsvrijheid. Het tweede middel houdt in dat de stelling die de kamer van beroep voorstaat, namelijk dat het oprichten van een school op zich geen deontologische fout uitmaakt, strijdt met de aangevoerde bepalingen. De discretionaire bevoegdheid van de kamer van beroep gaat niet zover dat zij de wetgeving buiten beschouwing mag laten. Die deontologische fout is een evidente schending van de gehechtheidsverklaring en de ambtsplichten die alleen kan leiden tot een beëindiging van de rechtsverhouding tussen de verzoekende partij en de tussenkomende partij. Door hierover anders te oordelen, neemt de verwerende partij een volstrekt onredelijk standpunt in dat in strijd is met de vrijheid van onderwijs.
14. In haar laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog dat zij met dit middel kritiek uitoefent op een overweging van de bestreden beslissing dat de oprichting van een concurrerende school buiten het Gemeenschapsonderwijs op zich geen deontologische fout uitmaakt. Die stelling houdt volgens de verzoekende partij in dat een personeelslid van het Gemeenschapsonderwijs een school van dat Gemeenschapsonderwijs “mag dood concurreren […] zolang men dit maar doet zonder zich negatief uit te laten over het GO!”. De initiële tuchtbeslissing legt weliswaar een sanctie op wegens een specifiek gedrag, maar dat betekent niet dat het oprichten van een school buiten het Gemeenschapsonderwijs door de raad van bestuur impliciet als een aanvaardbaar gedrag wordt beschouwd.
De verzoekende partij is voorts van mening dat wanneer het schoolbestuur aan een personeelslid het ontslag heeft opgelegd, de kamer van beroep dan onmogelijk nog het verlies van vertrouwen kan tegenspreken.
Beoordeling
IX-10.073-22/24
15. Het uitgangspunt van het middel is volgens de verzoekende partij dat de “visie van de Kamer van Beroep – namelijk dat het oprichten van ‘een school’ (lees: een school die geen deel uitmaakt van dezelfde inrichtende macht of van hetzelfde onderwijsnet) op zich geen deontologische fout zou uitmaken – in strijd is met de in het middel ingeroepen decretale bepalingen”.
16. De kamer van beroep heeft met betrekking tot “het bewijs van de tenlasteleggingen en hun kwalificatie als tuchtinbreuk” weliswaar geoordeeld dat “het absolute standpunt” dat “het oprichten van een school op zich een deontologische fout uitmaakt” niet kan worden bijgevallen, maar heeft daaraan toegevoegd dat “bekeken vanuit de belangen van de scholengroep, er wel degelijk sprake is van een deloyale opstelling”, dat “de nieuwe school […] in concurrentie [kan] treden met de bestaande GO! school waar [de tussenkomende partij]
tewerkgesteld is” en dat de tussenkomende partij onder meer op die manier is tekortgeschoten in haar loyauteitsplicht, wat een “deontologische fout” is.
Ter beoordeling van de strafmaat heeft de kamer van beroep voorts overwogen dat de tussenkomende partij “door het oprichten van een nieuwe school in een ander net, […] een nadeel [bezorgt] aan de school waar zij tewerkgesteld is”, maar dat “uit niets blijkt dat zij de principes van het GO!
afgewezen heeft: zij is immers opgekomen voor haar project zonder het GO! in woord of daad af te vallen”.
Uit wat voorafgaat blijkt dat de kamer van beroep het oprichten van een nieuwe school buiten het Gemeenschapsonderwijs in dit concrete geval wel degelijk als een deloyale houding van de tussenkomende partij heeft beschouwd en dat zij dit bij de beoordeling van de strafmaat ook in rekening heeft gebracht.
Het middel dat van het tegendeel uitgaat, mist derhalve feitelijke grondslag.
BESLISSING
IX-10.073-23/24
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.073-24/24
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.540
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...