ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.930
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.930 Rolnummer: A. 238919/X-18379 Zaak: Arrest 260930 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-11 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-04 15:32 Fiche Arrest nr 260.930 van...
36 min de lecture · 7,841 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 04 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.930
Rolnummer:
A. 238919/X-18379
Zaak:
Arrest 260930 – Stedenbouw en ruimtelijke ordening – Reglementen – 04/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-11
Raadplegingen:
86 – laatst gezien 2026-06-04 15:32
Fiche
Arrest nr 260.930 van 4 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Stedenbouw en ruimtelijke
ordening – Reglementen Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR
ecli_prefixe ECLI
ecli_pays BE
ecli_cour RVSCE
ecli_cour_old RVSCE
ecli_annee 2024
ecli_ordre ARR
ecli_typedec
ecli_datedec
ecli_chambre
ecli_nosuite
Invalid ECLI ID – no_ordre – 1 elements
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID – no_ordre – 1 elements
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 260.930 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 238.919/X-18.379
In zake : de BV L.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38/2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
de STAD MECHELEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Geens kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 18 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2022
houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Regionaalstedelijk gebied Mechelen’.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-1/25
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
De stad Mechelen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 juli 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2024.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Sofie Albert, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor verzoeker, advocaat Anne-Sophie Claus, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gheerkin Vanhaverbeke, die loco advocaat Joris Geens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-2/25
III. Feiten
3.1. Bij besluit van 18 juli 2008 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Mechelen’ definitief vast (hierna: het gewestelijk RUP van 2008). Het gewestelijk RUP van 2008 omvat 14 deelgebieden.
3.2. Op 23 september 2016 beslist de Vlaamse regering om haar onder randnummer 3.1 vermelde besluit van 18 juli 2008 in te trekken, in zoverre dit de deelgebieden 8 en 9 betreft.
3.3. Vervolgens wordt de procedure tot opmaak van het gewestelijk RUP ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Mechelen’ hernomen en nadien stopgezet, waarna het geïntegreerd planningsproces voor de opmaak van het gewestelijk RUP ‘regionaalstedelijk gebied Mechelen’ (hierna: het gewestelijk RUP) wordt opgestart.
De startnota verduidelijkt omtrent het plangebied:
“De geografische situering van het plangebied betreft het in het GRUP van 2008 afgebakende stedelijk gebied van Mechelen op grondgebied van Mechelen, Sint-Katelijne-Waver, Bonheiden en Zemst in de provincie Antwerpen en Vlaams-Brabant.”
Ook vermeldt de startnota:
“De afbakening van het Regionaalstedelijk Gebied Mechelen gebeurt, net als die van alle andere geselecteerde stedelijke gebieden in Vlaanderen, in uitvoering van het RSV. De afbakening van de regionaalstedelijke gebieden is de verantwoordelijkheid van het Vlaams gewest, leidt tot een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP). Het uit het afbakeningsproces resulterende actieprogramma moet uitvoering geven aan het beleid van ‘gedeconcentreerde bundeling’, zoals vooropgesteld in het RSV, waarbij het merendeel van de bijkomende woningen en bedrijventerreinen binnen de stedelijke gebieden moet voorzien worden, maar waar ook ruimte wordt gecreëerd voor stedelijk groen en stadslandbouw.
Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor het regionaalstedelijk gebied Mechelen werd in 2008 reeds definitief vastgesteld (vastgesteld bij Besluit van de Vlaamse regering van 18/07/2008). Deze vaststelling werd
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-3/25
niet voorafgegaan door een plan-MER en is om die reden deels vernietigd en dus voor bepaalde onderdelen ervan onvoldoende robuust en rechtszeker als basis voor vergunningen.
Om deze reden heeft de Vlaamse overheid geopteerd om de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Mechelen te hernemen (met aanpassingen waar nodig).
Er is dus geen beleidsalternatief voor de opmaak van het GRUP
Afbakening RSG Mechelen.
Het vertrekpunt inzake ruimtelijk programma is de voorgenomen activiteit van het GRUP uit 2008, aangevuld met enkele nieuwe inzichten na overleg met de lokale actoren.
In principe is de basis het planvoornemen het GRUP uit 2008 en worden de deelgebieden integraal hernomen; indien er beperkte actualisaties nodig zijn, worden die ook meegenomen. […].”
3.4. Tot het gewestelijk RUP behoort het te dezen relevante deelgebied 4 ‘Beekvallei Vrouwvliet’. De startnota beschrijft dit gebied als volgt:
“De Vrouwvlietvallei, gelegen te noorden van Mechelen, is een belangrijke groenblauwe ader voor de omgeving. De Vrouwvliet heeft een grote impact op de waterhuishouding in de regio en is rechtstreeks verbonden met het Mechels Broek. De vallei is rond het plangebied deels in bosgebied gelegen en deels bebouwd. Het is belangrijk voor de ruimere omgeving dat de onbebouwde delen maximaal worden gevrijwaard. Op deze manier kan de vallei zijn waarde als groenblauwe ader behouden en de omgeving ondersteunen. Het deelgebied dat aan de Vrouwvlietvallei ligt is eveneens een belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk. Door zijn ligging in de omgeving van het stadsbos Kauwendaal is het een waardevol gebied met veel potentieel. Hiervoor is het aangewezen om het bestaande waardevol bosgebied, momenteel gelegen in woongebied, te behouden en daarvoor de nodige bestemmingswijziging door te voeren. Het meegenomen gebied langs de Vrouwvliet heeft een oppervlakte van ruim 3,5 ha.”
3.5. De scopingnota beschrijft de bestaande feitelijke toestand binnen dat deelgebied verder als volgt:
“3.3.4 Beekvallei Vrouwvliet Het plangebied Beekvallei Vrouwvliet omvat enkele percelen, gelegen tussen de Vrouwvliet en de Liersesteenweg. Het […] oostelijke deel is volledig bebost. De percelen in het oosten, aansluitend bij de bebouwing, zijn grasland met verspreide bomen.
Op de zuidelijke oever van de Vrouwvliet loopt een fietspad, een toeleidende route naar de F1 fietssnelweg Antwerpen – Mechelen. De volledig verharde oevers van de vliet zorgen voor een beperkte structuurkwaliteit, en ook de waterkwaliteit is niet goed.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-4/25
De ecologische waarde van het bosje in het plangebied is wel zeer hoog: het is een wilgenstruweel op voedselrijke bodem, waar ondanks de relatief geringe leeftijd (<90 jaar) toch reeds een kwalitatief ecosysteem ontwikkelde.
Het bosje is gelegen in het van nature overstroombare gebied langs de Vrouwvliet, en ligt niet hoger dan de omgeving. Desondanks is het niet als overstromingsgevoelig gebied aangeduid op de watertoetskaarten, hoewel de oevers van de vliet dat net stroomopwaarts van het plangebied wel zijn, en ook stroomafwaarts ten westen van de Liersesteenweg (N14) een strook als mogelijk overstromingsgevoelig aangeduid werd.
[…].”
3.6. De in de scopingnota opgenomen biologische waarderingskaart (hierna: BWK) geeft het deelgebied 4 ‘Beekvallei Vrouwvliet’ als volgt weer (zwart omrand) – het perceel van de verzoekende partij wordt er als ‘biologisch zeer waardevol’ (felgroene kleur) op weergegeven:
3.7. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976
vastgestelde gewestplan Mechelen heeft verzoeksters perceel de bestemming woongebied.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-5/25
3.8. Op 22 februari 2022 wordt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het gewestelijk RUP gehouden.
3.9. Op 1 april 2022 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van het gewestelijk RUP voorlopig vast.
3.10. Van 2 mei 2022 tot en met 30 juni 2022 vindt een openbaar onderzoek over het ontwerp van het gewestelijk RUP plaats.
De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in.
3.11. De afdeling Wetgeving van de Raad van State verleent op 15 december 2022 het advies nr. 72.543/1 over het ontwerp van het gewestelijk RUP.
3.12. Op 23 december 2022 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk RUP definitief vast.
Dit is het bestreden besluit. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2023.
3.13. Het plangebied van het bestreden gewestelijk RUP bestaat uit elf deelgebieden. Het verordenend grafisch plan van het te dezen relevante deelgebied 4 ‘Beekvallei Vrouwvliet’ is het volgende:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-6/25
3.14. Ingevolge het bestreden gewestelijk RUP zijn de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 4.1 ‘Bosgebied’ van dit RUP op verzoeksters perceel van toepassing:
“Artikel 4.1. Bosgebied 4.1.1 Bepalingen over de bestemming Het gebied is bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg, het beheer en de inrichting van het bos zijn toegelaten.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur, het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden zijn toegelaten, voor zover ze de ruimtelijk-functionele samenhang en ruimtelijk-structurerende waarde van de bestaande bossen niet wezenlijk in het gedrang brengen.
Het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur in functie van de sociale en educatieve functies van het bosgebied is toegelaten voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het bosgebied niet overschreden wordt.
Recreatieve paden zijn onverhard of semi-verhard.
Hoogdynamische dag- of verblijfsrecreatie is niet toegelaten.
Bestaande natuurlijke elementen worden behouden of vervangen door nieuwe groenelementen, bestaande uit inheemse, standplaatsgeschikte soorten.
4.1.2. Bepalingen over waterhuishouding Handelingen die nodig of nuttig zijn voor:
– het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van beekvallei, – het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, – het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden en het voorkomen van droogte, – het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen zijn toegelaten voor zover daarbij gebruik gemaakt wordt van de technieken van natuur-technische milieubouw.
De in artikel 4.1.1 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van de beekvallei niet doen afnemen.
De waterloop Vrouwvliet moet gevrijwaard blijven en ruimte behouden voor structuurontwikkeling. Inbuizing van de beek, bebouwing en/of nieuwe verharding langs de beekoever is niet toegelaten.
Langsheen de Vrouwvliet wordt, daar waar geen bebouwing en verharding aanwezig is, een groenstrook van 10 meter vanaf de kruin van de waterloop voorzien. Onderbrekingen van deze groenstrook zijn lokaal mogelijk in functie van de ontsluiting van het gebied. Het aanwezige verharde fietspad
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-7/25
kan behouden blijven en in het kader van hermeandering of inrichting van de beekvallei aangepast worden.”
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De griffie heeft op vrijdag 12 mei 2023 een afschrift van het verzoekschrift aan de verwerende partij ter kennis gebracht. Zij heeft op woensdag 12 juli 2023, dit is buiten de daartoe voorziene termijn van zestig dagen, een memorie van antwoord ingediend. De laattijdige memorie van antwoord dient uit het debat te worden geweerd.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van “artikel 2.2.1 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO)], van de bevoegdheidsverdelende bepalingen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen [RSV] en het hierin begrepen subsidiariteitsbeginsel”. Ook voert zij een gebrek aan materiële motivering, een schending van artikel 2.2.10, § 5, VCRO, een gebrek aan feitelijke grondslag en machtsoverschrijding aan.
De verzoekende partij betoogt dat het RSV het enige bindend beleidsdocument is waarmee het Vlaamse Gewest rekening moet houden bij de opmaak van een RUP. De verzoekende partij wijst erop dat de plandoelstelling van het gewestelijk RUP erin bestaat “ruimte te creëren voor de beekvallei en onbebouwde delen maximaal te vrijwaren voor groen en water”. Zij voert aan dat het deelgebied een zeer klein plangebied betreft van bij benadering 3,5 ha dat volledig omsloten is door woningen en sportterreinen en dat het lokaal belang niet overstijgt. Het bestreden gewestelijk RUP vermeldt geen concrete aanknopingspunten aangaande een taakststelling voor het Vlaamse Gewest die met
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-8/25
betrekking tot haar perceel uit het RSV zou voortvloeien. De verzoekende partij merkt op dat het kwestieuze deelgebied geen gemeente- of provincie-overschrijdend karakter heeft. Daarnaast hangt dit deelgebied niet samen met andere natuurgebieden. Het gewestelijk RUP gebruikt het begrip “stapsteen” om het gebrek aan verbinding met andere gebieden op te vangen.
Evenmin is het gebied geschikt voor recreatie. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek over de startnota heeft de verzoekende partij reeds een bezwaar geformuleerd over het gebrek aan ecologische verbinding. Het antwoord dat de aangrenzende gebieden reeds de correcte bestemming genieten en dus niet meer opgenomen dienden te worden in het gewestelijk RUP, mist feitelijke grondslag.
De verzoekende partij betwist dat binnen het plangebied de natuurfunctie gebiedsdekkend en als hoofdfunctie aanwezig is. De afbakening van het gebied zal dan ook geenszins de versterking van de interne samenhang tussen de onderdelen van de natuurlijke structuur kunnen waarborgen of verwezenlijken.
Het is ook manifest fout om te poneren dat het deelgebied door zijn ligging in de omgeving van het stadsbos Kauwendaal een waardevol gebied met veel potentieel betreft. In vogelvlucht ligt het gebied immers op ongeveer een kilometer van voormeld stadsbos. Het gebied vervult geen enkele corridorfunctie. De verzoekende partij stelt voorts vast dat de startnota melding maakt van het gegeven dat de Vlaamse overheid in 2008 in uitvoering van het RSV een ruime visie op landbouw, natuur en bos voor de regio Zenne-Dijle-Pajottenland heeft opgesteld (operationeel uitvoeringsprogramma van 24 april 2009). Evenwel maakt verzoeksters perceel geen deel uit van uitvoeringsacties die op (korte) termijn “geviseerd” worden. Een gewestelijke taakstelling voor de opmaak van het gewestelijk RUP kan dan ook niet uit het voormelde operationeel uitvoeringsprogramma van 24 april 2009 worden gepuurd. Verder werd geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 2.2.2, § 2, VCRO biedt om bepaalde bevoegdheden aan andere planningsniveaus te delegeren. Tenslotte wijst de verzoekende partij naar de inhoud van haar bezwaarschrift. De loutere stelling ter beantwoording van dat bezwaar, te weten dat het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden aan de basis liggen van het planvoornemen voor de Vrouwvliet beekvallei, dat wel degelijk een
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-9/25
ruimer geheel zou vormen met een aaneenschakeling van verschillende groengebieden, kan bezwaarlijk tellen als een grondig onderzoek en een afdoende beoordeling van haar bezwaarschrift. Het bestreden gewestelijk RUP betreft geen gewestelijke taakstelling en er wordt geen afdoende relatie tussen het gewestelijk RUP en het RSV aangetoond.
Beoordeling
6.1. De verzoekende partij heeft tijdens het openbaar onderzoek een gelijkluidend bezwaar ingediend, dat het bestreden besluit als volgt behandelt:
“In een bezwaarschrift wordt gewezen naar de koppeling met het RSV. Het GRUP zou niet in uitvoering van het RSV zijn aangezien het niet gaat om voldoende omvangrijke en samenhangende gebieden dewelke met elkaar verbonden zijn. Daarnaast zou het eveneens niet van gewestelijk belang zijn, aangezien het om een klein deelgebied gaat. Het is eveneens niet uitgewerkt als een (ruimere) ecologische verbinding tussen grote eenheden natuur of natuurverwevingsgebied want de rest van de beekvallei van de Vrouwvliet wordt niet betrokken in het GRUP. De natuurfunctie in dit gebied is ook niet gebiedsdekkend, noch een hoofdfunctie, staat niet in relatie tot andere natuurlijke of stedelijke natuurelementen. In de AGNAS-visie is eveneens geen basis te vinden. Tot slot is de inspreker niet akkoord met de weerlegging in de scopingsnota van de inspraakreacties op de startnota. Er is geen grondslag in het RSV en geen algehele visie want bestaande ontwikkelingen mogen niet doorslaggevend zijn en er zijn wel ontwikkelingsplannen voor dit perceel.
De Vlaamse Regering beantwoordt deze opmerking door te stellen dat de afbakening van de regionaalstedelijke gebieden, waaronder Mechelen, volgens het subsidiariteitsbeginsel een gewestelijke bevoegdheid is. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden de ontwikkelingsperspectieven voor stedelijke gebieden opgelijst, waaronder ‘behoud en ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden’ omwille van hun belang voor de stedelijke leefbaarheid.
Het RSV stelt bovendien dat de ruimtelijke kwaliteit van de stedelijke gebieden kan worden verbeterd door de relatie met de rivier- en beekvalleien die onderdeel uitmaken van het stedelijk gebied te herwaarderen. Het is dit ontwikkelingsperspectief dat aan de basis ligt van het planvoornemen voor de Vrouwvliet beekvallei. De Vrouwvlietvallei vormt immers wel degelijk een ruimer geheel, met een aaneenschakeling van verschillende groengebieden. Dit is bijkomende verduidelijkt in §7.4.4
van de toelichtingsnota bij voorliggend GRUP. Verschillende van deze deelgebieden hebben reeds een geëigende bestemming, waardoor opname in voorliggend GRUP geen meerwaarde zou hebben, vermits het dan louter om een bevestiging van de huidige bestemming zou gaan. Een aantal van de
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-10/25
deelgebieden uit het GRUP uit 2008 waren bijvoorbeeld gesitueerd langsheen de Vrouwvliet. In het afbakeningsproces dat vooraf is gegaan aan het betreffende GRUP werd de Vrouwvliet aangeduid als een belangrijke natuurlijke en landschappelijke structuur, als een groene vinger en als stedelijke natuur die maximaal van bebouwing gevrijwaard zou moeten worden, cfr. de principes van het RSV. Ook in de gewenste ruimtelijke structuur voor de regio Zenne-Dijle-Pajottenland, die is opgemaakt als onderdeel van de in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorziene afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur, wordt de Vrouwvliet door Mechelen (11.5)
opgenomen onder het visie-element ‘ontwikkeling van landschappelijk en ecologisch waardevolle lineaire elementen’, meer bepaald wordt verwezen naar de natte natuurverbindingsfunctie van de beek. Deze gewenste ruimtelijke structuur is eveneens opgesteld in uitvoering van het RSV, waar de afbakening van de gebieden van de natuurlijke structuur (waar bebossing deel van uit maakt) duidelijk wordt toegewezen aan het gewest.”
6.2. Wanneer, zoals in casu, het middel nagenoeg identiek is aan een bezwaar dat door de plannende overheid werd besproken en weerlegd, komt het de verzoekende partij toe om op duidelijke wijze aan te geven waarom dit antwoord volgens haar niet volstaat. Het louter hernemen van de elementen die reeds in het bezwaar aan bod kwamen, zijn niet dienstig om de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. Het staat niet aan de Raad van State om zelf tot een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren over te gaan.
Verzoeksters niet-onderbouwde beweringen zijn evenmin van aard om het bestreden besluit te vitiëren. Wat het antwoord van de plannende overheid betreft dat de aangrenzende gebieden al de correcte bestemming genieten en dus niet moeten opgenomen worden in het gewestelijk RUP, poneert zij louter dat dit antwoord “feitelijke grondslag [mist]”. In zoverre de verzoekende partij eerst in haar toelichtende memorie een en ander uiteenzet, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Met betrekking tot het antwoord van de plannende overheid dat het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden aan de basis liggen van het planvoornemen voor de beekvallei van de Vrouwvliet, die wel degelijk een ruimer aaneengeschakeld geheel vormt met verschillende groengebieden, beweert de verzoekende partij dan weer louter dat dit “bezwaarlijk [kan] tellen als een grondig onderzoek en een afdoende beoordeling”. Niet zonder overtuigingskracht wijst de verwerende partij
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-11/25
erop dat “het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden” een in het RSV opgenomen ontwikkelingsperspectief is waarbinnen het bestreden gewestelijk RUP kan worden ingepast.
6.3. De toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP geeft de volgende verantwoording voor het planvoorstel, waarbij ook de verschillende groengebieden worden aangegeven waarmee het kwestieuze deelgebied een ruimer geheel vormt:
“[…] In een stedelijke context is het essentieel om in te zetten op een robuust groenblauw netwerk met het oog op verkoeling, waterberging, luchtzuivering, recreatie, landschapsbeleving,… (cfr. Vlaamse Klimaatstrategie 2050). Dergelijke acties zijn uitermate geschikt om de verwachte effecten van de klimaatverandering op onze maatschappij te milderen. De Klimaatstrategie stelt onder meer dat voldoende plaats laten voor open en onverharde ruimte van primordiaal belang is om de ambities te realiseren en Vlaanderen weerbaarder te maken tegen de verwachte gevolgen van klimaatverandering. In lijn hiermee heeft de Vlaamse regering ook duidelijke doelstellingen geformuleerd omtrent bebossing, zeker in een regio als het Mechelse, waar bij uitstek een tekort is aan bebossing.
De Vrouwvlietvallei, gelegen te noorden van Mechelen, is in dat kader een belangrijke groenblauwe ader. De Vrouwvliet heeft een grote impact op de waterhuishouding in de regio en is rechtstreeks verbonden met het Mechels Broek. Het plangebied maakt deel uit van een grotere openruimte structuur die voornamelijk bestaat uit enerzijds beboste en anderzijds groene openruimte stukken. Op sommige plaatsen bevindt er zich bebouwing tot vrij dicht tegen de Vrouwvliet. Het is belangrijk voor de ruimere omgeving dat de onbebouwde delen maximaal worden gevrijwaard. Op deze manier kan de vallei zijn waarde als groenblauwe ader behouden en de omgeving ondersteunen. In onderstaande figuur wordt deze ader aangeduid op kaart.
De Vrouwvlietvallei is er verbonden met het stadsbos Kauwendaal en bestaat voornamelijk uit openruimte bestemmingen. Het deelgebied ‘Beekvallei Vrouwvliet’ was omwille van zijn harde bestemming potentieel een missing link in deze groen blauwe ader.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-12/25
De Vrouwvliet zelf heeft harde oevers en heeft hierdoor een zeer slechte structuurkwaliteit. Door voldoende ruimte langs de rivier te reserveren bestaat de mogelijkheid om hieraan in de toekomst te verhelpen.
Dit deelgebied is eveneens een potentieel belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk en de grotere openruimte structuur, als één van de losse gebiedjes – stapstenen – die langsheen de Vrouwvliet aaneengereigd kunnen worden. Door zijn ligging in de omgeving van het stadsbos Kauwendaal is het een waardevol gebied met veel potentieel.
Zoals hoger aangegeven, is het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen van belang voor de leefbaarheid van een denser ontwikkeld stedelijk gebied. Dit geldt eveneens voor het verbeteren van de relatie tussen de beekvallei en het stedelijk gebied, ook dat is één van de elementen die bijdragen aan de kwaliteit van een stedelijk gebied.
Bovendien draagt het deelgebied, als onderdeel van een groenblauw netwerk, bij aan verkoeling, waterberging, luchtzuivering, … en maakt daarmee deel uit van de strategie om de verwachte effecten van de klimaatverandering op onze maatschappij te milderen.
Met voorliggend plan wordt er daarom voor gekozen om het bestaande bos te behouden en zone-eigen te maken. Het bos is ruimtelijk gescheiden van de woningen door het aanwezige talud. De interactie met de woningen is dan ook eerder beperkt; voor dit bos worden daarom ook geen grote (zacht)recreatieve doelen voorop gesteld. Het is eerder de bedoeling om een rustpunt in het stedelijk gebied te vormen, een niet-verharde groene plek die een grote meerwaarde heeft op ecologisch en milieuvlak (hitte, water, lucht, biodiversiteit, …) dan een rol te spelen op vlak van recreatie.
Wat betreft de Vrouwvliet, die de grens vormt in het noorden en noordoosten, wordt erop ingezet om de oeverzone een meer natuurlijke invulling te geven. Op die manier krijgt de beekvallei de ruimte die ze nodig heeft.
Het zuidelijk deel van het gebied heeft reeds een bosbestemming maar is slechts beperkt bebost. Binnen deze zone is verdere versterking van de bosstructuur gewenst. Voor de aanwezige (vergunde of vergund geachte)
zonevreemde constructies blijven dezelfde decretaal bepaalde rechten van toepassing. […].”
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-13/25
6.4. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat de plannende overheid de grenzen van de redelijkheid is te buiten gegaan of anderszins onwettig heeft geoordeeld door aan te nemen dat het kwestieuze deelgebied “eveneens een potentieel belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk en de grotere openruimte structuur [is], als één van de losse gebiedjes – stapstenen – die langsheen de Vrouwvliet aaneengerijgd kunnen worden”. Verzoeksters betoog dat het stadsbos ‘Kauwendaal’ zich in vogelvlucht op ongeveer een kilometer van dit deelgebied situeert, dat het kwestieuze deelgebied geen deel uitmaakt van het operationeel uitvoeringsprogramma van 24 april 2009 van de Vlaamse overheid, dat zich “rechts” van haar perceel “een grote verkaveling en verder de volledige ontwikkeling op Mechelen-Noord” bevindt, en dat de “enige groene ‘verbinding’ naar Kauwendaal” de groenberm langsheen de spoorweg is, doet niet anders besluiten.
6.5. Gelet op wat voorafgaat, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de vaststelling van het betrokken deelgebied niet tot de planningsbevoegdheid van het gewest zou behoren. Haar desbetreffende bezwaren werden afdoende beantwoord. Verzoeksters bewering dat de plannende overheid ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de decretale mogelijkheid tot delegatie van de planningsbevoegdheid “naar andere niveaus”, doet, mede gelet op wat voorafgaat, evenmin tot de onwettigheid van het bestreden gewestelijk RUP
besluiten.
6.6. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van “artikel 2.2.5 VCRO, alsmede van het zorgvuldigheidsbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel, van artikel 2.2.10 §5 van de VCRO het
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-14/25
gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als [algemene] beginselen van behoorlijk bestuur”.
Zij voert aan dat haar bezwaarschrift, waarin onder meer de strijdigheid van het gewestelijk RUP met artikel 2.2.5 VCRO werd opgeworpen, niet afdoende werd beantwoord. Deze bepaling vereist dat een RUP een weergave bevat van de feitelijke en juridische toestand. Volgens de verzoekende partij is de plannende overheid niet uitgegaan van de bestaande feitelijke toestand van haar terrein. Het kwestieuze deelgebied is geen belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk, daar het een zeer beperkte ecologische waarde heeft. De verzoekende partij geeft vooreerst aan dat het plangebied aan westelijke en zuidelijke zijde grenst aan bebouwde woongebieden en wijken. Ten noorden ervan loopt de Vrouwvliet, die ter hoogte van het plangebied volledig is ingedijkt en waarvan de waterkwaliteit niet goed is. Door indijking is het terrein volledig verdroogd. Aan de noordzijde van de Vrouwvliet bevindt zich een residentiële woonwijk. Aan de oostzijde wordt het gebied begrensd door de oefenterreinen van KV Mechelen. Er is dan ook geen enkele aansluiting met nabijgelegen natuur, evenmin als met het stadsbos Kauwendaal. Zuiver op basis van de ligging is het bos op verzoeksters perceel al weinig waardevol en niet geschikt om de doelstelling van het bestreden gewestelijk RUP te bereiken. Bovendien kent het kwestieuze deelgebied een zeer beperkte ecologische waarde. De overwegingen daaromtrent in de toelichtingsnota dienen resoluut te worden tegengesproken. De toelichtingsnota gaat uit van de aanwezigheid van een bos met een hoge ecologische waarde, namelijk een wilgenstruweel op voedselrijke bodem. Evenwel is er geen relevante natuurwaarde (meer) aanwezig. De begroeiing betreft spontaan gegroeide vegetatie. Er werd reeds een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de bomen op het terrein. Het blijkt te gaan om wilgen die spontaan zijn opgeschoten maar waarvan de groei thans sterk belemmerd wordt door de verdroging van het terrein. Van een kwalitatief oud bos is geen sprake. De BWK heeft geen juridisch bindende kracht. Het gaat dan ook niet op om louter naar de BWK te verwijzen om de ecologische waarde van een grond te bepalen. Op vandaag bestaat het terrein voor het grootste gedeelte uit opgeschoten struikgewas en uit enkele weinig waardevolle bomen, waaronder populieren. Minstens dient een plaatsbezoek
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-15/25
georganiseerd te worden om de huidige begroeiing te beoordelen en om op basis daarvan de ecologische waarde te bepalen. De voormelde bevindingen worden daarenboven bevestigd door een advies van 30 maart 2023 van het advies- en ingenieursbureau Witteveen+Bos. Voorts voert de verzoekende partij aan dat het kwestieuze deelgebied net geschikt is voor een bebouwings- en verdichtingsproject. Residentiële bebouwing op deze percelen zou perfect passen binnen de decretale principes aangaande ruimtelijk rendement. Het kwestieuze deelgebied is daarenboven gelegen aan de zijde van de Vrouwvliet die door het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Mechelen wordt gekenmerkt als een woonomgeving met een hoge dichtheid. Een inbreidingsproject zou ideaal zijn.
Het gebied ligt ook aan één van de grote in- en uitvalswegen van de stad, namelijk de Liersesteenweg. De stad Mechelen heeft eerder ook al gesproken van “wonen aan het water”, met een uitdrukkelijke verwijzing naar de Vrouwvliet die daar uitermate geschikt voor is.
Ook komen de beleidskeuzes die voor andere deelgebieden van het bestreden gewestelijk RUP zijn gemaakt de verzoekende partij bevreemdend voor. Zij verwijst in het bijzonder naar de deelplannen 9 ‘stedelijk woongebied Maenhoevevelden’ en 7 ‘stedelijk woongebied Kantvelde’, die wel in residentiële ontwikkeling voorzien. De verzoekende partij meent dat het veel logischer ware geweest om residentiële ontwikkeling toe te laten langs de Vrouwvlietbeek dan in de beide voormelde plangebieden. Het openruimtegebied in het deelgebied 9
‘stedelijk woongebied Maenhoevevelden’ is immers als woonuitbreidingsgebied aangemerkt en niet als woongebied, zoals verzoeksters perceel. Voor het deelgebied 7 ‘stedelijk woongebied Kantvelde’ is het beter om de al aanwezige groenvoorzieningen langs gewestwegen en autosnelwegen te behouden en uit te breiden, nu deze dienen als buffer voor het inrichten van kwaliteitsvolle residentiële functies. De verzoekende partij wijst voorts op het gemeentelijk RUP
‘Mechelen-Noord IV’, dat voorziet in een ‘specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel’ op een plek waar er een groene bufferzone met waterbergende functie voorhanden was. Binnen dat plangebied werd het noodzakelijk geacht de groene bestemming te herzien, en dit binnen een zone die gelegen is in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Dit staat volgens de verzoekende partij haaks op de
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-16/25
keuze om middels het bestreden gewestelijk RUP woongebied zonder overstromingsproblematiek om te zetten naar een boszone met waterbergend vermogen. Voor de verzoekende partij is het duidelijk dat de herbestemming van haar perceel dient ter compensatie van de herbestemming van de deelgebieden ‘stedelijk woongebied Kantvelde’ en ‘stedelijk woongebied Maenhoevevelden’, waarbij men de ecologische waarde van haar perceel hoger waardeert.
Beoordeling
8.1. Vooreerst blijkt uit de stukken van het dossier dat wel degelijk met de feitelijke toestand en ligging van het kwestieuze deelgebied rekening werd gehouden. Verder blijkt daaruit dat op verzoeksters perceel bosvegetatie aanwezig is.
8.2. Waar de verzoekende partij aanvoert dat het niet correct is dat het kwestieuze deelgebied wordt omschreven als “een belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk” om reden dat dit deelgebied een zeer beperkte ecologische waarde heeft, is haar kritiek gelijkluidend aan haar tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaar. Het bestreden besluit beantwoordt dat bezwaar als volgt:
“In een bezwaarschrift wordt de ecologische waarde, zoals omschreven in de toelichtingsnota in vraag gesteld. Het zou geen belangrijke stapsteen voor het groenblauw netwerk vormen. Vrouwvliet zou ingedijkt en ingesloten door bebouwing zijn en geen aansluiting hebben bij nabijgelegen natuur. De hoge ecologische waarden zou[den] niet kloppen, vroeger waren hier wilgen op vochtige bodem, ondertussen zijn de wilgen in slechte staat.
De Vlaamse Regering beantwoordt deze opmerking door te verwijzen naar §7.4.4 van de toelichtingsnota, waar een passage is toegevoegd over de Vrouwvlietvallei. Het deelgebied vormt binnen deze vallei één van meerdere groengebieden, die voor het merendeel reeds de geëigende bestemming hebben. Het deelgebied vormt derhalve een ecologische stapsteen in het ruimere geheel. Wat betreft de huidige ecologische waarde, wordt verwezen naar het plan-MER, waar deze als volgt wordt omschreven: ‘Deelgebied ‘Vrouwvliet’ bestaat grotendeels uit biologisch zeer waardevol vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem (sf). Aan de oever van de Vrouwvliet komt een biologisch waardevolle dijk (kd). De rest van het deelgebied wordt aangeduid als biologisch minder
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-17/25
waardevolle. De waardering is die zoals ze voorkomt op de meest actuele versie van de Biologische Pagina 19 van 64 waarderingskaart (BWK). De staat van de wilgen doet geen afbreuk aan de biologische waardering (struweel).’”
8.3. De verzoekende partij toont niet aan dat de biologische waarde van het bos op haar perceel slechts beperkt zou zijn. Zij overtuigt er niet van dat de kartering ervan op de BWK als biologisch zeer waardevol wilgenstruweel onjuist of achterhaald zou zijn, temeer nu de biologische waarde van het bos, voorafgaand aan het bestreden besluit, blijkt bevestigd te zijn in een advies van het agentschap Natuur en Bos op basis van een terreinbezoek in het kader van verzoeksters omgevingsvergunningsaanvraag. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, is dit advies niet naast de kwestie, en is de door haar bijgebrachte studie van Witteveen+Bos niet van aard om anders te doen besluiten.
8.4. Voorts zij verwezen naar de beoordeling van het eerste middel, waarbij vastgesteld werd dat de verzoekende partij er niet van overtuigt dat de plannende overheid de grenzen van de redelijkheid is te buiten gegaan of anderszins onwettig heeft geoordeeld door aan te nemen dat het kwestieuze deelgebied “eveneens een potentieel belangrijke stapsteen voor het groenblauwnetwerk en de grotere openruimte structuur [is], als één van de losse gebiedjes – stapstenen – die langsheen de Vrouwvliet aaneengereigd kunnen worden” (zie randnummer 6.4).
8.5. In zoverre de verzoekende partij nog aanvoert dat het kwestieuze deelgebied net geschikt is voor een bebouwings- en verdichtingsproject, kan wederom worden vastgesteld dat deze kritiek grotendeels identiek is aan hetgeen verzoekster reeds in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd. Dat bezwaar werd in het bestreden besluit als volgt behandeld:
“In een bezwaarschrift wordt gesteld dat de site geschikt is voor een verdichtingsproject met een hoge mobiscore. Er is een omgevingsvergunning aangevraagd voor de woonontwikkeling van 1 villa waardoor de natuurwaarde zal verbeteren omwille van herstel in zijn oorspronkelijke waarde van een ecologisch hoogwaardig bosgebied met duurzaam beheer. Omdat het omgeven is door woongebied met hoge
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-18/25
dichtheid is het geschikt voor een inbreidingsproject. Bezwaarindiener verwijst tot slot naar beleidsdocumenten, waar de stad Mechelen spreekt over wonen aan het water, en geeft aan dat dit deelgebied voor deze woonontwikkeling eveneens geschikt is.
De Vlaamse Regering beantwoordt deze opmerking door te verwijzen naar de plandoelstellingen, die inderdaad spreken over het zoeken naar verdichtingslocaties voor woonontwikkelingen. Het voorstel van bezwaarindiener, namelijk de realisatie van 1 woning op dit gebied, kan bezwaarlijk als een kwalitatief verdichtingsproject worden beschreven. Los daarvan moet ook verwezen worden naar de eerste plandoelstelling van voorliggend planningsproces, zoals omschreven in de toelichtingsnota §5.1.1, namelijk het verhogen van de stedelijke leefomgevingskwaliteit door het herstel, de versterking en de ontsnippering van het groenblauw netwerk: ‘Naast een concentratie van activiteiten in de stedelijke gebieden, is het bewaken van de leefomgevingskwaliteit en van het ecologisch netwerk essentieel. Rekening houdend met het eerder beperkte aanbod aan stadsbossen in de regio, vormt het behoud én de ontwikkeling van (rand)stedelijke natuurelementen en bosgebieden, in combinatie met het bieden van waarborgen voor stedelijke landbouw, daarom één van de doelstellingen van voorliggend plan.’ In het licht van deze plandoelstelling, gezien het functioneren en de potenties van de Vrouwvlietvallei als een netwerk van ecologische stapstenen, wordt er met voorliggend GRUP voor geopteerd om in te zetten op het behoud en de versterking van de bestaande bebossing in dit deelgebied. Dit stemt overeen met de visie van de stad Mechelen, die wonen aan het water als een interessant gegeven ziet, maar niet op elke locatie. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is voor voorliggend gebied duidelijk aangegeven dat een verdere woonontwikkeling niet gewenst is. Deze opmerking geeft bijgevolg geen aanleiding tot aanpassingen aan het plan.”
8.6. Door niet concreet te duiden welk aspect van het antwoord niet volstaat in het licht van de geuite bezwaarelementen, voldoet de verzoekende partij niet aan haar stelplicht. Zij geeft blijk van een eigen visie op het kwestieuze deelgebied maar toont daarmee de onwettigheid van het bestreden besluit nog niet aan. Dit geldt evenzeer voor haar kritiek op de beleidskeuzes voor de deelplannen 9 ‘stedelijk woongebied Maenhoevevelden’ en 7 ‘stedelijk woongebied Kantvelde’. Ook die kritiek is grotendeels gelijkluidend met wat de verzoekende partij in haar bezwaar heeft aangevoerd, bezwaar dat het bestreden besluit als volgt beantwoordt:
“In een bezwaarschift wordt gesteld dat er geen afdoende alternatievenonderzoek is gebeurd en dat er niet consequent wordt omgegaan met beleidskeuzes aangezien dat er op Kantvelde en Maenhoevevelden wel woonontwikkeling wordt voorzien. Er wordt
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-19/25
verwezen naar het Vlaamse Regeerakkoord waarin kwalitatieve verdichting van het bestaande ruimtebeslag en het behouden van robuuste open ruimte. Tot slot geeft het MER aan dat er slechts een beperkt effect wordt bewerkstelligd door de herbestemming van wonen naar bos.
De Vlaamse Regering beantwoordt deze opmerking door, in aanvulling op bovenstaande verwijzing naar de plandoelstelling betreffende het verhogen van de stedelijke leefomgevingskwaliteit door het herstel, de versterking en de ontsnippering van het groenblauw netwerk, te herhalen dat de beslissing om de bebossing in voorliggend deelgebied te behouden en [te] versterken haar basis vindt in de ligging in de Vrouwvlietvallei. Deze beekvallei is reeds in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Mechelen aangeduid als een belangrijke natuurlijke en landschappelijke structuur, als een groene vinger en als stedelijke natuur die maximaal van bebouwing gevrijwaard moet worden.
Daar waar grotere aaneengesloten woongebieden worden ontwikkeld is dit in functie van een andere plandoelstelling, namelijk het garanderen van een kwalitatief en duurzaam woonaanbod. Hier is onder meer sprake van het concentreren van wooneenheden met als doel het vrijhouden van onbebouwde ruimte en een groene invulling ervan (§5.1.3 van de toelichtingsnota). Een beperkte woonontwikkeling ter hoogte van Vrouwvliet is niet in lijn met deze plandoelstelling, terwijl het gebied wel een significante rol speelt in de versterking van het groenblauwe netwerk, met name rond de Vrouwvliet. Deze opmerking geeft bijgevolg geen aanleiding tot aanpassingen aan het plan.”
8.7. De verzoekende partij gaat in haar verzoekschrift niet in op het voormelde concrete antwoord op haar bezwaar. Zij toont aldus de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan. Vastgesteld zij daarnaast dat het kwestieuze deelgebied, anders dan de deelplannen 9 en 7 en dan het gemeentelijk RUP
‘Mechelen-Noord IV’, specifiek in de Vrouwvlietvallei is gesitueerd.
De verzoekende partij toont niet aan dat de laatstvermelde gebieden met het kwestieuze deelgebied vergelijkbaar zouden zijn.
8.8. Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
9. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van “het redelijkheidsbeginsel alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel en
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-20/25
rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, minstens de schending van het artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, art. 2.4.3 §1 VCRO en artikel 2.2.10 §5 van de VCRO”.
De verzoekende partij betoogt ingevolge de herbestemming van haar perceel tot ‘bosgebied’ niet langer over haar private eigendom te kunnen beschikken. Het spreekt volgens haar voor zich dat de door artikel 4.1 van de stedenbouwkundige voorschriften voorgeschreven maatregelen inzake bosbeheer en waterbeheersing niet door haar als particuliere ontwikkelaar kunnen gerealiseerd worden. De stedenbouwkundige voorschriften verduidelijken niet hoe de beheers- en inrichtingsvoorschriften door een private eigenaar moeten worden uitgevoerd. Daarenboven wordt een voorkooprecht toegekend aan de stad Mechelen. Kennelijk heeft het gewestelijk RUP als oogmerk het eigendomsrecht waardeloos te maken, zodat de verzoekende partij haar perceel zou overdragen aan de stad Mechelen. De enige redelijke beslissing is dan ook om aan het gewestelijk RUP een onteigeningsplan te koppelen. Op die manier krijgt zij een eerlijke vergoeding voor haar perceel en verwerft de overheid – die de bestemming moet realiseren – het eigendomsrecht over het perceel. Voor zover het evenwel de bedoeling zou zijn om verzoeksters perceel onder beheer te plaatsen van het agentschap voor Natuur en Bos of van de stad Mechelen, vormt dit een quasi-onteigening. In voorkomend geval is het niet voldoende dat verzoeksters perceel wordt opgenomen in het register voor planschade, maar is een onteigeningsprocedure ten algemene nutte vereist. De verzoekende partij meent dat niet enkel aan haar schade ingevolge minwaarde moet worden tegemoetgekomen, maar dat er ook een tegemoetkoming moet zijn voor de schending van haar eigendomsrecht. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (hierna: EAP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt dat iedere persoon het ongestoord genot van zijn eigendom moet genieten. Indien verzoekster verplicht wordt om akkoord te gaan met de kwestieuze herbestemming van haar perceel, die gepaard gaat met een globaal beheer ervan door een overheidsinstantie, is dit strijdig met artikel 1 EAP. Dit maakt immers een verdoken onteigening uit. In een dergelijk geval moeten de nodige beschermingsmechanismen voorzien zijn ter bescherming van private personen
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-21/25
tegen een onbillijk overheidsoptreden. Het belangrijkste daarbij is dat een billijke en voorafgaande onteigeningsvergoeding wordt betaald, minstens dat een onteigeningsplan aan het bestreden gewestelijk RUP wordt gekoppeld. Dit is tot op heden niet het geval, hetgeen duidelijk onzorgvuldig is.
De verzoekende partij wijst er tenslotte op dat in haar bezwaarschrift werd gewezen op de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, minstens de schending van artikel 1 EAP, artikel 2.4.3, §1, VCRO, alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Het antwoord op dit bezwaar dat een gebrek aan vergoeding op zichzelf nooit een schending kan opleveren van artikel 1 EAP, volstaat niet. Er wordt niet aangetoond dat er geen quasi-onteigening voorligt. Het is dan ook niet voldoende dat haar perceel wordt opgenomen in het register voor planschade. Een onteigeningsprocedure ten algemene nutte is vereist.
Beoordeling
10.1. Een gelijkluidend bezwaar van de verzoekende partij wordt in het bestreden besluit als volgt behandeld:
“In een bezwaarschrift wordt gesteld dat de voorschriften met bosbeheer en herstel waterbergend vermogen niet gericht is op een private eigenaar. Het is onduidelijk hoe deze moeten uitgevoerd worden en de voorschriften bieden geen rechtszekerheid en duidelijkheid. De doelstellingen zijn gericht op een overheid. Het is een quasi-onteigening zonder dat de volledige onteigeningsprocedure wordt gevolgd. Dit is in strijd met [het]
EVRM (ongestoord genot van de eigendom).
De Vlaamse Regering beantwoordt deze opmerking door te verwijzen naar de mogelijkheden voor een private eigenaar en/of eigenaars om voor de ondersteuning van het beheer subsidies aan te vragen, waarvoor de opmaak van een natuurbeheerplan wel een voorwaarde is. Zelfs indien het nog juist zou zijn dat een particuliere grondeigenaar niet spontaan tot bebossing zou overgaan, dan zullen het in de meeste gevallen al dan niet publieke rechtspersonen, zoals een natuurvereniging of een gemeente zijn die het perceel verwerven en bebossen. Ter verwezenlijking van deze bestemming voorziet art. 2.2.4 van de stedenbouwkundige voorschriften op de percelen gelegen in het bosgebied een recht van voorkoop, als bedoeld in artikel 2.4.1 VCRO.
De omstandigheid dat een RUP niet in een onteigeningsplan voorziet, maakt een RUP niet onwettig, nu een dergelijk plan uit zijn aard
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-22/25
toekomstgericht is en artikel 2.4.4, § 2 VCRO uitdrukkelijk voorziet dat een onteigeningsplan kan worden opgemaakt na het RUP waarvan het de verwezenlijking beoogt.
De ordening van de ruimte kan op wettige wijze eigendomsbeperkingen inhouden. Artikel 2.6.1, § 1, VCRO bepaalt in dit verband dat de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan eigendomsbeperkingen, met inbegrip van een bouwverbod, kunnen inhouden. Overeenkomstig vaste rechtspraak vallen beperkingen van het eigendomsrecht die geen overdracht van de eigendom met zich meebrengen, wel onder de waarborgen van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952.
Een beperking van ‘het ongestoord genot’ van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot ‘op geen enkele wijze’ het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met ‘het algemeen belang’[.]
Ook al kan een gebrek aan vergoeding op zichzelf nooit een schending van het voormelde artikel 1 opleveren, kan, voor wat betreft de vergoeding of compensatie, worden verwezen naar de VCRO, het decreet van 27.03.2009
betreffende het grond- en pandenbeleid en het decreet van 27.03.2009
houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, waar in voorkomend geval een financiële compensatie is uitgewerkt onder de vorm van de planschaderegeling, de bestemmingswijzigingscompensatie of de gebruikerscompensatie. In navolging van deze bepalingen is als bijlage IV bij voorliggend GRUP een register gevoegd met de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, een planbatenheffing, een kapitaalschadecompensatie of een gebruikerscompensatie. De betreffende percelen zijn daarop aangeduid.
Deze opmerking geeft bijgevolg geen aanleiding tot aanpassingen aan het plan.”
10.2. Vooreerst overtuigt de verzoekende partij er niet van dat zij ingevolge de herbestemming tot bosgebied van haar perceel “niet langer over haar private eigendom kan beschikken”, temeer nu de plannende overheid in het antwoord op verzoeksters bezwaar wijst op “de mogelijkheden voor een private eigenaar en/of eigenaars om voor de ondersteuning van het beheer subsidies aan te vragen”. Verder gaat de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet in op het antwoord van de plannende overheid dat ruimtelijke uitvoeringsplannen eigendomsbeperkingen, met inbegrip van een bouwverbod, kunnen inhouden.
Vooral gaat de verzoekende partij niet in op het antwoord van de plannende overheid dat de omstandigheid dat thans geen onteigeningsplan voorligt – volgens
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-23/25
de verzoekende partij “[d]e enige redelijke beslissing” – het gewestelijk RUP niet onwettig maakt, nu decretaal is voorzien dat een onteigeningsplan ook kan opgemaakt worden na de vaststelling van het RUP waarvan het de verwezenlijking beoogt. Door zich grotendeels te beperken tot een herneming van wat reeds in haar bezwaarschrift werd uiteengezet, toont de verzoekende partij geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan.
10.3. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.* X-18.379-25/25
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.930
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...