ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 Rolnummer: A. 234307/VII-41192 Zaak: Arrest 261547 - Jacht - Vergunningen - 28/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-03 17:24 Fiche Arrest nr 261.547 van 28 november 2024...

Source officielle

23 min de lecture 4,917 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 28 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547

Rolnummer:

A. 234307/VII-41192

Zaak:

Arrest 261547 – Jacht – Vergunningen – 28/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-02

Raadplegingen:

95 – laatst gezien 2026-06-03 17:24

Fiche

Arrest nr 261.547 van 28 november 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Jacht – Vergunningen Beslissing
: Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 no lien 280238 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 261.547 van 28 november 2024
in de zaak A. 234.307/VII-41.192
In zake : E.G.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Ampe kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 38
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC-M-2021-0082 van het Handhavingscollege van 1 juli 2021 in de zaak 1920-HHC-0051-M.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9
september 2021.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-41.192-1/17
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 26 juni 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit).
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2024.
Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Geert Ampe, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet).
III. Regelmatigheid van de rechtspleging
3. Verzoeker heeft zijn verzoek tot voortzetting van de procedure geformuleerd in een laatste memorie waarin hij ook repliceert op het verslag van de auditeur.
Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 VII-41.192-2/17
verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. De “laatste memorie met verzoek tot voortzetting” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting.
IV. Feiten
4.1. De rechter in de politierechtbank te Oudenaarde verleent op 28 oktober 2016 aan inspecteurs van het Agentschap voor Natuur en Bos een machtiging tot visitatie van de woning van verzoeker. Ingevolge deze machtiging bezoeken de natuurinspecteurs de woning van verzoeker op 3 november 2016, en treffen daarbij onder meer elf veerklemmen, en een dode kauw in een schoenendoos, aan.
4.2. Op 24 februari 2020 legt de gewestelijke entiteit aan verzoeker een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 1.500 euro wegens feiten die als milieumisdrijven worden gekwalificeerd, waaronder het bezit van elf veerklemmen, en het onder zich hebben van een dode beschermde vogel.
4.3. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tegen de beslissing tot het opleggen van de geldboete.
VII-41.192-3/17
V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. Verzoeker voert de schending aan van de rechterlijke motiveringsplicht, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), van de artikelen 15 en 22
van de Grondwet, van artikel 16.3.12 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de bewijskracht van het verslag van vaststelling van 3 november 2016, en van het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM en het recht op tegenspraak.
6. Verzoeker komt op tegen de verwerping door het bestreden arrest van zijn eerste middel tot nietigverklaring waarin hij aanvoerde dat:
– het proces-verbaal van vaststelling van 3 november 2016 nietig is, minstens niet-tegenstelbaar, omdat de visitatiemachtiging van de politierechter onwettig is, waardoor alle vaststellingen en zijn verklaring niet tot grondslag van een geldboete kunnen dienen, en – de natuurinspecteurs in elk geval de grenzen van de machtiging hebben overschreden door de gesloten schoenendoos te openen zonder het expliciet akkoord van verzoeker hoewel het hier niet ging om een strafrechtelijke huiszoeking.
Het bestreden arrest verwerpt dat middel op grond van volgende motieven:
“De verbalisanten hebben op 3 november 2016 een visitatie uitgevoerd bij [verzoeker]. Deze vond plaats nadat de politierechter te Oudenaarde op 28 oktober 2016 machtiging verleende aan de verbalisanten. Zoals uit de wettelijke bepaling (artikel 16.3.12 DABM) blijkt zijn er geen specifieke vormvereisten voorgeschreven voor het verzoek tot machtiging noch voor de machtiging zelf. Ook bestaat er geen wettelijke bepaling die het in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 VII-41.192-4/17
overweging nemen van aanwijzingen op grond van meldingen verbiedt. De stelling van [verzoeker] komt er de facto op neer dat de aangevoerde motieven voor de visitatie reeds vooraf zouden moeten bewezen zijn, hetgeen precies de bedoeling is van de toelating tot huiszoeking. De visitatiemachtiging bevat voldoende concrete aanwijzingen, waarbij de visitatie als doel heeft de juistheid of de ware toedracht van de vermoedelijke misdrijven te kunnen verifiëren. In de machtiging verwijst de politierechter naar het verzoek van 28 oktober 2016 dat hij citeert en waarvan hij uitdrukkelijk aangeeft dat hij deze motivering onderschrijft en ‘de overwegingen tot de zijne (maakt)’. De machtiging wordt verleend voor de toegang tot de woning van [verzoeker] (hetgeen niet wordt betwist) en met het oog op het uitoefenen van toezicht op het Jachtdecreet (artikel 19 en 26)
en het Soortenbesluit (artikel 12 en 16). Uit de machtiging blijkt objectief dat deze omstandig overwogen en gemotiveerd is en dat [verzoeker] voldoende ingelicht wordt over de tenlasteleggingen die aan de oorsprong van de visitatie liggen zodat zij de wettigheid ervan kan nagaan.
In artikel 16.3.10 DABM worden de toezichtrechten van de verbalisanten limitatief opgesomd met vermelding van de artikelen waar deze verder worden uiteengezet. Er is een verplichte medewerking voorzien doch dit houdt niet in dat de verbalisanten deze kunnen afdwingen. Artikel 16.6.1, § 2, 2° DABM stelt dat de schending van de toezichtrechten (16.3.10, 1° tot en met 5°) wel strafbaar zodat bij een weigering tot medewerking een strafrechtelijke sanctie kan opgelegd worden. De ook voor [verzoeker]
beschikbare stukken maken afdoende duidelijk op welke gegevens de politierechter zich heeft gebaseerd. Het louter gegeven dat de aanvraag zelf zich niet in het dossier bevindt, doet niet anders besluiten. Uit de machtiging blijkt immers dat de politierechter de gegevens van de aanvraag herneemt en zich hierbij aansluit. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de grenzen van de bevoegdheid van de verbalisanten overschreden werd door het openen van de schoendoos. Nuttige toegang tot de bewoonde lokalen na machtiging door de politierechter impliceert ook dat de verbalisanten het recht hebben tot toegang tot alle bewoonde lokalen en de inhoud ervan. [Verzoeker] toont niet aan dat het openen van een aldaar aangetroffen doos buiten de toezichtsrechten zou vallen. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat [verzoeker] zich hiertegen heeft verzet. In het proces-verbaal van 3
november 2016 is enkel vastgesteld: ‘[G.E.] neemt en toont ons dozen die bovenop zijn wapenkast staan’.
[Verzoeker] toont niet aan dat de visitatiemachtiging alsook de visitatie zelf en de daaruit voortgevloeide verhoren [niet] rechtsgeldig zijn.
Het middel wordt verworpen.”
7. Verzoeker formuleert hiertegen volgende grieven:
– de visitatiemachtiging van de politierechter is hoegenaamd niet duidelijk gemotiveerd, in die zin dat de aangehaalde motivatie feitelijke grondslag mist en niet dienend is;
VII-41.192-5/17
– verzoeker is gewoon in de onmogelijkheid één en ander te toetsen, nu zowel de schriftelijke aanvraag, als de meldingen waarnaar wordt verwezen in die schriftelijke aanvraag, nergens in het dossier voorkomen, terwijl aan het verzoek tot mededeling ervan al evenmin enig gevolg werd gegeven, hetgeen een schending uitmaakt van het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM en het recht op tegenspraak;
– de machtiging tot visitatie is al evenmin gelijk aan een strafrechtelijke huiszoeking, met dien verstande dat het visitatierecht niet toelaat een gesloten schoenendoos te openen, zonder het expliciet akkoord van de betrokkene.
8. In de toelichting bij het middel zet verzoeker nog uiteen dat de beslissing van de politierechter geen deugdelijke motieven bevat die de visitatie kunnen verantwoorden. Het gaat om puur formele overwegingen, zonder enige feitelijke inhoud of betekenis. In zoverre wordt volgens verzoeker de rechterlijke motiveringsplicht en artikel 149 van de Grondwet geschonden.
Volgens verzoeker mag de politierechter zijn machtiging motiveren door verwijzing naar, en overname van, de vermeldingen in de aanvraag of de bijgevoegde stukken, op voorwaarde dat die vermeldingen en stukken het voorwerp kunnen uitmaken van een tegensprekelijk debat. Het andersluidend standpunt van het Handhavingscollege maakt een schending uit van artikel 6
EVRM. In de voorliggende zaak is het in geen opzicht duidelijk welke gegevens of vermoedens betreffende een specifieke overtreding concreet de aanleiding vormden tot de aanvraag tot visitatie. Op die wijze worden de grondwettelijk gewaarborgde rechten op de onschendbaarheid van de woning en het recht op privacy uitgehold.
Verzoeker voert in de toelichting bij het middel verder aan dat de beslissing van het Handhavingscollege niet deugdelijk is gemotiveerd, of dat de argumenten van het bestreden arrest niet overtuigen. Tot slot voert verzoeker nog aan dat de rechterlijke motiveringsplicht geschonden is omdat het
VII-41.192-6/17
Handhavingscollege volgende argumenten die hij in zijn wederantwoordnota had uiteengezet, niet heeft ontmoet, laat staan weerlegd:
“het grondrecht van verzoeker op bescherming van zijn woonst [werd] op kennelijk onevenredige wijze […] uitgehold, door het afleveren van een machtiging tot visitatie, louter en alleen omdat de toezichthouders eens toezicht wensten te doen terzake de naleving van de jacht- en soortenbeschermingswetgeving door verzoeker.”
Beoordeling
9. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest “de bewijskracht van het verslag van vaststelling dd. 03.11.2016” schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
10. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is.
Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt,
VII-41.192-7/17
kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
Verzoeker ontwaart zowel in de beschikking van de politierechter die de machtiging tot visitatie verleende, als in het bestreden arrest een schending van de rechterlijke motiveringsplicht.
In zoverre het middel aldus ook wordt gericht tegen de beschikking van de politierechter, is het niet gericht tegen het bestreden arrest, en is het niet ontvankelijk. Verzoeker heeft overigens voor het Handhavingscollege niet aangevoerd dat de beschikking van de politierechter de rechterlijke motiveringsplicht miskent, zodat die grief ook niet voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen.
In zoverre verzoeker de schending van artikel 149 van de Grondwet afleidt uit de aangevoerde omstandigheden dat de motieven van het bestreden arrest “niet deugdelijk” zijn, of “niet overtuigen”, gaat hij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, en faalt zijn kritiek naar recht.
In zoverre verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest niet antwoordt op het argument in zijn wederantwoordnota dat zijn grondrechten worden geschonden “louter en alleen omdat de toezichthouders eens toezicht wensten te doen”, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. Met de in het middel uiteengezette motieven antwoordt het Handhavingscollege immers op dat argument, met name door erop te wijzen dat de “visitatiemachtiging […]
voldoende concrete aanwijzingen [bevat], waarbij de visitatie als doel heeft de juistheid of de ware toedracht van de vermoedelijke misdrijven te kunnen verifiëren” en dat “uit de machtiging […] objectief [blijkt] dat deze omstandig overwogen en gemotiveerd is en dat [verzoeker] voldoende ingelicht wordt over de tenlasteleggingen die aan de oorsprong van de visitatie liggen”, waarmee het feitelijk uitgangspunt van verzoeker wordt tegengesproken.
VII-41.192-8/17
11. Artikel 15 van de Grondwet bepaalt:
“De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.”
Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet luidt:
“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.”
In artikel 8 EVRM leest men:
“1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
Uit de gezamenlijke lezing van de aangehaalde bepalingen volgt dat de onschendbaarheid van de woning geen absoluut recht is, maar dat zij kan worden beperkt in de gevallen die de wet bepaalt en volgens de voorwaarden die zij voorschrijft. De voorwaarden die door de wet worden bepaald, moeten verzekeren dat de inmenging in de woning verantwoord kan worden op grond van de in artikel 8.2 EVRM opgesomde belangen.
12. Artikel 16.3.12 DABM luidt als volgt:
“Toezichthouders mogen altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Zij moeten hierbij de interne en externe veiligheidsprocedures respecteren.
Tot de bewoonde lokalen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
VII-41.192-9/17
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben de toezichthouders alleen toegang tussen vijf uur ’s morgens en eenentwintig uur ’s avonds.”
Deze bepaling bevat aldus een wettelijke beperking op de onschendbaarheid van de woning, en stelt daarbij als voorwaarde dat de toezichthouders die onaangekondigd bewoonde lokalen willen bezoeken, daartoe moeten beschikken over een voorafgaandelijke en schriftelijke machtiging van de rechter in de politierechtbank.
13. Het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige magistraat vormt een belangrijke waarborg tegen het gevaar voor misbruik of willekeur. De rechter in de politierechtbank beslist over de machtiging op basis van een eenzijdige aanvraag van de toezichthouders die een woning wensen te betreden. De politierechter beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of de hem voorgelegde omstandigheden een aantasting van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning verantwoorden. De toestemming die hij verleent, is specifiek. Zij betreft een welbepaald onderzoek, beoogt een welbepaalde woning en geldt alleen voor de personen op wier naam de toestemming is verleend. (vgl. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 104/2019 van 27 juni 2019, ov. B.9.2)
Het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt verkondigd, verzet zich niet tegen een dergelijke eenzijdige procedure voor zover er dwingende redenen zijn van algemeen belang die door het eenzijdig karakter worden gediend, en de belanghebbende partij die in het kader van die procedure geen tegenspraak kan voeren, de gelegenheid heeft om nadien in het kader van een procedure op tegenspraak een rechterlijke controle te laten uitoefenen op de eenzijdig gevoerde procedure.
Aan die voorwaarden wordt voldaan. Het eenzijdig karakter van de procedure wordt verantwoord door het verrassingseffect van het onaangekondigd bezoek waardoor het risico wordt vermeden dat overtreders de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 VII-41.192-10/17
bewijzen van milieumisdrijven zouden doen verdwijnen, wat als een dwingende reden van algemeen belang kan worden beschouwd. De persoon wiens woning wordt betreden, beschikt vervolgens ook over de mogelijkheid om in het kader van een procedure op tegenspraak rechterlijke controle te laten uitoefenen op de beschikking van de politierechter. Hij kan dit met name doen in het kader van het beroep bij het Handhavingscollege tegen de geldboete die wordt opgelegd voor een milieumisdrijf waarvan het bewijs wordt geleverd met vaststellingen die gemaakt werden tijdens de woonstbetreding waarvoor de machtiging werd verleend door de politierechter. (vgl. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 104/2019 van 27 juni 2019, ov.
B.9.3)
14. De politierechter kan de machtiging tot visitatie motiveren door verwijzing naar en overname van de vermeldingen in de aanvraag tot machtiging of de bijgevoegde stukken. Die vermeldingen en stukken dienen in dat geval evenwel aan tegenspraak te worden onderworpen ter gelegenheid van de rechterlijke controle van de regelmatigheid van de woonstbetreding, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold. (vgl. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 104/2019 van 27 juni 2019, ov. B.9.6)
15. Verzoeker heeft met het eerste middel tot nietigverklaring dat hij aanvoerde voor het Handhavingscollege de bestuursrechter gevraagd om rechterlijke controle uit te oefenen op de geldigheid van de visitatiemachtiging die door de politierechter werd afgeleverd. Hij heeft blijkens het bestreden arrest in het bijzonder aangevoerd dat de aanvraag van de toezichthouders een “voor [hem]
onbekende en dus niet-tegensprekelijke” aanvraag is, en “dat de verwijzing naar en opname in de machtiging van twee vermeende meldingen niet voldoende is omdat dit niet aan tegenspraak kan onderworpen worden, bij gebreke aan kennis van de aanvraag tot machtiging zelf alsook van de bijgevoegde stukken”.
VII-41.192-11/17
Het bestreden arrest overweegt dat:
– uit de machtiging van de politierechter objectief blijkt dat deze omstandig overwogen en gemotiveerd is;
– verzoeker hierdoor voldoende ingelicht wordt over de tenlasteleggingen die aan de oorsprong van de visitatie liggen zodat hij de wettigheid ervan kan nagaan;
– de ook voor verzoeker beschikbare stukken afdoende duidelijk maken op welke gegevens de politierechter zich heeft gebaseerd.
Het arrest vervolgt:
“Het louter gegeven dat de aanvraag zelf zich niet in het dossier bevindt, doet niet anders besluiten. Uit de machtiging blijkt immers dat de politierechter de gegevens van de aanvraag herneemt en zich hierbij aansluit.”
Met deze overwegingen verantwoordt het Handhavingscollege naar recht zijn beslissing dat verzoeker tegenspraak heeft kunnen voeren over de elementen die aan de politierechter werden voorgelegd en op grond waarvan de machtiging werd verleend, zodat voldaan wordt aan de vereisten van artikel 6
EVRM. In zoverre de schending wordt aangevoerd van die bepaling, is het middel ongegrond.
16. Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaken zelf. De bestuursrechter oordeelt onaantastbaar of de politierechter op basis van de voorgelegde gegevens de machtiging kon verlenen, en met name of de gevraagde woonstbetreding niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de waarborgen verleend door de artikelen 15
en 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. In zoverre verzoeker de Raad van State uitnodigt om opnieuw te oordelen of de politierechter de machtiging kon verlenen enkel op grond van de vermeldingen van de aanvraag, die hij in zijn beschikking overneemt, en zonder kennis te nemen van de inhoud van de “meldingen” die vermeld werden in de aanvraag, is het middel niet ontvankelijk.
17. De visitatie waartoe op grond van artikel 16.3.12 DABM
machtiging wordt verleend door de politierechter, verleent aan de toezichthouders ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547 VII-41.192-12/17
niet dezelfde machten als de officieren van gerechtelijke politie die een huiszoeking uitvoeren in het kader van een gerechtelijk onderzoek. In tegenstelling tot die officieren zijn de toezichthouders niet ertoe gemachtigd geweld of dwang te gebruiken om de plaatsen binnen te gaan die zij willen visiteren indien de eigenaar of de bewoner afwezig is of hun de toegang ertoe weigert. Zij mogen niet fouilleren of gesloten kasten openen. Indien de omstandigheden zulks vereisen, komt het hun toe de feiten aan te geven bij de procureur des Konings die de maatregelen zal nemen die noodzakelijk zijn om de strafvordering in werking te stellen en die, indien daar reden toe is, de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig zal maken teneinde een gerechtelijke huiszoeking te laten uitvoeren. De door de politierechter toegestane visitatie brengt dan ook een inmenging in het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven met zich mee die minder ernstig is dan die welke wordt veroorzaakt door een huiszoeking die in de context van een gerechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd. (vgl. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 102/2019 van 27
juni 2019, ov. B.7.1. en B.7.2)
De toezichthouders beschikken dan ook in beginsel niet over de bevoegdheid om ter gelegenheid van een woonstbetreding op grond van artikel 16.3.12 DABM een gesloten schoenendoos te openen wanneer de aanwezige eigenaar of bewoner zich daartegen verzet.
18. Het bestreden arrest stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verzoeker zich ter gelegenheid van de visitatie heeft verzet tegen het openen van de schoenendoos, en dat in het proces-verbaal werd vastgesteld dat verzoeker “[dozen] neemt en toont”. Met deze vaststellingen verantwoordt het bestreden arrest naar recht zijn beslissing dat niet blijkt dat de toezichthouders met het openen van een schoenendoos hun bevoegdheden hebben overschreden.
19. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond.
B. Tweede middel
VII-41.192-13/17
Uiteenzetting van het middel
20. Verzoeker voert de schending aan van de rechterlijke motiveringsplicht, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 6 EVRM, van de rechten van verdediging, van de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, van de materiëlemotiveringsplicht, van artikel 19 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991
(hierna: Jachtdecreet), en van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’ (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit).
21. Hij komt op tegen volgende motieven waarmee het bestreden antwoordt op zijn tweede middel tot nietigverklaring waarin hij aanvoerde dat er geen bewijs voorligt dat de veerklemmen (10 “pootklemmen” en 1 “lokaasklem”)
die bij hem zijn aangetroffen, in zijn bezit waren voor de jacht op wilde dieren:
“Het middel van de verzoekende partij vertrekt ten onrechte van het uitgangspunt dat zij de betreffende vangtuigen effectief moet hebben gebruikt of in het bezit hebben gehad uitsluitend met de bedoeling om wildsoorten (en dus geen ratten) te jagen of te bestrijden vooraleer er sprake is van een milieumisdrijf waarvoor een geldboete kan worden opgelegd. Op basis van de geschonden artikelen volstaat het dat de verzoekende partij deze vangtuigen (louter) in haar bezit had.”
en:
“De gewestelijke entiteit heeft bovendien uitdrukkelijk gesteld waarom de lokaasklem, die niet selectief is, verboden is. De verzoekende partij overtuigt niet van het tegendeel.”
22. Verzoeker zet uiteen dat zowel artikel 19 van het Jachtdecreet als artikel 11 van het Jachtvoorwaardenbesluit het bezit verbieden van “niet door de Vlaamse regering toegestane middelen voor het doden of vangen van wild”, zodat een constitutief bestanddeel van het misdrijf wel degelijk is dat het moet gaan over (verboden) middelen “voor het doden of vangen van wild” of “voor het
VII-41.192-14/17
uitoefenen van enige vorm van jacht of van bestrijding”. Hij heeft aangegeven dat de aangetroffen veerklemmen hiertoe helemaal niet dienden, en het bewijs geleverd dat zij uitsluitend dienden voor rattenbestrijding met dien verstande dat de zogenaamde lokaasklem zelfs onverkort wordt gepromoot door het Instituut voor Natuur en Bos, binnen het kader van een goede praktijk voor het vangen van de muskusrat.
23. In de toelichting bij het middel voert verzoeker nog aan dat het Handhavingscollege de rechterlijke motiveringsplicht heeft geschonden door de argumentatie die hij met betrekking tot het ontbreken van het constitutief bestanddeel van het misdrijf heeft ontwikkeld in zijn wederantwoordnota, niet te ontmoeten en te miskennen.
Beoordeling
24. Verzoeker zet niet uiteen hoe het bestreden arrest artikel 6
EVRM, de rechten van verdediging, de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en/of de materiëlemotiveringsplicht schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
25. Met de in het middel aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest wordt geantwoord op de argumenten die verzoeker in zijn wederantwoordnota heeft ontwikkeld. In zoverre verzoeker aanvoert dat die argumenten niet worden ontmoet, zodat de in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsplicht wordt geschonden, mist het middel feitelijke grondslag. In zoverre verzoeker aanvoert dat de motieven van het bestreden arrest zijn argumentatie miskennen, zodat het arrest artikel 149 van de Grondwet schendt, gaat hij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht en is zijn kritiek ongegrond.
26. Artikel 19 van het Jachtdecreet bepaalt:
VII-41.192-15/17
“De Vlaamse Regering treft een regeling voor de middelen die kunnen worden gebruikt bij de uitoefening van de jacht in het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest of in een gedeelte ervan en dit met het oog op het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden.
Het is verboden om niet door de Vlaamse Regering toegestane middelen voor het doden of vangen van wild te gebruiken.
Het is verboden om niet door de Vlaamse Regering toegestane middelen voor het doden of vangen van wild onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen of te koop of in ruil aan te bieden.”
Met deze bepaling wordt aan de Vlaamse regering opgedragen de middelen vast te stellen die kunnen worden gebruikt voor de jacht. Uit artikel 2
van het Jachtdecreet volgt dat het hier gebruikte begrip “jacht” enkel slaat op het (opsporen en achtervolgen met het oog op het) doden of vangen van wild. Het bezit van middelen voor de jacht die door de Vlaamse regering niet worden toegestaan, is verboden.
27. Artikel 11, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit luidt:
“Voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding is het verboden veerklemmen te gebruiken, in het bezit te hebben of te verhandelen.”
Gelezen in overeenstemming met artikel 19 van het Jachtdecreet, verbiedt deze bepaling het bezit van veerklemmen die kunnen gebruikt worden voor de jacht. De enkele omstandigheid dat veerklemmen kunnen gebruikt worden voor de jacht, volstaat opdat het bezit ervan verboden is. Het is niet vereist dat de bezitter ook de bedoeling heeft om de veerklemmen voor de jacht te gebruiken.
28. Het bestreden arrest stelt vast dat verzoeker tijdens het verhoor na het aantreffen van de veerklemmen verklaarde al 40 jaar en nog steeds een actieve jager te zijn. Rekening houdend met deze feitelijke omstandigheid verantwoordt het Handhavingscollege zijn beslissing naar recht dat verzoeker met het louter bezit van veerklemmen de verbodsbepaling van artikel 11, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit heeft overtreden.
VII-41.192-16/17
29. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Carlo Adams
VII-41.192-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.547

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.