ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 Rolnummer: A. 237807/IX-10170 Zaak: Arrest 261013 - Varia (justitie) - 11/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-14 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-04 08:04 Fiche Arrest nr 261.013 van 11 oktober 2024 Justitie...

Source officielle

13 min de lecture 2,669 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 11 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013

Rolnummer:

A. 237807/IX-10170

Zaak:

Arrest 261013 – Varia (justitie) – 11/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-14

Raadplegingen:

93 – laatst gezien 2026-06-04 08:04

Fiche

Arrest nr 261.013 van 11 oktober 2024 Justitie – Varia (justitie) Beslissing
: Afstand van geding

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 no lien 279200 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 261.013 van 11 oktober 2024
in de zaak A. 237.807/IX-10.170
In zake: 1. het EXECUTIEF VAN DE MOSLIMS VAN BELGIE
2. M.U.
3. het BUREAU VAN HET EXECUTIEF VAN DE
MOSLIMS VAN BELGIË
4. de VZW COLLÈGE DE L’EXÉCUTIF DES
MUSULMANS DE BELGIQUE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 30 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 29 september 2022 ‘tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’.
IX-10.170
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 255.934 van 2 maart 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Bij arrest nr. 257.007 van 30 juni 2023 is de vordering van de eerste verzoekende partij tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De eerste verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de eerste verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
Dat verslag werd aan de eerste verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 februari 2024.
Op 8 april 2024 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de eerste verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (algemeen procedurereglement).
De eerste verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord.
IX-10.170
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2024.
Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sietse Wils, die loco advocaten Aube Wirtgen en Bart Martel verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet).
III. Beoordeling
A. Ten aanzien van de eerste verzoekende partij
3. In het auditoraatsverslag van 2 februari 2024 wordt de verwerping van het beroep voorgesteld.
Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag.
De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
IX-10.170
4. In de vraag om te worden gehoord en op de terechtzitting voeren de raadslieden van de eerste verzoekende partij aan dat zij het auditoraatsverslag nooit hebben ontvangen. Naar eigen zeggen ontvingen zij evenmin een brief in de zin van artikel 14quater, tweede lid, van het algemeen procedurereglement. Volgens de raadslieden was de laatste melding die zij in dit dossier via e-proadmin ontvingen, de melding van indiening van de memorie van wederantwoord op 7 augustus 2023.
De raadslieden verklaren dat de collega-advocaat die het initiële schorsings- en vernietigingsberoep op 30 november 2022 met gebruik van de elektronische procesvoering heeft ingesteld, hun kantoor begin 2023 verlaten heeft. Dit werd meegedeeld aan de griffie in een brief van 30 maart 2023. De betrokken collega heeft wel bij haar vertrek een e-ticket bezorgd, waarmee de raadslieden vervolgens zelf, via delegatie, latere procedurestukken ingediend hebben, en stukken van andere partijen konden downloaden. Op die latere stukken, net zoals op het auditoraatsverslag en de brief van de griffie inzake de niet-voortzetting na auditoraatsverslag worden enkel de namen van de huidige raadslieden vermeld.
De raadslieden stellen vervolgens:
“Om één of andere reden echter hebben wij vanaf een bepaald moment (ergens na de memorie van wederantwoord van 7 augustus 2023)
nochtans geen enkele betekening meer ontvangen via e-proadmin dus: de griffie bevestigde ons op 14 juni 2024 mondeling tijdens het telefoongesprek, dat enkel de naam van [de collega-advocaat] op e-proadmin gelinkt was aan betekening van documenten, en onze namen niet (meer). Het is niet duidelijk wanneer de toegang tot het dossier voor ons verdwenen is, maar dat moet dus ergens tussen de memorie van wederantwoord (7 augustus 2023) en het auditoraatsverslag (2 februari 2024) geweest zijn. Van dit laatste hebben wij zoals gezegd pas kennis gekregen op 19 juni 2024 (toen we opnieuw toegang kregen tot het dossier op e-proadmin). Een en ander wijst dan ook uit, dat er klaarblijkelijk met de betekening via e-proadmin iets misgelopen is op een bepaald ogenblik, zonder dat dit aan de verzoekende partij toerekenbaar kan zijn”.
IX-10.170
Aansluitend bij de terechtzitting heeft de eerste verzoekende partij een brief bezorgd waarin wordt gesteld dat de collega-advocaat verklaart dat zij “na 26 juni 2023 nog meldingen van e-proadmin bleef ontvangen”. Om die reden heeft de betrokken collega-advocaat op 29 maart 2024 een e-mailbericht verstuurd aan de griffie van de Raad van State met het “verzoek om uit het dossier 237.807 geschrapt te worden, met inbegrip van het elektronisch platform”.
5. Artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement bepaalt:
“De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. […]
De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht.
Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard.
De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd.
[…]”.
Uit de gegevens van het dossier blijkt dat op 6 februari 2024
het elektronisch bericht werd verzonden naar de dossierbeheerder van de verzoekende partij met de kennisgeving van de neerlegging van het auditoraatsverslag. Dit bericht werd niet geraadpleegd, en een herinneringsbericht werd vervolgens op 12 februari 2024 naar deze dossierbeheerder verzonden. Ook dat bericht werd niet geraadpleegd, zodat het auditoraatsverslag geacht wordt ter kennis te zijn gebracht van de verzoekende partij bij het verstrijken van de derde werkdag na 12 februari 2024, zijnde 16 februari 2024.
Evenzeer blijkt dat op 27 maart 2024 het elektronisch bericht werd verzonden naar de dossierbeheerder met de kennisgeving van de in artikel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 IX-10.170
14quater, tweede lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde brief. Dit bericht werd niet geraadpleegd, en een herinneringsbericht werd vervolgens op 2
april 2024 naar deze dossierbeheerder verzonden. Ook dat bericht werd niet geraadpleegd, zodat de brief van de hoofdgriffier geacht wordt ter kennis te zijn gebracht van de verzoekende partij bij het verstrijken van de derde werkdag na 2
april 2024, zijnde 8 april 2024.
6. De persoon die aanvaardt de hoedanigheid op zich te nemen van dossierbeheerder in de zin van artikel 85bis, § 2, 3°, van het algemeen procedurereglement, dient zich zo te organiseren dat hij kennis kan nemen van de elektronische berichten die hem met toepassing van artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement worden verstuurd. Indien hij niet langer als dossierbeheerder kan optreden, behoort het hem die hoedanigheid over te dragen met toepassing van artikel 85bis, § 3, zesde lid, van het algemeen procedurereglement.
De advocaat is de lasthebber van zijn cliënt. De fouten die de advocaat maakt binnen zijn mandaat, maken in hoofde van de cliënt geen geval uit van overmacht of dwaling. Ook de handelingen die deze advocaat moet stellen bij de beëindiging van zijn mandaat, worden geacht gesteld te worden binnen dat mandaat.
Een advocaat die niet meer kan optreden als dossierbeheerder in de zin van artikel 85bis, § 2, 3°, van het algemeen procedurereglement, omdat hij niet langer de belangen van de betrokken partij behartigt, moet onmiddellijk de nodige schikkingen treffen om zijn hoedanigheid van dossierbeheerder over te dragen. Ook de nalatigheid van de advocaat om die schikkingen onmiddellijk te treffen, wordt aan zijn cliënt toegerekend.
7. Het overdragen van de hoedanigheid van dossierbeheerder kan enkel op de bij artikel 85bis, § 3, zesde lid, van het algemeen procedurereglement voorgeschreven wijze gebeuren.
IX-10.170
Dit betekent dat een dossierbeheerder zijn hoedanigheid aan een andere gebruiker kan overdragen via het platform. De griffie van de Raad van State kan deze overdracht enkel op zich nemen indien de dossierbeheerder niet zelf kan zorgen voor de overdracht of indien hij weigert om daarvoor te zorgen én na een gemotiveerde aanvraag. Aangezien het gaat om een ‘overdracht’ vereist zulk een aanvraag dat erin duidelijk een nieuwe dossierbeheerder wordt vernoemd. Die aangewezen persoon moet betrokken zijn bij het dossier en op de hoogte van de overdracht. Het komt de dossierbeheerder toe om overleg te plegen met mogelijke opvolgers en deze opvolger duidelijk aan te duiden.
Het volstaat dus niet om, zoals in casu, een brief of een e-mail te sturen naar de griffie, ook al gebeurt dit via het elektronisch platform, met de mededeling dat een bepaalde advocaat niet meer optreedt in een dossier, met de vraag om deze advocaat niet meer te vermelden of met de vraag om uit een dossier te worden geschrapt. Dit geldt des te meer wanneer, zoals in dit geval, de toegang tot het dossier beperkt is tot één gebruiker.
8. De door de raadslieden aangevoerde brief van 30 maart 2023
kan dus geenszins geacht worden een wijziging te hebben aangebracht ten aanzien van de dossierbeheerder of de door haar verleende machtigingen in de elektronische procesvoering. Hetzelfde geldt voor de e-mail die door de dossierbeheerder op 29 maart 2024 aan de griffie is gestuurd.
In de voorliggende zaak heeft geen overdracht van de hoedanigheid van dossierbeheerder plaatsgevonden vóór 19 juni 2024. Op die datum is mr. Claes, een van de huidige raadslieden, op eigen vraag als dossierbeheerder aangesteld. Uit de gegevens van het dossier, die niet worden tegengesproken door hetgeen de raadslieden van de eerste verzoekende partij aanvoeren, blijkt dat de voormalige, oorspronkelijke dossierbeheerder dit is gebleven tot 19 juni 2024. Deze oorspronkelijke dossierbeheerder heeft wel eind 2022 een machtiging verleend aan drie andere personen, onder wie één van de huidige raadslieden van de eerste verzoekende partij. Op grond van deze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 IX-10.170
delegatie heeft mr. Claes procedurestukken kunnen indienen en downloaden. Uit de gegevens van e-Proadmin blijkt dat deze delegatie evenwel is ingetrokken op 22 december 2023. Er heeft op dat ogenblik geen wijziging van de dossierbeheerder plaatsgevonden. De oorspronkelijke dossierbeheerder is dit gebleven tot 19 juni 2024, hetgeen ook betekent dat zij op het aan haar account verbonden e-mailadres de aan het dossier verbonden berichten bleef ontvangen.
Dit laatste blijkt ook uit het feit dat de oorspronkelijke dossierbeheerder op 29 maart 2024, ná de verzending op 27 maart 2024 van het elektronisch bericht met de kennisgeving van de in artikel 14quater, tweede lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde brief, contact heeft opgenomen met de griffie in verband met het voorliggende dossier.
9. In tegenstelling tot wat de raadslieden van de eerste verzoekende partij betogen, kan het feit dat zij het auditoraatsverslag en de voornoemde brief van de griffie niet hebben ontvangen, enkel worden toegerekend aan de wijze waarop zij en hun voormalige collega hun dossierbeheer hebben georganiseerd.
10. De verzoekende partij bewijst dan ook niet dat de omstandigheid dat het verzoek tot voortzetting niet werd ingediend binnen de termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het auditoraatsverslag, het gevolg is van een geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Er is geen reden om de sanctie van artikel 21, zevende lid, RvS-wet niet toe te passen.
11. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
B. Ten aanzien van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij
12. Naar luid van artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 IX-10.170
rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
De tweede, de derde en de vierde verzoekende partij hebben te dezen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
13. Deze partijen, behoorlijk ter terechtzitting opgeroepen, hebben dit niet weersproken.
14. Het vermoeden van afstand van het geding is ten aanzien van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij van toepassing.
BESLISSING
1. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
2. De verzoekende partijen worden gezamenlijk verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De eerste verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en de verhoging van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Wouter Pas, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 IX-10.170
Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Wouter Pas
IX-10.170-

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013

Gerelateerde publicatie(s)

voorafgegaan door:

ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.934

 

ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.007

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.