ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 Rolnummer: A. 237905/VII-41805 Zaak: Arrest 260875 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-04 07:12 Fiche Arrest nr 260.875 van 1 oktober...
34 min de lecture · 7,343 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 01 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875
Rolnummer:
A. 237905/VII-41805
Zaak:
Arrest 260875 – Bouwvergunningen en gemengde vergunningen – 01/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-10
Raadplegingen:
73 – laatst gezien 2026-06-04 07:12
Fiche
Arrest nr 260.875 van 1 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Bouwvergunningen en gemengde
vergunningen Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 no lien 279075 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 260.875 van 1 oktober 2024
in de zaak A. 237.905/VII-41.805
In zake : het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Evelien Bruyninckx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. L.C.
2. N.V.
3. J.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9940 Evergem Dellaertsdreef 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV AGRISTO
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
————————————————————————————————–
VII-41.805-1/22
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0154 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 27 oktober 2022 in de zaak 2021-RvVb-0615-SA.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 26 januari 2023.
De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De nv Agristo heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 mei 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 22 december 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni 2024.
Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht.
VII-41.805-2/22
Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Isabelle Larmuseau, die verschijnt voor de verwerende partijen en advocaten Jan Bouckaert en Maarten Christiaens, die verschijnen voor de tussenkomende partij, alsook advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De tussenkomende partij baat een aardappelverwerkend bedrijf uit op een terrein dat gelegen is in agrarisch gebied volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1979. Bij ministerieel besluit van 7 december 2004 wordt een gedeeltelijk positief planologisch attest afgegeven aan de tussenkomende partij. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Historisch gegroeid bedrijf Agristo te Harelbeke’ (hierna: het GRUP), vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 26 januari 2007, heeft het bedrijfsterrein herbestemd naar een ‘zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf’.
3.2. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 6 augustus 2020 aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het stellen van stedenbouwkundige handelingen ter optimalisatie van de waterzuivering, en voor het veranderen van een aardappelverwerkend bedrijf. Enkele omwonenden, waaronder de verwerende partijen, tekenen hiertegen bestuurlijk beroep aan. Bij beslissing van 14 april 2021
verklaart de verzoekende partij het beroep ongegrond en wordt de vergunning verleend.
VII-41.805-3/22
3.3. Met het bestreden arrest vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de beslissing van 14 april 2021. De Raad beveelt daarbij de verzoekende partij om een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van de verwerende partijen, rekening houdend met het bevel om het planologisch attest van 7 december 2004 en het GRUP niet te betrekken bij de totstandkoming van die nieuwe beslissing.
IV. Onderzoek van de cassatiemiddelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 3.1 van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001
‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (hierna: “Plan-MER-Richtlijn”), van de rechterlijke motiveringsplicht zoals onder meer vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag:
“Doordat, het bestreden arrest het GRUP […] buiten toepassing verklaart wegens schending van de Plan-MER-Richtlijn;
Terwijl, het bestreden arrest niet onderzoekt of in het kader van de opmaak van het GRUP al dan niet een milieubeoordeling werd uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 van de Plan-MER-Richtlijn, zoals vereist door [artikel] 3.1 van de richtlijn;
Dat het bestreden arrest wel ingaat op de beweerdelijk gebrekkige en laattijdige omzetting van de richtlijn in de Vlaamse regelgeving, en tevens wijst op de rechtstreekse werking van de richtlijnbepalingen, dat tevens gewag wordt gemaakt van het ontbreken van een ‘plan-m.e.r.-screening’ en dat zelfs zijdelings wordt verwezen naar het gebrek aan ‘plan-MER’, zonder dat evenwel enige concrete toetsing plaatsvindt aan de relevante richtlijnbepalingen;
Dat uit het gebrek aan tijdige omzetting van de richtlijn in interne regelgeving blijkbaar automatisch wordt afgeleid dat aan het GRUP geen
VII-41.805-4/22
milieubeoordeling zoals voorzien in de richtlijn zou voorafgegaan zijn, wat geenszins een evidente aanname is;
Dat het bestreden arrest geen motieven bevat waaruit daadwerkelijk blijkt dat de toetsing aan de richtlijnbepalingen plaatsgevonden heeft; dat het arrest op diverse punten melding maakt van terminologie die afkomstig is uit de latere Vlaamse omzettingsregelgeving (plan-MER, plan-m.e.r.-screening, de plenaire vergadering als ‘eerste formele voorbereidende handeling’ in het planningsproces, enzovoort), daar waar het GRUP onmogelijk een schending kan inhouden van die Vlaamse regelgeving waarvan het arrest zelf vaststelt dat die pas later in werking getreden is;
Dat het perfect mogelijk is dat een RUP werd opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van de interne regelgeving houdende omzetting van de Plan-MER-Richtlijn, maar met een milieubeoordeling conform de richtlijn;
Dat een ‘milieubeoordeling’ in [artikel] 2, b) Plan-MER-Richtlijn wordt omschreven als ‘het opstellen van een milieurapport, het raadplegen, het rekening houden met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging bij de besluitvorming, alsmede het verstrekken van informatie over het besluit, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9’;
Dat de Plan-MER-Richtlijn zich verder niet uitdrukkelijk uitspreekt over de wijze waarop de milieueffectenbeoordeling in de planprocedure geïntegreerd moet worden; dat [artikelen 4.1 en 4.2] Plan-MER-Richtlijn ter zake een ruime flexibiliteit biedt aan de lidstaten; dat een milieubeoordeling ofwel kan opgemaakt worden aan de hand van een afzonderlijke procedure, ofwel kan opgenomen worden in de bestaande procedures van de lidstaten voor de vaststelling van plannen en programma’s; dat de richtlijn volgens overweging nr. 8 ‘een minimumkader voor milieubeoordelingen [beoogt] tot stand te brengen dat de algemene principes van het milieubeoordelingssysteem vastlegt en, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de nadere bijzonderheden aan de lidstaten overlaat’;
Dat, voor zover een milieubeoordeling werd uitgevoerd, er bijgevolg enkel sprake kan zijn van een inbreuk op de Plan-MER-Richtlijn indien die beoordeling strijdig is met het rechtstreeks werkend ‘minimumkader’ vastgelegd in de richtlijn;
Dat tal van RUP’s daterend van voor de inwerkingtreding van de Vlaamse omzettingsregelgeving wel degelijk onderworpen werden aan een milieubeoordeling die geïntegreerd werd in de planopmaak, zodat voldaan werd aan de vereisten van de Plan-MER-Richtlijn;[…]
Dat ook in het geval van het GRUP […] tijdens de opmaak van het plan een screening van de effecten inzake mobiliteit en impact op natuurwaarden (onder de vorm van een passende beoordeling) heeft plaatsgevonden, die vervolgens geïntegreerd werden in de toelichtingsnota, en die mee aan de inspraakprocedures onderworpen werden als onderdeel van het RUP; dat hoger reeds werd aangestipt dat dergelijke geïntegreerde milieubeoordeling destijds reeds in zwang was;
Dat het bestreden arrest evenwel naar de conclusie springt dat ingevolge de beweerdelijk laattijdige omzetting van de Plan-MER-Richtlijn er automatisch geconcludeerd moet worden dat een milieubeoordeling conform de richtlijn ontbreekt, hoewel zelfs dat niet met zoveel woorden in het arrest vermeld wordt;
VII-41.805-5/22
Overwegende dat elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege met redenen dient omkleed te zijn;
Dat de overwegingen van het bestreden arrest verwijzen naar ‘het eerder vastgesteld gebrek aan een milieubeoordeling’, maar een, speurtocht doorgeen de daaraan voorafgaande overwegingen van het arrest levert geen ‘eerder vastgesteld gebrek’ op;
Dat artikel 149 van de Grondwet uitdrukkelijk bepaalt dat elk vonnis met redenen dient omkleed te zijn; dat deze regel berust op een algemeen rechtsbeginsel, dat ook van kracht is op administratieve rechtscolleges[…];
dat de motivering van vonnissen en arresten een wezenlijke waarborg is tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de aan hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak heeft beredeneerd;[…]
Dat de motivering aldus nodig is om aan te tonen op welke feiten de rechter zich heeft gesteund en welke gedachtegang hij hierbij heeft gevolgd om zijn beslissing te nemen, zodat die beslissing voor de partijen verstaanbaar is en hen toelaat om na te gaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden; dat de aanwezigheid van een afdoende motivering bovendien ook noodzakelijk is voor het uitoefenen van de taak van [de Raad van State] om zijn wettigheidstoezicht op de rechterlijke uitspraak uit te oefenen en na te gaan of de wet correct werd toegepast[…]; dat de rechterlijke motiveringsplicht een onafscheidbaar deel vormt met de opdracht tot het beslechten van het geschil;[…]
Dat het gemis aan motivering, of daarmee gelijkgestelde gevallen zoals een motivering die verwarrend is zodat de uitspraak niet meer begrijpelijk, dan wel onduidelijk of tegenstrijdig is, een schending uitmaakt van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting;[…]
[…]
Dat voormelde motiveringsplicht wordt hernomen in artikel 32 [DBRC], bepaling die stelt dat elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege met redenen omkleed dient te zijn;
Dat de rechterlijke motiveringsplicht op een strikte wijze dient te worden gehanteerd en de afwezigheid van enige redengeving in het arrest tot de schending van de grondwettelijke motiveringsplicht leidt;
Dat door de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest wordt gesteld dat er een gebrek zou zijn aan een milieubeoordeling conform de Plan-MER-Richtlijn, waarbij wordt verwezen naar ‘de eerdere vaststelling van vermeend gebrek’, zonder dat deze vaststelling daadwerkelijk is gebeurd, minstens wordt dit in het bestreden arrest op geen enkele manier aangetoond; dat een identificeerbare toetsing van het GRUP
[…] aan de vereisten die door de Plan-MER-Richtlijn worden opgelegd om van een milieubeoordeling te kunnen spreken aldus manifest ontbreekt;
Zodat, het eerste middel gegrond is.”
Beoordeling
VII-41.805-6/22
5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen treedt in het bestreden arrest het door de verwerende partijen opgeworpen middel bij dat het GRUP
onwettig is omdat het niet werd onderworpen aan de milieubeoordeling bedoeld in artikel 3.2 van de Plan-MER-Richtlijn.
6. De verzoekende partij heeft in haar verweer tegen dat middel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet aangevoerd dat het GRUP wél werd onderworpen aan deze milieubeoordeling, of dat minstens moet onderzocht worden of die milieubeoordeling werd uitgevoerd alvorens tot de onwettigheid van het GRUP kan worden besloten.
Het middel dat niet voor de eerste rechter is aangevoerd, kan niet voor het eerst worden opgeworpen voor de Raad van State als cassatierechter. Aan de bestuursrechter kan ook niet worden verweten dat hij niet heeft geantwoord op een middel dat hem niet werd voorgelegd. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
7. In zoverre de schending van de rechterlijke motiveringsplicht wordt afgeleid uit de omstandigheid dat het bestreden arrest verwijst naar “het eerder vastgesteld gebrek aan een milieubeoordeling” terwijl dergelijk gebrek in het arrest niet eerder werd vastgesteld, gaat de verzoekende partij uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist de kritiek bijgevolg feitelijke grondslag.
Met de bedoelde vermelding van “het eerder vastgesteld gebrek aan een milieubeoordeling” geeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen immers enkel aan wat volgens hem de conclusie is van voorafgaande motieven.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. Het tweede middel wordt genomen uit de schending van de artikelen 3.2, 4.1 en 13.3 van de Plan-MER-Richtlijn, van artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 ‘houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 VII-41.805-7/22
en openbare werken’, en van de rechterlijke motiveringsplicht, zoals onder meer vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC, uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag.
9. Het eerste onderdeel van het middel wordt als volgt uiteengezet:
“Doordat, eerste onderdeel, het bestreden arrest oordeelt dat de plenaire vergadering als ‘de eerste formele voorbereidende handeling’ van het planningsproces in de zin van de Plan-MER-Richtlijn dient aangenomen te worden, dit schijnbaar op grond van de later in werking getreden omzettingsregeling zoals voorzien bij decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken;
Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen nochtans ook erkent dat voormelde Vlaamse omzettingsregeling niet op het [GRUP] en het daaraan voorafgaand planologisch attest van toepassing is, aangezien de inwerkingtreding van deze regelgeving dateert van na de vaststelling van voormeld GRUP en de afgifte van het planologisch attest; dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich aldus louter steunt op de rechtstreekse werking van de richtlijnbepalingen;
[…]
Terwijl, in de Plan-MER-Richtlijn nergens is gedefinieerd wat onder ‘de eerste voorbereidende handeling’ bedoeld in [artikel] 13.3
Plan-MER-Richtlijn dient te worden verstaan;
Dat artikel 13.3 Plan-MER-Richtlijn de volgende overgangsbepaling bevat:
‘De in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichting is van toepassing op plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in lid 1 vermelde tijdstip. Plannen en programma’s waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, vallen onder de verplichting van artikel 4, lid 1, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen.’ […]
Dat de Plan-MER-Richtlijn dus een regeling bevat waarbij plannen en programma’s waarvan de eerste formele voorbereidende handeling voor 21 juli 2004 valt, maar waarbij de uiteindelijke aanname gebeurt later dan 24 maanden ‘na dat tijdstip’ (dus na 21 juli 2006) alsnog aan de richtlijnverplichtingen kunnen onttrokken worden, voor zover lidstaten beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen;
Dat de Plan-MER-Richtlijn evenwel niet voorziet in een definitie van wat dient te worden verstaan onder ‘de eerste formele voorbereidende handeling’, zodat het aan de rechter toekomt om voormeld begrip zelf in te vullen;
Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest de plenaire vergadering beschouwt als ‘de eerste formele voorbereidende handeling’;
VII-41.805-8/22
Dat de Raad hiervoor kennelijk inspiratie heeft gezocht in de later in werking getreden Vlaamse omzettingsregeling:
‘Artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken preciseert dat de wijzigingen van toepassing zijn op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel IV, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007. Uit de overgangsregeling blijkt dat de decreetgever ‘de plenaire vergadering’ beschouwt als de in artikel 13.3 van de [Plan-MER-Richtlijn] vermelde ‘eerste formele voorbereidende handeling in het planningsproces’. Hieruit volgt dat de decretale bepalingen omtrent de milieueffectrapportage over plannen en programma’s slechts van toepassing zijn op de ruimtelijke uitvoeringsplannen met een plenaire vergadering vanaf 1 juni 2008.’ […]
Dat het bestreden arrest aldus op grond van regels die nog niet bestonden op het ogenblik van de opmaak van het [GRUP] invulling geeft aan het begrip ‘de eerste formele voorbereidende handeling’ van het planningsproces zoals gehanteerd in de Plan-MER-Richtlijn;
Dar zulks op zich reeds een motiveringsgebrek uitmaakt, aangezien de rechtstreeks werkende richtlijnbepalingen niet kunnen ingevuld worden aan de hand van regelgeving die nog niet bestond op het ogenblik dat het [GRUP] werd opgemaakt;
En terwijl, alleszins een verkeerde interpretatie werd gegeven aan artikel 13.3 Plan-MER-Richtlijn, door aan te nemen dat de eerste formele voorbereidende handeling van het planningsproces in dit geval de plenaire vergadering zou zijn;
Dat het planningsproces al veel vroeger aangevat werd in het kader van de afgifte van het planologisch attest; dat het planologisch attest immers reeds de opmaak van een gewestelijk RUP in het vooruitzicht stelde […]; dat [artikel] 4.4.24, tweede lid [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]
bepaalt dat het planologisch attest vermeldt ‘of een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg zal worden opgestart’; dat [artikel] 4.4.26, §1 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening] in dat geval bepaalt:
‘Indien het planologisch attest besluit dat het bedrijf behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is, al dan niet met ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden, en als dat behoud of die ontwikkelingsmogelijkheden de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg veronderstellen, dan is het betrokken bestuursorgaan ertoe verplicht om binnen het jaar na de afgifte van het planologisch attest advies te vragen over de startnota voor het ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, eerste lid, artikel 2.2.12, § 2, eerste lid, of artikel 2.2.18, § 2, eerste lid.
Indien het betrokken bestuursorgaan dat nalaat, dan wordt voor dat bestuursorgaan de mogelijkheid tot het voorlopig vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of tot het voorlopig aannemen van een plan van aanleg voor een ander bestaand bedrijf of voor een nieuw bedrijventerrein
VII-41.805-9/22
opgeschort, totdat alsnog voldaan is aan de rechtsplicht, vermeld in het eerste lid, tenzij het attest inmiddels vervallen is.’ […]
Dat het planologisch attest dus in voorkomend geval deel uitmaakt van de complexe administratieve rechtshandeling die finaal leidt tot de definitieve vaststelling van het RUP; dat daaruit logischerwijze tevens voortvloeit dat de eerste stap in het planningsproces te situeren is in de procedure in verband met de aanvraag en vervolgens de afgifte van dit attest;
Dat in casu met name verwezen kan worden naar de aanvraag tot het bekomen van een planologisch attest, de opstart van de procedure tot afgifte van het attest, de organisatie van het openbaar onderzoek, het advies van de VLACORO van 9 maart 2004 waarbij de sectorale adviezen en bezwaarschriften uit het openbaar onderzoek in het kader van de afgifte van het planologisch attest werden gebundeld;
Dat hier dus wel degelijk sprake is van een plan waarvan de eerste formele voorbereidende handeling voor 21 juli 2004 valt, zodat het bestreden arrest ten onrechte het tegendeel aanneemt;
[…]
Dat [de Raad van State] minstens de hiernavolgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie dient te stellen;
Dat artikel 267, derde lid [van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie] bepaalt dat de rechter een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Hof van Justitie wanneer de beslissing volgens het nationale recht niet vatbaar is voor hoger beroep:
[…]
Dat [de Raad van State] bijgevolg wordt verzocht om de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen:
Kan, bij de toepassing van [artikel] 13.3 [Plan-MER-Richtlijn] ‘de eerste formele voorbereidende handeling’ in het planningsproces leidend tot de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan, gesitueerd worden in het kader van de daaraan voorafgaande procedure tot afgifte van een planologisch attest zoals bedoeld in [de artikelen]
4.4.24 tot 4.4.29 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor zover dergelijk attest vermeldt dat een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan zal worden opgestart en voor zover vervolgens in uitvoering van het attest wordt overgegaan tot de vaststelling van het reeds in het attest in het vooruitzicht gestelde ruimtelijk uitvoeringsplan?
Kunnen in voorkomend geval de voorbereidende handelingen in het kader van de procedure tot afgifte van het planologisch attest (de aanvraag, de beslissing tot opstart van de administratieve procedure, het openbaar onderzoek, de verkregen adviezen, het advies van de VLACORO, het overmaken van het dossier door de gewestelijke planologische ambtenaar aan de bevoegde Vlaamse minister…), zoals bedoeld in [artikel] 4.4.25
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening beschouwd worden als ‘de eerste formele voorbereidende handeling’ in het planningsproces leidend tot de definitieve vaststelling van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan?”
VII-41.805-10/22
10. Het tweede onderdeel van het middel wordt als volgt uiteengezet:
“En doordat, tweede onderdeel, de Raad voor Vergunningsbetwistingen verder stelt dat de overgangsregeling zoals voorzien in artikel 13.3
Plan-MER-Richtlijn op het [GRUP] niet van toepassing zou zijn; dat artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken volgens het bestreden arrest niet in aanmerking zou kunnen genomen worden als beslissing waarbij geoordeeld wordt dat de naleving van de richtlijnverplichtingen niet haalbaar is;
[…]
En terwijl, het bestreden arrest ten onrechte meent dat hier geen beslissing zoals bedoeld in [artikel] 13.3 in fine Plan-MER-Richtlijn zou voorliggen waarbij ‘per geval’ beslist werd dat de naleving van de richtlijnbepalingen in het kader van het reeds lopende planningsproces per 21 juli 2004 niet haalbaar is;
Dat het arrest dienaangaande de volgende motivering bevat:
‘Uit de stukken van de partijen blijkt niet wanneer de plenaire vergadering van het GRUP plaatsvond, terwijl dit als de eerste formele voorbereidende handeling bepalend is voor de overgangsregeling van artikel 13.3 [Plan-MER-Richtlijn]. […]
Als de plenaire vergadering van het GRUP na 21 juli 2004 plaatsvond, was overeenkomstig artikel 13.3, eerste zin van de [Plan-MER-Richtlijn]
hoe dan ook een plan-MER vereist. Maar ook wanneer de plenaire vergadering voordien plaats had, was dat het geval omdat het GRUP na 21
juli 2006 aangenomen is. Het GRUP is op 26 januari 2007 definitief vastgesteld, wat duidelijk later is dan de (volgens artikel 13.3., tweede zin [Plan-MER-Richtlijn]) 24 maanden na 21 juli 2004 als (volgens artikel 13.1 [Plan-MER-Richtlijn]) uiterste datum voor omzetting in nationaal recht.
Er valt naar het oordeel van de Raad dan ook werkelijk niet in te zien dat het GRUP een geval is waarvoor overeenkomstig artikel 13 in fine [Plan-MER-Richtlijn] door de lidstaat beslist is dat de overgangsregeling van artikel 13.3 niet haalbaar is, met kennisgeving van die beslissing aan het publiek. Bovendien stelt de Raad vast dat (1) de verwerende en de tussenkomende partij ook niet aannemelijk maken dat artikel 13 in fine [Plan-MER-Richtlijn] van toepassing is, noch (2) dat minstens de [verwerende partijen in cassatie] kennis hebben of konden hebben van een beslissing van de lidstaat volgens dewelke de overgangsregeling van artikel 13.3 niet haalbaar is voor het GRUP.
De Raad stelt met de verzoekende partijen ook vast dat ‘de Vlaamse implementatieregelgeving dateert van nà de vaststelling van het Gewestelijk RUP op 26 januari 2007 en dus onmogelijk [kan] worden beschouwd als de in artikel [13.3] in fine [Plan-MER-Richtlijn] genoemde uitzonderingsmogelijkheid om ‘per geval’ te beslissen dat een tijdige toepassing van de Europeesrechtelijke plan-MER-plicht niet haalbaar is.’ De bij decreet van 27 april 2007 bepaalde implementatieregeling is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 VII-41.805-11/22
bijgevolg niet op het GRUP van toepassing, en dus ook niet op het daaraan voorafgaand, al op 7 december 2004 verleend gedeeltelijk positief planologisch attest.’ Dat uit artikel 13.3 Plan-MER-Richtlijn voortvloeit dat de verplichting om een plan-MER op te maken van toepassing is wanneer de eerste formele voorbereidende handeling in het planningsproces heeft plaatsgevonden na 21 juli 2004, dan wel als zij heeft plaatsgevonden voor 21 juli 2004 maar de definitieve vaststelling later dan 24 maanden na 21 juli 2004 volgt, behoudens wanneer door de lidstaten per geval beslist wordt dat dit niet haalbaar is en voor zover zij het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen; dat artikel 13.3 in fine Plan-MER-Richtlijn aldus toelaat dat:
‘De lidstaten per geval beslissen dat [de opmaak van een milieubeoordeling] niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen’ Dat de Plan-MER-[R]ichtlijn dus niet uitsluit dat voormelde beslissing, met name dat het opstellen van een milieubeoordeling niet haalbaar is, ook post factum kan [worden] genomen;
Dat deze beslissing evengoed kan bestaan uit een decretale regeling; dat een decretale regeling zelfs veel meer waarborgen biedt inzake kwaliteit en rechtszekerheid en bekendmaking (via het Belgisch Staatsblad) dan dat het geval zou zijn bij een loutere beslissing van de uitvoerende macht;
Dat met name artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken in een overgangsbepaling voor de reeds lopende -en a fortiori de reeds afgelopen!-
planningsprocessen voorzag :
‘Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel IV
van het decreet van 5 april 1995, zoals vervangen door het decreet van 27
april 2007.’ Dat voormelde omzettingsregeling aldus bepaalt dat de Vlaamse plan-MER-regelgeving maar toepassing zou vinden op ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de plenaire vergadering werd gehouden vanaf 1 juni 2008; dat voormelde regeling precies in het leven werd geroepen om redenen van rechtszekerheid omdat de toepassing van de nieuwe regeling op een RUP waarvoor het planningsproces al gestart was niet haalbaar was; dat in het Verslag van de Commissie voor Leefmilieu en Natuur, Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed inzake voormeld artikel de volgende bespreking werd opgenomen :
‘[De minister] antwoordt dat deze overgangsbepaling zeer nadrukkelijk door de administratie en door de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening is gevraagd. De bepaling wil problemen vermijden met ruimtelijke uitvoeringsplannen die nu de opmaakprocedure doorlopen.
Het kan niet de bedoeling zijn om voor elk RUP in opmaak de procedure opnieuw te starten na de inwerkingtreding van het plan-MER[-]decreet.
De bedoeling is dus duidelijk rechtszekerheid te geven aan de RUP’s die momenteel in de opmaakprocedure zitten. De minister bevestigt dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 VII-41.805-12/22
uitvoeringsbesluiten van het plan-MER-decreet in voorbereiding zijn en dat de Vlaamse regering over de datum van inwerkingtreding zal beslissen.’[…]
[…]
Dat artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken aldus tot doelstelling had de rechtszekerheid te vergroten en om problemen te vermijden inzake lopende planningsprocessen aangezien het niet haalbaar zou zijn om alle lopende en zelfs afgelopen planningsprocessen te hernemen; dat deze doelstelling in het bijzonder van toepassing is voor planningsprocessen die hun beslag reeds gekend hebben in een definitieve beslissing, zoals dit het geval is voor het GRUP […], waarbij het volkomen onredelijk en onhaalbaar zou zijn om deze processen opnieuw te hernemen gelet op de intussen in werking getreden interne plan-MER-regelgeving;
Dat artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken wel degelijk dient te worden beschouwd als een beslissing zoals bedoeld in artikel 13.3 in fine Plan-MER-Richtlijn;
Dat het bestreden arrest ten onrechte doorslaggevend belang hecht aan het feit dat deze decretale regeling slechts is tussengekomen na de definitieve vaststelling van het GRUP; dat deze regeling inderdaad nadien werd aangenomen, waarbij de regeling noodzakelijk was voor planningsprocessen die hun beslag reeds gekregen hadden, zoals het GRUP […];
Dat voormelde decretale regeling wel degelijk een beslissing ‘per geval’ inhoudt, nu deze regeling precies aanduidt welke gevallen onttrokken blijven aan het toepassingsgebied van de richtlijn, namelijk (in principe) ruimtelijke uitvoeringsplannen met een plenaire vergadering voor 1 juni 2008; dat het bovendien gaat om een ‘beslissing’ die bekend gemaakt werd aan het publiek, namelijk via de publicatie in het Belgisch Staatsblad;
[…]
Dat [de Raad van State] minstens de hiernavolgende prejudiciële [vraag] aan het Hof van Justitie dient te stellen;
Dat artikel 267, derde lid [van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie] bepaalt dat de rechter een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Hof van Justitie wanneer de beslissing volgens het nationale recht niet vatbaar is voor hoger beroep:
[…]
Dat [de Raad van State] bijgevolg wordt verzocht om de volgende prejudiciële [vraag] aan het Hof van Justitie te stellen:
[…]
Verzet [artikel] 13.3 [Plan-MER-Richtlijn] zich tegen een decretale regeling waarbij voor een specifieke categorie van plannen waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór 21 juli 2004 plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen, wordt beslist dat de verplichting van artikel 4, lid 1 niet haalbaar is, voor zover voormelde decretale regeling het voorwerp heeft uitgemaakt van een bekendmaking aan het publiek via het Belgisch Staatsblad?”
VII-41.805-13/22
Beoordeling
11. Het bestreden arrest stelt vast en oordeelt:
– de milieubeoordeling in de zin van artikel 3.2 van de Plan-MER-Richtlijn is volgens de in artikel 13.3 van deze richtlijn bepaalde overgangsregeling vereist voor:
o plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004;
o plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt vóór deze datum en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, tenzij de lidstaat per geval beslist dat dit niet haalbaar is en het publiek van zijn beslissing op de hoogte stelt;
– artikel 13.1 van de Plan-MER-Richtlijn verplicht de lidstaten om de nodige maatregelen om aan de richtlijn te voldoen, in werking te doen treden vóór 21 juli 2004;
– de artikelen 3.2 en 13.3 van de Plan-MER-Richtlijn hebben rechtstreekse werking;
– het GRUP valt onder het toepassingsgebied van artikel 3.2 van de Plan-MER-Richtlijn;
– het GRUP is op 26 januari 2007 definitief vastgesteld, zijnde meer dan 24 maanden na 21 juli 2004;
– het GRUP is geen geval waarvoor door de lidstaat beslist is dat de overgangsregeling van artikel 13.3 van de Plan-MER-Richtlijn niet haalbaar is.
Deze vaststellingen en beoordelingen verantwoorden naar recht de beslissing dat het GRUP onwettig is omdat het niet werd onderworpen aan de milieubeoordeling bedoeld in artikel 3.2 van de Plan-MER-Richtlijn. De vernietiging van de omgevingsvergunning die gesteund wordt op de vaststelling dat de aanvraag in overeenstemming is met het GRUP als rechtsgeldige beoordelingsgrond, wordt hierdoor eveneens naar recht verantwoord.
VII-41.805-14/22
Het is in dit geval niet verder van belang te weten wat de eerste voorbereidende handeling was van het GRUP, en wanneer zij gesteld werd.
De motieven van het bestreden arrest die betrekking hebben op dat vraagstuk, zijn dan ook ten overvloede gegeven.
12. Het eerste onderdeel van het middel wordt tegen die overtollige motieven gericht, en is bijgevolg niet ontvankelijk. De prejudiciële vragen die in dit verband worden voorgesteld, zijn dan ook niet dienstig voor de oplossing van het geschil, en moeten door de Raad van State niet gesteld worden.
13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen treedt in het bestreden arrest het door de verwerende partijen opgeworpen middel bij dat het GRUP
onwettig is omdat het niet werd onderworpen aan de milieubeoordeling bedoeld in artikel 3.2 van de Plan-MER-Richtlijn.
De verzoekende partij heeft in haar verweer tegen dat middel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen laten gelden:
“Artikel 49 van het Decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, voorziet met name in een overgangsregeling inzake het temporeel toepassingsgebied van de Plan-MER-plicht waarin wordt bepaald dat hoofdstuk II van titel IV van het DABM, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de inwerkingtreding van dat hoofdstuk. Vermits dat hoofdstuk […] slechts in werking is getreden vanaf 1 december 2007, en het GRUP in casu reeds definitief werd vastgesteld op 26 januari 2007, diende overeenkomstig het DABM geen plan-MER te worden opgesteld. Dat op dat ogenblik de Europese plan-MER-richtlijn reeds in werking was getreden doet daaraan geen afbreuk, nu een dergelijke overgangsbepaling inzake het temporeel toepassingsgebied van de plan-MER-plicht expliciet door artikel 13.3 van die Europese plan-MER-richtlijn werd toegelaten.”
Op dit verweer heeft het bestreden arrest geantwoord:
“Er valt naar het oordeel van de Raad [voor Vergunningsbetwistingen] dan ook werkelijk niet in te zien dat het GRUP een geval is waarvoor overeenkomstig artikel 13 in fine [Plan-MER-Richtlijn] door de lidstaat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875 VII-41.805-15/22
beslist is dat de overgangsregeling van artikel 13.3 niet haalbaar is, met kennisgeving van die beslissing aan het publiek. Bovendien stelt de Raad vast dat (1) de verwerende en de tussenkomende partij ook niet aannemelijk maken dat artikel 13 in fine [Plan-MER-Richtlijn] van toepassing is, noch (2)
dat minstens de [verwerende partijen in cassatie] kennis hebben of konden hebben van een beslissing van de lidstaat volgens dewelke de overgangsregeling van artikel 13.3 niet haalbaar is voor het GRUP.”
Waar de verzoekende partij in haar verweer voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen slechts in het algemeen liet gelden dat “een dergelijke overgangsbepaling inzake het temporeel toepassingsgebied van de plan-MER-plicht expliciet door artikel 13.3 van die Europese plan-MER-richtlijn werd toegelaten”, legt zij thans in het tweede onderdeel van het middel de argumenten voor ter ondersteuning van dat verweer en ter weerlegging van het antwoord dat het bestreden arrest heeft gegeven op haar verweer. Het gaat hier om argumenten die de verzoekende partij ook aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen kon voorleggen, en als zodanig niet voor het eerst in cassatie kunnen worden opgeworpen. Aan het bestreden arrest kan ook niet worden verweten niet op die argumenten te hebben geantwoord.
Het tweede onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. De prejudiciële vraag die in dit verband wordt voorgesteld, is dan ook niet dienstig voor de oplossing van het geschil, en moet door de Raad van State niet gesteld worden.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
14. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 2, a), 3
en 13.3 van de Plan-MER-Richtlijn, en van de rechterlijke motiveringsplicht zoals onder meer vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC, uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag.
VII-41.805-16/22
15. Het eerste onderdeel van het middel wordt als volgt uiteengezet:
“Doordat, eerste onderdeel, het bestreden arrest oordeelt dat een planologisch attest dat de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan in het vooruitzicht stelt, in aanmerking zou moeten worden genomen als een ‘plan of programma’ in de zin van de Plan-MER-Richtlijn zodat de milieubeoordelingsplicht in de zin van artikel 3.2 Plan-MER-Richtlijn hierop van toepassing zou zijn;
Dat het planologisch attest om die reden buiten toepassing wordt verklaard op grond van [artikel] 159 [van de Grondwet], en dat bovendien het bevel wordt gegeven in het bestreden arrest dat het planologisch attest niet meer zou mogen betrokken worden in de herbeoordeling van de vergunningsaanvraag na het vernietigingsarrest, zodat dit attest kennelijk op geen enkele manier meer betrokken zou mogen worden in de beoordeling, noch bij de toetsing van de aanvraag aan de stedenbouwkundige voorschriften, noch bij de toetsing van de aanvraag aan de goede ruimtelijke ordening (al was het zelfs maar als beleidsmatig gewenste ontwikkeling);
[…]
Terwijl, de notie ‘plannen en programma’s’ in de Plan-MER-Richtlijn niet wordt gedefinieerd;
Dat artikel 2, a) Plan-MER-Richtlijn bepaalt wat onder ’plannen en programma’s’ in de zin van de richtlijn dient te worden begrepen:
[…]
Dat er aldus dient te worden voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden, meer bepaald dat de plannen en programma’s die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau dienen te worden opgesteld en/of vastgesteld of door een instantie dienen te worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld, én dat zij door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven[…];
Dat evenwel in de definitie van ‘plannen en programma’s’ van de Plan-MER-Richtlijn zelf geen opsomming wordt gegeven over welke documenten het zou kunnen gaan, maar er enkel een algemene omschrijving wordt gehanteerd;
Dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie […]
[…]
Dat, gelet op de bovenstaande uiteenzetting, in casu dient te worden geoordeeld dat een planologisch attest zelf nog geen kader creëert voor de beoordeling van projecten; […]
[…]
Dat het planologisch attest aldus louter deel uitmaakt van een gefaseerde vergunningsprocedure en niet dient te worden begrepen als ‘plan of programma’;[…]
[…]
Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest dan ook verkeerdelijk heeft geoordeeld dat ook het planologisch attest als een plan of programma in de zin van de Plan-MER-Richtlijn dient te worden begrepen;
Dat het planologisch attest niet onder de notie ‘plannen en programma’s’ zoals bepaald in artikel 2, a) Plan-MER-Richtlijn valt;
VII-41.805-17/22
[…]
Dat minstens voorafgaand de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient voorgelegd te worden:
Dient artikel 2, a) van [de Project-MER-Richtlijn] zo begrepen te worden dat een planologisch attest zoals bedoeld in [de artikelen] 4.4.24 tot 4.4.29
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening valt onder de notie ‘plannen en programma’s’, zelfs indien dergelijk attest zelf nog geen beoordelingskader voor projecten creëert (behoudens uitzonderlijk voor de regelingen en voorwaarden voor de invulling van de kortetermijnbehoeften van de onderneming waaraan het planologisch attest werd verleend), maar de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan in het vooruitzicht stelt?”
16. Het tweede onderdeel van het middel wordt als volgt uiteengezet:
“En doordat, tweede onderdeel, het bestreden arrest er ten onrechte aan voorbijgaat dat het planologisch attest niet onderworpen is aan het temporele toepassingsgebied van de Plan-MER-Richtlijn, nu de opmaakprocedure reeds lopende was op 21 juli 2004 en het attest reeds werd afgegeven op 7 december 2004, dus korte tijd na de omzettingsdatum van de Plan-MER-Richtlijn;
[…]
En terwijl, het bestreden arrest er alleszins aan voorbijgaat dat het planologisch attest valt onder de overgangsbepaling van [artikel] 13.3
Plan-MER-Richtlijn;
Dat uit het planologisch attest blijkt dat dit verleend werd op 7 december 2004, waarbij de aanvraag dateert van 18 juli 2003, het openbaar onderzoek liep van 16 november 2003 tot 16 december 2003, het VLACORO-advies dateert van 9 maart 2004, enzovoort;
Dat de eerste formele voorbereidende handeling zoals bedoeld in artikel 13.3
Plan-MER-Richtlijn dus dateert van voor 21 juli 2004, zodat het attest -zelfs indien het wel zou kwalificeren als plan of programma, quod non – hoe dan ook niet onderworpen is aan de richtlijnverplichtingen;
Dat het bestreden arrest aldus ten onrechte de onwettigheid van het planologisch attest vaststelt, en al evenzeer ten onrechte het verbod oplegt aan verwerende partij om dit attest te betrekken bij de totstandkoming van een nieuwe beslissing over de aanvraag.”
Beoordeling
17. Het middel komt op tegen volgende motieven van het bestreden arrest :
VII-41.805-18/22
“Anders dan het GRUP, is het planologisch attest niet later dan 24 maanden na de in artikel 13.3 [Plan-MER-Richtlijn] bepaalde scharnierdatum (21 juli 2004) aangenomen, maar bij gebrek aan opnieuw de vermelding van de precieze datum van de plenaire vergadering van ook dat document, betekent dat feit als dusdanig dus nog niet automatisch dat het planologisch attest geen milieubeoordeling behoefde. Bovendien is zowel een GRUP als een planologisch attest een plan of programma waarvoor de milieubeoordeling in de zin van artikel 3.2 [Plan-MER-Richtlijn] geldt, zodat het GRUP niet van een plan-MER vrijgesteld was, mocht het zo zijn dat het op 7 december 2004
aangenomen planologisch attest vrij was van enige milieubeoordeling.”
In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest hiermee heeft beslist dat het planologisch attest dat aan de tussenkomende partij werd verleend, onwettig is en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing heeft verklaard, mist het middel feitelijke grondslag. Het bestreden arrest laat immers in het midden of voor dit planologisch attest – in tegenstelling tot het GRUP – een milieubeoordeling vereist was, en besluit niet dat het onwettig is omwille van een gebrek aan milieubeoordeling.
18. Zoals wordt uiteengezet in de beoordeling van het tweede middel, volstaat de vaststelling dat het GRUP definitief werd vastgesteld meer dan 24 maanden na 21 juli 2004 voor de beslissing dat het GRUP op grond van de overgangsregeling van artikel 13.3 van de Plan-MER-Richtlijn moest onderworpen worden aan de in artikel 3.2 van deze richtlijn bedoelde milieubeoordeling.
De vernietiging van omgevingsvergunning die gesteund wordt op de vaststelling dat de aanvraag in overeenstemming is met het GRUP als rechtsgeldige beoordelingsgrond, wordt hierdoor eveneens naar recht verantwoord.
Het is in dat geval niet verder van belang te weten of het planologisch attest dat aan het GRUP is voorafgegaan, kwalificeert als een ‘plan of programma’ dat aan een milieubeoordeling moest worden onderworpen, en wat in voorkomend geval ‘de eerste voorbereidende handeling’ was van het planologisch
VII-41.805-19/22
attest. De motieven van het bestreden arrest die betrekking hebben op die vraagstukken, zijn dan ook ten overvloede gegeven.
Het middel, dat gericht wordt tegen overtollige motieven van het bestreden arrest, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. De prejudiciële vraag die in dit verband wordt voorgesteld, is dan ook niet dienstig voor de oplossing van het geschil, en moet door de Raad van State niet gesteld worden.
19. In zoverre het middel gericht wordt tegen het bevel dat het bestreden arrest heeft gegeven aan de verzoekende partij om het planologisch attest van 7 december 2004 niet te betrekken bij de totstandkoming van een nieuwe beslissing over de aanvraag van de tussenkomende partij, stelt de Raad van State vast dat dit bevel steunt op volgende zelfstandige motieven van het arrest:
“[De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt vast] dat het planologisch attest onmiskenbaar enkel positief was voor de korte termijn-behoeftes van het bedrijf (door de veel belangrijkere invloed op de omgeving dan een kleinschalig conditionerings- en opslagbedrijf zoals het initieel was vergund in 1985), en beperkt tot de toen bestaande en uitgevoerde gebouwen die op plan aangeduid waren als ‘bestaande vergunde gebouwen’ om de verenigbaarheid met de landelijke omgeving te kunnen blijven garanderen.
Hoewel de [verwerende partijen in cassatie] niet gevolgd kunnen worden waar zij voorhouden dat de kwalificatie van ‘historisch gegroeid bedrijf’ enkel mogelijk is als een bedrijf van vóór het gewestplan bestaat, geeft dat planologisch attest wel duidelijk aan dat ook de gewestelijk planologisch ambtenaar al op 3 februari 2004 oordeelde dat [de tussenkomende partij]
‘geen historisch gegroeid bedrijf’ is omdat het ‘gegroeid’ is ‘uit een regelmatig vergund, zone-eigen bedrijf en geen vergunning [heeft] voor de bestemmingswijziging’ (zie planologisch attest, p.18 onderaan). Hij voegde er ook nog uitdrukkelijk aan toe dat ‘Het afwegingskader dat in het RSV
wordt geboden in feite niet bedoeld [is] voor wederrechtelijk tot stand gekomen bedrijven’.”
Die dragende motieven worden door de verzoekende partij niet bestreden. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
VII-41.805-20/22
VII-41.805-21/22
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Carlo Adams
VII-41.805-22/22
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.875
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...