ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.922

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.922 Rolnummer: A. 237016/X-18218 Zaak: Arrest 260922 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-11 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-04 07:31 Fiche Arrest nr 260.922 van...

Source officielle

11 min de lecture 2 290 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 04 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.922

Rolnummer:

A. 237016/X-18218

Zaak:

Arrest 260922 – Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) – 04/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-11

Raadplegingen:

83 – laatst gezien 2026-06-04 07:31

Fiche

Arrest nr 260.922 van 4 oktober 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken
en lokale besturen – Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing
: Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 260.922 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 237.016/X-18.218
In zake : L.F.
woonplaats kiezend te
tegen :
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie van 31 mei 2022, waarbij het beroep van verzoeker tegen de beslissing van het agentschap Onroerend Erfgoed van 7 april 2022 over zijn openbaarheidsvraag ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld.
X-18.218-1/9
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2024.
Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht.
Ludo Fockedey, die in persoon verschijnt, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 18 maart 2022 dient verzoeker een openbaarheidsvraag in bij het agentschap Onroerend Erfgoed:
“Wil u me de vergunningsaanvragen, vergunningen, bijzondere voorwaarden en eventuele stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen in bijlage bij de vergunningsaanvraag overmaken zoals u me deze al overmaakte bij vorige opvragingen.
U vindt een overzicht van de projecten in de tabel in bijlage.
Wil u ook de ontbrekende rapporten en bijlagen bij de rapporten overmaken aub. Deze vindt u in opmerkingen.”
3.2. Bij een e-mailbericht van 7 april 2022 weigert het agentschap Onroerend Erfgoed de inwilliging van het verzoek om reden van het “groot aantal aanvragen tot openbaarheid en de onredelijk grote werklast die dit veroorzaakt” bij de medewerkers van het agentschap.
X-18.218-2/9
3.3. Nog dezelfde dag stelt verzoeker bestuurlijk beroep in bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie (hierna: de beroepsinstantie).
In zijn beroepschrift verduidelijkt verzoeker:
“In het kader van de publicatie van archeologische rapporten waarop mijn naam staat vermeld heb ik in het kader van de openbaarheid van bestuur de nodige documenten opgevraagd om na te gaan of mijn naam en de publicatie van mijn (wetenschappelijke) gegevens correct en niet onterecht gebeurde.
Mijn naam werd in de vergunningsaanvragen opgenomen.”
3.4. Op 10 mei 2022 wordt, in toepassing van artikel II.50, § 1, tweede lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018
(hierna: het bestuursdecreet), de beslissingstermijn door de beroepsinstantie verlengd van dertig kalenderdagen tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen.
3.5. Bij beslissing van 31 mei 2022 verklaart de beroepsinstantie het bestuurlijk beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. In een eerste middel hekelt verzoeker de “overschrijding van de beslissingstermijn”. Hij zet uiteen:
“Op 10 mei 2022 ontvang ik een mail met de mededeling dat de beslissingstermijn tot 45 kalenderdagen wordt verlengd en dat de beroepsinstantie uiterlijk op 26 mei 2022 een beslissing zal nemen […]. In
X-18.218-3/9
een mail van 31 mei 2022 wordt duidelijk vermeld dat de beslissing van de beroepsinstantie werd genomen op 31 mei 2022 […]. Deze datum wordt ook vermeld op de uitspraak zelf […]. De verlengde beslissingstermijn werd met 5 dagen overschreden.”
Beoordeling
5. Een middel moet, opdat het ontvankelijk zou zijn, op een voldoende duidelijke en precieze wijze aangeven welke rechtsregel geschonden wordt geacht en op welke wijze die schending zich middels het bestreden besluit manifesteert.
Verzoeker betoogt dat de verlengde beslissingstermijn met vijf dagen werd overschreden, maar verduidelijkt op geen enkele wijze welke rechtsregel het bestreden besluit daardoor schendt. Nog daargelaten de vraag naar de mogelijkheid om dit euvel in de memorie van wederantwoord te verhelpen, wordt vastgesteld dat daarin evenmin wordt aangegeven welke rechtsregel door de termijnoverschrijding wordt geschonden.
6. Ten overvloede is er op te wijzen dat de beslistermijn specifiek geregeld wordt in artikel II.50 van het bestuursdecreet. Die bepaling voorziet niet in een sanctie in het geval van een overschrijding van de (verlengde) beslistermijn.
Er worden geen redenen aangevoerd waarom het te dezen niet zou gaan om een termijn van orde. De overschrijding van deze termijn van orde met vijf dagen heeft niet de nietigheid van de bestreden beslissing tot gevolg.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. In het tweede middel bekritiseert verzoeker de toelichting door het agentschap Onroerend Erfgoed zoals die in het bestreden besluit is
X-18.218-4/9
weergegeven. Verzoeker betoogt dat deze toelichting niet is gebaseerd op feiten, maar op beweringen die niet werden gecontroleerd. Hij bespreekt achtereenvolgens verschillende “beweringen” en “verklaringen” die volgens hem “fout”, “misleidend”, “redelijk onlogisch” of “irrelevant” zijn.
Beoordeling
8. In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel als volgt besproken:
“Niettegenstaande de verzoeker in de uiteenzetting van het tweede middel niet expliciet aanduidt welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht, geeft hij op een voldoende duidelijke wijze aan dat specifieke passages uit de in het bestreden besluit weergegeven toelichting door het agentschap Onroerend Erfgoed ‘fout’, ‘misleidend’, ‘redelijk onlogisch’ of ‘irrelevant’ zijn. De uiteenzetting van het tweede middel in het verzoekschrift laat in die zin toe te begrijpen dat de verzoeker een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert. Met de verwerende partij wordt evenwel vastgesteld dat de kritiek van de verzoeker in dit middel slechts betrekking heeft op de weergave in het bestreden besluit van de door het agentschap Onroerend Erfgoed verschafte toelichting bij het ingestelde beroep, zonder dat de Beroepsinstantie op dit punt zelf enig standpunt inneemt. De eigenlijke beoordeling van het beroep door de Beroepsinstantie wordt verderop in het bestreden besluit weergegeven. In de uiteenzetting in het verzoekschrift brengt de verzoeker geen argumentatie aan waarmee hij een onjuistheid van de gehekelde overwegingen aantoont die tot de vernietiging van de bestreden beslissing zou doen besluiten. Hij toont ook niet aan of maakt niet aannemelijk dat de Beroepsinstantie zich bij haar eigen beoordeling heeft gebaseerd op feitelijke onjuistheden aangaande het betrokken dossier.
Nog buiten beschouwing gelaten of de verzoeker vervolgens eerst in de memorie van wederantwoord nog andere ‘wets- of decreetartikelen’ kan aanduiden die hij geschonden acht, wordt vastgesteld dat hij verwijst naar bepalingen waarop zijn ‘vraag om één of meerdere contracten is gebaseerd’. Tevens verwijst hij naar de ‘Code van Goede praktijk 4.0’ en de daarin opgenomen definities van ‘aardkunde’, ‘aardkundige’ en ‘assistent-aardkundige’. De verzoeker verduidelijkt niet op welke wijze het thans bestreden besluit de door hem aangehaalde bepalingen zou schenden.
Hij stelt in de memorie van wederantwoord dat het ‘duidelijk [is] dat met de invoering van de assistent-aardkundige in het Onroerend Erfgoeddecreet CGP 2.0 de overheid zelf de betrokkenen uit de wind zet’ en dat de overheid ‘haar wetten zo (moet) opstellen dat ze helder en niet voor misinterpretatie vatbaar zijn’ en hij hekelt dat de wetgeving ‘opgesteld is in functie van één belangengroep’. Zijn kritiek betreft in die mate kritiek op de regelgeving als zodanig en geen kritiek op het thans bestreden besluit.
X-18.218-5/9
Daarnaast blijken zowel het besluit van de Vlaamse regering als het ministerieel besluit waaraan de verzoeker in de memorie van wederantwoord refereert reeds met ingang van 1 april 2016 te zijn opgeheven.
De kritiek van de verzoeker in het tweede middel geeft geen aanleiding tot de vernietiging van het bestreden besluit.”
9. De Raad van State ziet geen reden om er een andere zienswijze dan in het auditoraatsverslag op na te houden. Hij valt de beoordeling in het auditoraatsverslag bij en maakt ze tot de zijne.
Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
10. Verzoeker voert de schending aan van artikel II.33, 1°, van het bestuursdecreet.
Hij argumenteert in essentie dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de verkeerde voorstelling als zou het hier gaan om een particulier belang en niet om een openbaar belang. In dit verband wijst verzoeker er onder meer op dat de beroepsinstantie is “ingelicht over een dossier dat gaat over een overstromingsgevoelig gebied te Brakel”, waarbij zijn naam als bodemkundige wordt vermeld. Hij betoogt dat de “opgevraagde documenten zijn gebaseerd op ontvankelijkheidsbevestigingen die werden gehackt en die dienen ter staving van een dossier dat gekend is bij het parket van Oost-Vlaanderen […]. Het is zowel van particulier als van openbaar belang dat de juiste toedracht kan worden geschetst […]”. Verzoeker vervolgt dat zijn “reputatie als wetenschapper en leraar al jaren [wordt] geschaad omdat […] [d]e bestuursdocumenten publiek toegankelijk zijn via de digitale bibliotheken van het agentschap OE en er geen gehoor wordt gegeven aan [zijn] vragen om als auteur inzage te krijgen in de documenten die aan de rapporten zijn gekoppeld […]. Het agentschap controleert noch handhaaft haar eigen wettelijk opgelegde voorwaarden.”.
X-18.218-6/9
Beoordeling
11. In het middel richt verzoeker zich specifiek op de volgende overweging in het bestreden besluit:
“Artikel II.33, 1° Bestuursdecreet bepaalt dat een aanvraag die kennelijk onredelijk is mag afgewezen worden, voor zover het belang van de openbaarheid niet primeert. De beroepsinstantie is van mening dat er in casu geen openbaar belang, zoals geduid in de parlementaire voorbereiding, gemoeid is met de openbaarmaking van de betrokken documenten. De memorie van toelichting stelt immers m.b.t. de belangenafweging het volgende: ‘De uitzonderingen worden alleen ingeroepen als het belang van de openbaarheid niet primeert. Daarmee wordt bedoeld: een met de openbaarmaking gediend openbaar belang.
Deze bepaling betekent dus niet dat de private belangen van de aanvrager moeten afgewogen worden tegenover de belangen die met de uitzonderingen beschermd worden. Het gaat om het belang van de gemeenschap: de openbare orde, de veiligheid van de bevolking, grote maatschappelijk issues, globale bescherming van het leefmilieu enzovoort.
(Parl.St. Vl.Parl.
2017-18, 1656/1, 56).”
12. Wat betreft de beoordeling van de vraag of, bij toepassing van artikel II.33, 1°, van het bestuursdecreet, “het belang van de openbaarheid niet primeert”, komt het de Raad van State niet toe om in de plaats van de beroepsinstantie een eigen afweging te maken. De Raad is binnen het raam van zijn rechtmatigheidstoezicht wel bevoegd om na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan met een zorgvuldige beoordeling en binnen de grenzen van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
13. Verzoeker betwist niet de vaststelling van de beroepsinstantie dat “de vele gelijkaardige vragen van verzoeker in kwestie een disproportionele en onredelijke opdracht betekent voor het agentschap OE” en er dus sprake is van een “aanvraag die kennelijk onredelijk is”.
X-18.218-7/9
Verzoeker betwist evenmin “dat het agentschap OE [zijn]
behulpzaamheidsplicht naar verzoeker toe, met het inwilligen van alle gelijkaardige verzoeken zodat hij een zwaarwichtig dossier kan samenstellen tegen de studiebureaus die zijn naam ten onrechte zouden gebruikt hebben bij het opstellen van hun onderzoeksrapporten, ruimschoots heeft vervuld”.
14. In die omstandigheden overtuigt verzoeker er niet van dat de beroepsinstantie, bij de beoordeling van het wel of niet primeren van het belang van de openbaarheid, is uitgegaan van onjuiste gegevens, onzorgvuldig heeft gehandeld, of de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan.
De bijkomende argumentatie van verzoeker ter zake van de redelijkheid van zijn verzoek, vervat in de laatste memorie, is laattijdig en onontvankelijk.
Het middel wordt verworpen.
D. Besluit
15. Bij gebrek aan gegronde middelen wordt het beroep verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 22 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
X-18.218-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-18.218-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.922

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.922

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.