ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.693
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.693 Rolnummer: A. 239765/X-18447 Zaak: Arrest 260693 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 20/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-04 03:04 Fiche Arrest nr 260.693 van...
20 min de lecture · 4 263 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 20 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.693
Rolnummer:
A. 239765/X-18447
Zaak:
Arrest 260693 – Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) – 20/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-27
Raadplegingen:
82 – laatst gezien 2026-06-04 03:04
Fiche
Arrest nr 260.693 van 20 september 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken
en lokale besturen – Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing
: Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 260.693 van 20 september 2024
in de zaak A. 239.765/X-18.447
In zake : F.N.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Leenders kantoor houdend te 3700 Tongeren Elfde Novemberwal 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 juni 2023 waarbij het beroep van verzoeker tegen de door de gemeente Oudsbergen op 23 januari 2023
opgelegde bestuurlijke maatregel ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
X-18.447-1/13
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2024.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Andy Beelen, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 25 mei 2021 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening (RO)
vast dat op een perceel waarvan verzoeker eigenaar is (hierna: het betrokken perceel) allerlei (afval)materialen en een afgedankt voertuig zijn opgeslagen.
3.2. Op 19 juli 2021 wordt verzoeker aangemaand om zich uiterlijk tegen 29 oktober 2021 in regel te stellen (sanering perceel of vergunningsaanvraag). Deze aanmaning wordt herhaald op 8 november 2021, met termijnverlenging tot 7 februari 2022.
3.3. Op 2 maart 2022 stelt een verbalisant RO, na een plaatsbezoek, een aanvankelijk proces-verbaal op, waarin het volgende wordt gesteld:
“Op 07 februari 2022 ging de verbalisant RO opnieuw ter plaatse. Er werd definitief vastgesteld dat er niet aan de aanmaning en rappel van aanmaning
X-18.447-2/13
werd tegemoet gekomen.
Integendeel, via het aangrenzende perceel, links gelegen van het betrokken [perceel], kon de verbalisant RO het volgende bijkomend vaststellen (alle feiten spelen zich af in de achtertuin).
• er lag een groene gastank, deze had sporen van roest, • er stond een grijze auto geparkeerd zonder nummerplaat;
• er lag een badkuip tussen de struiken, • dichter naar het huis toe stond een ander voertuig geparkeerd, deze is in slechte staat (geen deuren, geen nummerplaat,…);
• verder stond er een moto zonder nummerplaat, • er lagen verschillende propaangastanken/cilinders, • er waren verschillende aanhangwagens op het terrein;
• her en der lag materiaal, materieel, hout en ijzer verspreid over het terrein, Tijdsverloop Op basis van luchtfoto’s (toegevoegd als bijlagen) kan het volgende worden vastgesteld (het jaar 2016 werd als startmoment genomen gezien stedenbouwkundige handelingen van voor deze datum strafrechtelijk verjaard zijn), • luchtfoto van 2016:
o er lag in de achtertuin al her en der materieel en materiaal;
o er zijn verschillende voertuigen op het perceel geparkeerd/gestockeerd.
• luchtfoto van 2017:
o er is weinig gewijzigd.
• luchtfoto van 2018:
o het opslaan van materiaal en materieel is vermeerderd;
o de voertuigen zijn verplaatst en er is een voertuig bijgekomen (vlak aan het huls in de achtertuin).
• luchtfoto van 2019:
o het materiaal en materieel, gelegen tegen huis in de achtertuin, lijkt te minderen;
o op het achterste gedeelte is er wat materiaal/materieel bijgekomen.
• luchtfoto van 2020:
o het materiaal en materieel, gelegen tegen huis in de achtertuin, is terug vermeerderd.
• luchtfoto van 2021:
o er is weinig gewijzigd.
Uit dit onderzoek kunnen we concluderen dat de meeste feiten al sinds 2016
uitgevoerd zijn, maar dat de hoeveelheid van het materiaal, materieel en voertuigen steeds in hoeveelheid wijzigt. ook na 1 maart 2018. We kunnen hier dan spreken van een wederkerend voortdurend misdrijf.
Prioriteitenkader Deze overtreding valt niet onder de gewestelijke prioriteiten van het Vlaamse gewest d.d. 01 januari 2017.
De irreguliere handelingen vallen wel onder prior 2 van het handhavingsplan RO van de gemeente Oudsbergen van 28 september 2020 meer bepaald:
rubriek 4.17 ‘gewoonlijk gebruik van grond voor opslag van materiaal en materieel’ meer bepaald ‘opslag van meer dan 40m³ materiaal en materieel in de niet-prioritaire gebieden’
X-18.447-3/13
De vaststellingen werden volledig uitgevoerd vanop het openbaar domein en op het naastliggend terrein (links) dat onbewoond is.”
3.4. Het aanvankelijk proces-verbaal van 2 maart 2022 wordt op dezelfde dag betekend aan verzoeker, het parket van de procureur des Konings Limburg en het departement Omgeving – afdeling Handhaving van het Vlaamse Gewest. Verzoeker haalt het aangetekend verstuurd schrijven evenwel niet af.
3.5. Op 18 maart 2022 beslist de procureur des Konings verzoeker niet strafrechtelijk te vervolgen.
3.6. Op 5 april 2022 verstuurt het departement Omgeving – afdeling Handhaving aan verzoeker de kennisgeving van de opstart van de boeteprocedure, waarbij erop wordt gewezen dat de vastgestelde feiten in aanmerking komen voor een bestuurlijke transactie, overeenkomstig artikel 6.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO).
Daar verzoeker de stedenbouwkundige overtreding betwist, gaat hij niet in op de voorgestelde bestuurlijke transactie.
3.7. Met een schrijven van 25 april 2022 maakt de gemeente Oudsbergen kenbaar dat zij het voornemen heeft om voor dit stedenbouwkundig misdrijf een last onder dwangsom op te leggen op basis van artikel 6.4.14 VCRO.
3.8. Op 19 mei 2022 reageert verzoeker op het laatstgenoemde schrijven, waarbij hij eveneens stelt een beroep bij de minister in te dienen.
De gemeente Oudsbergen reageert hierop met een brief van 24 mei 2022, waarin zij er op wijst dat nog geen bestuurlijke maatregel werd opgelegd. Omdat er waarschijnlijk sprake is van een misverstand, wordt een extra termijn gegeven zodat verzoeker de mogelijkheid krijgt een hoorzitting aan te vragen of een schriftelijk verweer in te dienen.
X-18.447-4/13
Verzoeker maakt geen gebruik van deze mogelijkheid.
3.9. Bij een controle op 30 mei 2022 blijkt het betrokken perceel nog steeds vol allerhande goederen te liggen.
3.10. Op 23 januari 2023 beslist de burgemeester van de gemeente Oudsbergen aan verzoeker een bestuurlijke maatregel op te leggen om over te gaan tot het verwijderen van het materiaal en de wagens op het betrokken perceel. Bij gebrek aan uitvoering van deze maatregel binnen de zes maanden na de oplegging ervan wordt hieraan een dwangsom verbonden van 100 euro per dag.
3.11. Op 24 februari 2023 gaat verzoeker tegen de door de gemeente opgelegde bestuurlijke maatregel in beroep bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.12. Op 24 maart 2023 adviseert de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (hierna: de HRH) om verzoekers beroep in te willigen. In dit advies wordt onder meer het volgende overwogen:
“[H]et onderscheidend criterium om te bepalen of een stedenbouwkundig misdrijf in aanmerking komt voor de toepassing van een bestuurlijke maatregel inzake bestuursdwang of een last onder dwangsom, is of het recht om een herstelvordering in te stellen, is ontstaan voor 1 maart 2018. Dit moet worden begrepen in die zin dat het stedenbouwkundig misdrijf dat aan de grondslag van de herstelvordering [ligt], is ontstaan voor 1 maart 2018.
Wanneer de voorliggende gegevens van de zaak aantonen dat het misdrijf reeds bestaat voor 1 maart 2018, dan volgt hieruit dat overeenkomstig artikel 7.7.7 VCRO geen bestuurlijke maatregel inzake bestuursdwang of een last onder dwangsom kan worden opgelegd.”
3.13. De cluster Sanctionering en Advisering van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving adviseert verzoekers beroep te verwerpen en de maatregel te bevestigen.
3.14. Nadat verzoeker is gehoord, neemt de verwerende partij op 9 juni 2023 de bestreden beslissing, waarin onder meer het volgende wordt gesteld:
X-18.447-5/13
“Zoals aangehaald is de omgeving gelegen binnen woongebied met landelijk karakter en liggen de achterliggende delen in agrarisch gebied. Op de foto’s op geopunt is te zien dat het hier gaat om een residentiële woonwijk met ruime tuinen achter de woningen. Deze tuinen zijn allemaal ingericht om hierin te genieten van de openlucht en het landelijke karakter van de omgeving en kennen geen stockage van wat dan ook en hebben een groen karakter. Het agrarisch gedeelte van het perceel kent een zekere mate van bebossing die het groene en landelijke karakter van de omgeving verder versterkt.
Wanneer de bestaande toestand wordt vergeleken op basis van de beschikbare stukken en gegevens met de voorheen bestaande toestand, kunnen de geviseerde handelingen niet worden aanvaard omwille van:
[…] visueel-vormelijke hinder die onaanvaardbaar is binnen de onmiddellijke omgeving en een ruimtegebruik dat niet inpasbaar is binnen de onmiddellijke omgeving.
Het gestelde gebruik is op zichzelf bekeken in visueel en esthetisch opzicht storend binnen het in de niet-wederrechtelijke toestand van een woongebied met landelijk karakter en de aanwezige tuinen. Het fotomateriaal toont aan dat het gaat om een amalgaam aan materiaal, materieel, afval en voertuigen die her en der over het perceel verspreid liggen. Ze passen in esthetisch opzicht niet binnen het omliggende landschap en leiden tot een rommelige en onordentelijke invulling van percelen die deel uitmaken van een groene tuinzone met achterliggende bebossingen. Het gaat om uit zijn aard een landschappelijk ontsierend gebruik. Er is aanwijsbare, visuele en landschappelijke schade veroorzaakt binnen de onmiddellijke omgeving.
Vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening is het onwenselijk dat in de kwestieuze groene tuinzone en achterliggende bebossing een dergelijke ontsiering wordt ontwikkeld, verdergezet en bestendigd. Dit gebruik is dan ook niet in overeenstemming met de omgeving en de agrarische functie van de achterliggende zone. De geviseerde stockage in open lucht draagt bij tot het rommelig en ongeordend voorkomen van de site.
Daarnaast moet niet alleen de huidige maar ook de toekomstige goede ruimtelijke ordening worden veilig gesteld. De omstandigheid dat de herstelmaatregel als bijzondere vorm van teruggave in de zin van artikel 44 Strafwetboek en de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering beoogt een einde te maken aan de door het stedenbouwkundig misdrijf veroorzaakte en met de wet strijdige toestand, belet niet dat bij de beoordeling van de wettigheid van de beoogde herstelmaatregel mee in aanmerking mag worden genomen dat deze maatregel het plegen van nieuwe bouwmisdrijven zal voorkomen.
Dat aan de stockage in de open lucht naar de beroepsindiener stelt, momenteel deels een einde is gekomen, neemt niet weg dat intussen ter plaatse een storend gewoonlijk gebruik is opgestart, uitgebreid en bestendigd. Dit gewoonlijk gebruik is eveneens storend voor de omliggende buren en verstoord het genot van de omliggende tuinen en het landelijke karakter in zijn geheel.
Omwille van de hiervoor behandelde redenen, is de weerslag op de plaatselijke ordening en de rechten van derden van die aard dat de bestreden
X-18.447-6/13
maatregel noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening. De bestreden maatregel strekt aanwijsbaar tot het behoud van de goede ruimtelijke ordening, wat het ongedaan maken van de concrete en aanwijsbare landschappelijke, visuele en overige, hiervoor behandelde omgevingshinder aangaat. Het voordeel voor de goede ruimtelijke ordening vloeit voort uit de noodzakelijke sanering van de site die de bestreden maatregel tot gevolg heeft, het ongedaan maken van het huidige, ruimtelijk storende gewoonlijk gebruik en het vermijden van een verdere toename.
Als enige beroepsmiddel roept beroepsindiener in dat er geen stedenbouwkundig misdrijf is, waarop de bestuurlijke maatregel kan worden geënt. Beroepsindiener stelt dat het volume kleiner is dan 40 m³ of 40 m² (beroepsindiener haalt beide door elkaar).
De eventuele vrijstelling van de principiële vergunningsplicht wordt geregeld in het Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is van 16 juli 2010 (hierna het Vrijstellingsbesluit).
Artikel 2.1, 12° Vrijstellingsbesluit bepaalt: ‘het opslaan van allerhande bij de woning horende materialen en materieel met een totaal maximaal volume van 10 kubieke meter, niet zichtbaar vanaf de openbare weg’. In tegenstelling tot wat beroepsindiener voorhoudt gaat het dus niet om 40 m³ of 40 m² maar enkel om 10 m³. Beroepsindiener baseert zich op een prioriteitenbepaling binnen de gemeente Oudsbergen. Deze is een houvast voor de gemeente om haar beleid te bepalen, maar heeft geen impact ten aanzien van het Vrijstellingsbesluit dat bepalend is om na te gaan of er al dan niet een vrijstelling geldt ten aanzien van de principiële vergunningsplicht.
Dat er weldegelijk sprake is van een vergunningsplicht. Artikel 4.2.1, 5°, a)
en b) VCRO luidt als volgt:
‘een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens’.
Het niet naleven van de voorafgaandelijke vergunningsplicht, is een voortgezet misdrijf. Het bestaat uit meerdere actieve gebruiksdaden, en niet een toevallige eenmalige daad, waartussen geen periode ligt die groter is dan de verjaringstermijn.
In dit dossier heeft de verbalisant vastgesteld dat er sprake is van meerdere actieve gebruiksdaden waarbij het gebruik telkens wordt gewijzigd door het wegnemen en aanvoeren van nieuwe goederen en afval. Zo stelde de verbalisant vast dat er op 25 mei 2021 op het perceel achter de woning een voertuig en een groene ton voor opslag van gas aanwezig was. Ook lag er overal allerhande materiaal, materieel en afval zoals banden, paletten, hout, en dergelijke meer.
Op 7 februari 2022 begaf de verbalisant zich ter plaatse om de toestand te verifiëren. In plaats van dat er sprake was van een herstel naar aanleiding van de eerdere aanmaningen, stelde hij vast dat de toestand zich verder uitbreidde. Zo is er sprake van een tweede voertuig (afgedankt), een moto zonder nummerplaat, verschillende propaangastanken/-cilinders, verschillende aanhangwagens en lag er her en der materiaal, materieel en afval op het perceel.
X-18.447-7/13
Uit de foto[‘s] van geopunt die gevoegd zijn bij het proces-verbaal, blijkt dat het gewoonlijk gebruik een voortschrijdend karakter kent. Vooral na 2020
neemt het gewoonlijk gebruik sterk toe.
Deze historiek van actieve daden geeft duidelijk aan dat het hier niet gaat om een toevallige stockage van goederen maar om een actief gebruik ter plaatse dat continu wijzigt.
Zoals aangehaald, valt dit gebruik niet onder de aangehaalde vrijstelling. Uit de beschrijving van de aanwezige goederen en de foto’s bij het proces-verbaal, ook al is er ondertussen een voertuig verwijderd, blijkt dat het volume er van veel groter is dan 10 m³. Zo is er nog minstens één voertuig aanwezig evenals diverse aanhangwagens en gastanks. Deze goederen alleen al overschrijden de 10 m³. Uit de luchtfoto’s bij het proces-verbaal blijkt ook dat de goederen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.
Beroepsindiener verwijst naar een norm van 40 m² of 40 m³. Deze leidt hij af uit de prioriteiten van de gemeente Oudsbergen. Dit is echter een richtinggevend kader om de prioriteiten te bepalen om al dan niet op te treden. Dit kader stelt echter niets over de noodzaak van het hebben van een voorafgaandelijke omgevingsvergunning en kan dus geen vrijstelling geven op de principiële vergunningsplicht. Ook verhindert dit kader niet dat voor andere feiten dan de omschreven feiten een handhavingstraject wordt opgestart. Bovendien heeft de verbalisant geoordeeld dat er sprake is van meer dan 40 m³ zoals aangehaald in het proces-verbaal. Dit oordeel is, gelet op de aanwezige goederen, aannemelijk, doch niet relevant om te oordelen of er al dan niet sprake is van een schending gezien de wettelijke norm van de vrijstelling gelegen is op 10 m³. Het feit dat het gaat om een vergunde woning en beroepsindiener de goederen gebruik[t], waarbij vragen voor sommige goederen kunnen worden gesteld gelet op de in het proces-verbaal beschreven staat, doet hieraan niets af.
De overweging van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, waarbij beroepsindiener zich aansluit tijdens de hoorzitting, dat er geen bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd gelet op artikel 7.7.7 VCRO kan niet worden gevolgd. Zoals aangehaald gaat het hier om een voortgezet misdrijf.
Een voortgezet misdrijf is een misdrijf dat is samengesteld uit verschillende gedragingen die, afzonderlijk beschouwd, geen strafbare feiten opleveren maar waarvan de herhaling, het gewoonlijk plegen, een misdrijf uitmaakt.
Conform de rechtspraak blijft het gewoonlijk gebruik voortduren zolang de grond verder wordt gebruikt voor het parkeren van voertuigen door positieve daden van het stallen en verwijderen van voertuigen, het opslaan en verwijderen van materiaal, materieel en afval met een zekere regelmaat. Tot zolang kan er van instandhouding, dit is de onthouding om door enige handeling aan het bestaan van de gecreëerde toestand van onrechtmatig gebruik van de grond een einde te maken, geen sprake zijn. De verjaring van de strafvordering zal dan ook slechts een aanvang nemen op het ogenblik dat de grond niet langer wordt gebruikt voor het parkeren van voertuigen door positieve daden van het stallen en verwijderen van voertuigen met een zekere regelmaat. Aldus verantwoordt het naar recht de beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor dit gewoontemisdrijf bestaande uit opeenvolgende actieve handelingen slechts een aanvang heeft genomen bij
X-18.447-8/13
het plegen van het laatste feit dat deel uitmaakt van de gewoonte, … […].
Het louter laten voortbestaan is geen primair misdrijf van gewoonlijk gebruik, het gewoonlijk gebruik vereist immers actieve handelingen die het gewoonlijk gebruik uitmaken. Het is ook belangrijk voor ogen te houden dat het misdrijf alleen het gebruik van de grond betreft.
Uit het dossier blijkt dat er na 1 maart 2018 nog diverse positieve handelingen werden gesteld en zelfs het merendeel van de handelingen werden gesteld in de periode 2019-2020. Dit geeft aan dat er na 1 maart 2018
dus nog een schending werd gepleegd en het vorderingsrecht is hiervoor uiteraard pas ontstaan na deze datum. Gezien het hier om een andere schending in de tijd gaat, dient deze los van de voorgaande te worden gezien en kon er hiervoor niet eerder een vordering worden opgestart. Het gaat hier dus om andere feiten (cfr. andere handelingen in een andere periode en bijkomende uitbreiding op het terrein). Er dienen een voldoende aantal feiten te zijn gepleegd ná 1 maart 2018 opdat de constitutieve bestanddelen van de ‘gewoonte’ terug bewezen zijn en een nieuw vorderingsrecht ontstaat, wat zoals reeds aangehaald het geval is.
Gezien het hier dus gaat om een voortgezet misdrijf en er na 1 maart 2018
een nieuwe gewoonte is gesteld, is er dus een nieuw vorderingsrecht ontstaan en kan er dus weldegelijk een bestuurlijke maatregel worden opgelegd.”
IV. Onderzoek van de middelen
A. Het eerste middel
Het aangevoerde middel
4. In het eerste middel voert verzoeker aan dat er geen sprake is van een stedenbouwkundig misdrijf. De aangestelde verbalisant RO stelt ten onrechte dat verzoeker artikel 4.2.1 VCRO zou hebben geschonden. Hierbij baseert de verbalisant zich, enerzijds, op luchtfoto’s uit 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021 en anderzijds op foto’s die hij ter plaatse heeft gemaakt vanop het perceel van de aanpalende buur.
De bijgebrachte luchtfoto’s zijn volgens verzoeker zeer onduidelijk. Meer bepaald heeft de verbalisant bij de luchtfoto van 2016 als beschrijving gegeven dat er zich “her en der” materiaal op verzoekers woonperceel bevindt. Die summiere beschrijving kan niet worden beschouwd als zijnde afdoende om te besluiten tot een overtreding in de zin van artikel 4.2.1 VCRO.
X-18.447-9/13
Daarnaast wordt gesteld dat er sinds 2018 een toename zou zijn van opslag van materiaal en materieel, doch dit blijkt geenszins uit het dossier.
Met betrekking tot de foto’s die werden genomen vanop een aanpalend perceel merkt verzoeker op dat er slechts foto’s van één dag worden bijgebracht. Verzoeker ontkent niet dat er zich toen een geaccidenteerd voertuig (dat werd verkocht aan een oudijzerman), een aanhangwagen, een motor en twee gasflessen op zijn perceel bevonden, maar benadrukt dat hij deze gebruikt.
Verzoeker woont op het betrokken perceel in een vergunde woning en maakt geen oneigenlijk gebruik van de grond. Bovendien blijkt uit de objectieve vaststellingen van de verbalisant niet dat er een overschrijding is van een volume van meer dan 40
m³. Het gaat in casu niet over gewoonlijk gebruik maar over een toevallige opslag van goederen waar geen vergunning voor nodig is.
5. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat er sprake is van een toevallige opslag van goederen en niet van het “gewoonlijk”
gebruiken van het betrokken perceel voor opslag.
6. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar de argumentatie uit zijn eerdere procedurestukken.
Beoordeling
7. Het bestreden besluit concludeert dat er na 1 maart 2018 een (nieuwe) gewoonte is ontstaan om het betrokken perceel gewoonlijk te gebruiken voor het opslaan van allerlei materialen, materiaal of afval en gebruikte of afgedankte voertuigen. Verzoeker slaagt er niet in te ontkrachten dat deze conclusie afdoende ondersteund wordt door de stukken van het administratief dossier, te weten het proces-verbaal van 2 maart 2022 – dat krachtens artikel 6.2.4
VCRO geldt tot bewijs van het tegendeel – evenals de daarbij horende – voldoende duidelijke – luchtfoto’s van 2019, 2020 en 2021 en de op grondniveau gemaakte foto’s van 7 februari 2022. Daartoe volstaan de door de verzoeker aangevoerde elementen, zoals zijn bedenking bij de bespreking van de luchtfoto van 2016 en
X-18.447-10/13
zijn bewering dat het zou gaan om een toevallige opslag van goederen met een volume van minder dan 40 m³, niet. Wat dit laatste betreft, ontmoet verzoeker –
zoals reeds is opgemerkt in het auditoraatsverslag – op geen enkele manier de vaststellingen in het bestreden besluit dat “de wettelijke norm […] gelegen is op 10
m³” en dat “het volume [van de na 1 maart 2018 op het betrokken perceel opgeslagen goederen] veel groter is dan 10 m³”.
8. Het middel wordt verworpen.
B. Het tweede middel
Het aangevoerde middel
9.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 7.7.7 VCRO waaruit volgt dat de decretale bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom niet van toepassing zijn als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór 1 maart 2018.
9.2. Verzoeker licht toe dat te dezen het recht om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 maart 2018. In het aanvankelijk proces-verbaal van 2 maart 2022 wordt immers verwezen naar luchtfoto’s van 2016 en 2017. Verzoeker verwijst naar het advies van de HRH waarin gesteld wordt dat wanneer het misdrijf reeds bestaat vóór 1 maart 2018 er geen bestuurlijke maatregel inzake bestuursdwang of een last onder dwangsom kan worden opgelegd. In het bestreden besluit wordt wel beweerd dat er een voldoende aantal feiten na 1 maart 2018 gepleegd zouden zijn, maar verzoeker begrijpt niet over welke feiten de minister het heeft gezien zij hieromtrent geen verduidelijking noch een voorbeeld geeft.
Voorts herhaalt verzoeker de argumenten die hij heeft aangevoerd ter ondersteuning van het eerste middel.
X-18.447-11/13
10. In zijn memorie van wederantwoord herneemt verzoeker hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet.
11. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker om het advies van de HRH aandachtig door te nemen.
Beoordeling
12. In zoverre het eerste middel wordt herhaald, wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor.
13. Terecht wijst de verwerende partij erop dat het bestreden besluit duidelijk aangeeft welke na 1 maart 2018 gestelde feiten in aanmerking zijn genomen: het betreft het opslaan van allerlei materialen, materiaal of afval en gebruikte of afgedankte voertuigen zoals blijkt uit het proces-verbaal van 2 maart 2022, de daarbij horende luchtfoto’s van 2019, 2020 en 2021 en de op grondniveau gemaakte foto’s van 7 februari 2022.
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het onjuist zou zijn dat de bestreden beslissing uit het gegeven dat de laatstgenoemde feiten dateren van na 1 maart 2018 afleidt dat het vorderingsrecht hiervoor “uiteraard pas ontstaan [is] na deze datum”.
14. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 24 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
X-18.447-12/13
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-18.447-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.693
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...