ECLI:NL:GHARL:2019:7004 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-08-2019 / 200.261.802
Artikel 288 lid 1 sub b jo. lid 3 Fw. Verzoeker -niette goeder trouw ten aanzien van onstaan/onbetaald laten van schulden- met toepassing van de hardheidsclausule toch toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
7 min de lecture · 1 376 mots
Inhoudsindicatie. Artikel 288 lid 1 sub b jo. lid 3 Fw. Verzoeker -niette goeder trouw ten aanzien van onstaan/onbetaald laten van schulden- met toepassing van de hardheidsclausule toch toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.261.802
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 230091)
arrest van 29 augustus 2019
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant, hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. N. Brands.
1Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 juni 2019 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Bij ter griffie van het hof op 28 juni 2019 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, het verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brief met bijlagen van mr. Brands van 8 juli 2019 en van de brief van de beschermingsbewindvoerder van 8 augustus 2019.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van zijn partner (hierna: [naam partner appellant] ).
3De motivering van de beslissing in hoger beroep
[appellant] , geboren op [geboortedatum] , woont samen met [naam partner appellant] en is vader van twee kinderen. Zijn totale schuldenlast bedraagt, volgens de Verklaring Schuldsanering ex artikel 285 van de Faillissementswet (Fw), € 30.417,03, waaronder een schuld aan de Belastingdienst van € 7.757,-.
Bij beschikking van 29 december 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, een beschermingsbewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [appellant] en is Solva Bewindvoering B.V. te Coevorden benoemd tot beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden, met name ten aanzien van een groot deel van de schuld aan de Belastingdienst, te goeder trouw is. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om [appellant] met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule toe te laten.
[appellant] kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt dat het
grootste deel van zijn schulden langer dan vijf jaar geleden is ontstaan. Er is sprake van een latere schuld aan de Belastingdienst betreffende onbetaalde motorrijtuigenbelasting voor een auto, maar de grondslag van deze schuld dateert van langer dan vijf jaar geleden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is die auto niet pas in november 2018, maar reeds in januari 2018 van zijn naam geschreven, nadat daar al vanaf begin 2017 over is gecorrespondeerd met de RDW. Ook is de rechtbank er ten onrechte van uit gegaan dat hij na 2014 nog diverse auto’s op zijn naam of op naam van een derde heeft gehad.
Er is geen sprake van opzet of kwade trouw. [appellant] stelt dat hij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoekschrift om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zodat hij kan worden toegelaten tot de regeling.
Subsidiair vraagt hij, in het geval ook het hof van oordeel is dat hij niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden, om met toepassing van de hardheidsclausule te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hij heeft al geruime tijd geleden diverse belangrijke stappen gezet om een einde te maken aan zijn schuldenpositie. Hij heeft beschermingsbewind geregeld en hij ontvangt steun van Jarabee voor zijn kinderen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat [appellant] gedurende
enkele jaren een auto van de openbare weg heeft gehouden, kennelijk in de veronderstelling dat hij in dat geval voor die auto geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd zou zijn. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zijn administratie, waaronder de correspondentie over de motorrijtuigenbelasting, niet door hem zelf maar door zijn moeder, bij wie hij destijds inwoonde, werd verzorgd. Nadat hij ruzie kreeg met zijn moeder en zij hem de woning had uitgezet heeft zij, volgens de verklaring van [appellant] , zijn gehele administratie (inclusief zijn legitimatiebewijzen) vernietigd, waardoor hij geen zicht meer had op – onder andere – de correspondentie over de motorijtuigenbelasting. Omdat hij zich niet ergens anders liet inschrijven kreeg hij geen post. Het mag zo zijn dat [appellant] het voeren van zijn administratie volledig aan zijn moeder overliet, maar het blijft naar het oordeel van het hof te allen tijde de verantwoordelijkheid van [appellant] om erop toe te zien dat zijn administratie naar behoren wordt verzorgd, zeker nadat duidelijk werd dat zij die administratie niet meer wilde doen. Het moet [appellant] dan ook worden verweten dat hij de motorrijtuigenbelasting voor de bewuste auto gedurende een lange tijd, totdat die auto uiteindelijk in januari 2018 van zijn naam is geschreven, onbetaald heeft gelaten. Het hof is daarom van oordeel dat [appellant] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de daaruit voortgekomen schuld aan de Belastingdienst.
Deze schuld staat in beginsel aan toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling in de weg. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan, ondanks het bestaan van schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw, toch worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule).
Het gaat bij de toepassing van deze clausule om de oorzaak van de problematiek, welke oorzaak de schuldenaar aantoonbaar onder controle moet hebben gekregen en waarbij in het algemeen is vereist dat de schuldenaar een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die blijkt uit het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
[appellant] heeft verklaard dat hij in 2016, rond de geboorte van zijn zoon, besefte dat het roer om moest. Hij heeft een legitimatiebewijs aangevraagd, zodat hij zich weer bij de gemeente op een adres kon laten inschrijven. In die periode heeft hij, samen met [naam partner appellant] , opvoedingsondersteuning gevraagd en gekregen van jeugdzorginstantie Jarabee. Hij wilde bovendien werken aan zijn schuldenpositie. Eind 2016 is op zijn initiatief door de kantonrechter beschermingsbewind ingesteld. [appellant] maakt nog steeds gebruik van de hulp van Jarabee en van het beschermingsbewind. In de brief van 8 augustus 2019 van Solva Beschermingsbewind is te lezen dat [appellant] sinds de instelling van het bewind meewerkend en gemotiveerd is om tot een oplossing van de schuldenproblematiek te komen. [appellant] heeft verder tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn werkzaamheden bij een kringloopwinkel in het kader van een re-integratietraject onlangs heeft beëindigd, omdat hij binnenkort op basis van een jaarcontract fulltime in loondienst komt als behanger. Uit genoemde omstandigheden kan worden opgemaakt dat bij [appellant] sprake is van een bestendige positieve gedragsverandering, op grond waarvan het hof aanleiding ziet om toepassing te geven aan de hardheidsclausule en daarmee voorbij te gaan aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw. [appellant] kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.
4De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 juni 2019 en, opnieuw recht doende:
verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant] .
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, H.L. Wattel en M.B. Beekhoven van den Boezem, en is op 29 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...