ECLI:NL:GHARL:2019:9672 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2019 / 18/00749 en 18/00750

Wet Woz. Waardevaststelling autoshowroom.

Source officielle

10 min de lecture 2 195 mots

Inhoudsindicatie. Wet Woz. Waardevaststelling autoshowroom.

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00749 en 18/00750

uitspraakdatum: 12 november 2019

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

de heffingsambtenaar van Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

en de incidentele hoger beroepen van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 6 juli 2018, nummer Awb 17/2055 en nummer Awb 17/2056, in de gedingen tussen de heffingsambtenaar en belanghebbende

1Ontstaan en loop van het geding

nummer 18/00749

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2016 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2017 vastgesteld op € 777.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (gebruiker niet-woning) voor het jaar 2017 opgelegd.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de waarde verminderd tot € 654.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

nummer 18/00750

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak [b-straat 2] te [A] , per waardepeildatum 1 januari 2016 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.361.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting (eigenaar niet-woning en gebruiker niet-woning) voor het jaar 2017 opgelegd.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de waarde verminderd tot € 1.240.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

beide nummers

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. De zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld, tezamen met de zaak met nummer 18/00751. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2Vaststaande feiten

Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . Het betreft een autoshowroom met werkplaats, kantoor en werkruimte, gebouwd in 2006.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [b-straat 2] te [A] . Het betreft een autoshowroom met werkplaats, kantoor en opslag/magazijn, gebouwd in 1984 en nadien uitgebouwd in 2002, 2003 en 2015.

3Geschil

In geschil is de waarde van de beide onroerende zaken per waardepeildatum 1 januari 2016, in het bijzonder de in het kader van de huurwaardekapitalisatie-methode te hanteren huurwaarden en kapitalisatiefactoren.

4Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed (vgl. Kamerstukken II 1992-1993, 22885, nr. 3, blz. 44, en HR 8 augustus 2003, nr. 38.085, ECLI:NL:HR:2003:AI0924).

Op de heffingsambtenaar rust de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarden niet te hoog zijn.

[a-straat 1]

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatierapport van taxateur [B] van 5 oktober 2017 (alsmede diens aanvulling hierop van 19 december 2018 en het nadere stuk van 12 september 2019) waarin de waarde van de [a-straat 1] is bepaald op € 856.000. Die waarde is in het taxatierapport – voor zover relevant – als volgt opgebouwd:

Omschrijving

K

O

U

D

V

Opp.

Huurwrd/m2

Huurwaarde

KF

Waarde onderdeel

Showroom

3

4

374

60

22.440

10,7

240.108

Werkplaats

3

4

3

726

50

36.300

10,7

388.410

Kantoor

4

3

4

104

83

8.632

10,7

92.362

Werkruimte

4

3

4

243

52

12.628

10,7

135.122

Totaal

1.447

80.000

856.002

Voor de huurwaarde van € 80.000 is aansluiting gezocht bij het eigen huurcijfer van belanghebbende. Uit de overgelegde huurovereenkomst volgt een huuringangsdatum van 15 maart 2016 en een looptijd van 12 maanden met de mogelijkheid tot verlenging met telkens 1 maand. Het eigen huurcijfer is daarmee rond de waardepeildatum gerealiseerd. De omstandigheid dat de huur is aangegaan voor een jaar als tijdelijk onderkomen van belanghebbende in afwachting van het gereedkomen van nieuwbouw, acht het Hof niet van zodanig gewicht dat niet van het eigen huurcijfer kan worden uitgegaan. Dat vanwege die korte looptijd een meer dan marktconforme huur is betaald, heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd.

Ter onderbouwing van de kapitalisatiefactor van 10,7 zijn bij het nadere stuk marktgegevens overgelegd met betrekking tot de onroerende zaak [c-straat 3] te [C] , te weten een verkoopcijfer (leeg en geheel ontruimd) van € 675.000 per 28 september 2018 en een (geschoond) jaarhuurcijfer van € 60.000 per 1 juli 2017, waaruit een kapitalisatiefactor zou volgen van 11,25 (€ 675.000 / € 60.000). Tussen het jaarhuurcijfer en het verkoopcijfer is meer dan een jaar gelegen. Bovendien zijn beide marktgegevens te ver van de waardepeildatum gerealiseerd om te kunnen dienen als een voldoende onderbouwing van de kapitalisatiefactor voor het onderhavige object. In het taxatierapport is overigens niet inzichtelijk gemaakt hoe tot een kapitalisatiefactor van 10,7 is gekomen. Het Hof gaat voorbij aan een vergelijking met de kapitalisatiefactoren die zijn vermeld bij de referentieobjecten in het taxatierapport, aangezien die zijn gebaseerd op schattingen omtrent de huur- respectievelijk verkoopwaarden van de desbetreffende objecten. De gehanteerde kapitalisatiefactor is evenmin gecontroleerd door middel van een ‘bottom-up’ berekening. Een dergelijke (controle)berekening van de kapitalisatiefactor ligt in de rede bij een gebrek aan voldoende bruikbare marktgegevens.

Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde niet aannemelijk gemaakt.

Belanghebbende kan evenmin worden gevolgd in de door haar verdedigde waarde overeenkomstig het door haar ingebrachte taxatierapport van taxateur [D] van 14 april 2017 (en diens aanvulling hierop) waarin de waarde is bepaald op € 571.000. De taxateur van belanghebbende gaat uit van een huurwaarde die ruim beneden het eigen huurcijfer ligt, terwijl – zoals hiervoor is overwogen – geen aanleiding bestaat hiervan af te wijken. Bovendien is niet inzichtelijk gemaakt hoe die huurwaarde kan worden afgeleid uit de hem ter beschikking staande huurtransactiecijfers van automotive-panden. Onduidelijk is gebleven om welke huurtransactiecijfers het gaat. De door de taxateur van belanghebbende berekende kapitalisatiefactor van 7,7 berust ten slotte op inschattingen en aannames omtrent onder meer het opslagrisico. De taxateur van belanghebbende heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij op basis van marktgegevens tot die inschattingen en aannames is gekomen. De door hem opgestelde marktanalyses aan de hand van verkooptransacties, acht het Hof onvoldoende.

Gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om de door de Rechtbank in goede justitie op € 654.000 bepaalde waarde te verhogen of te verlagen.

[b-straat 2]

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatierapport van taxateur [B] van 5 oktober 2017 (alsmede diens aanvulling hierop van 19 december 2018 en het nadere stuk van 12 september 2019) waarin de waarde van de [b-straat 2] is bepaald op € 1.400.000. Die waarde is in het taxatierapport – voor zover relevant – als volgt opgebouwd:

Omschrijving

K

O

U

D

V

Opp.

Huurwrd/m2

Huurwaarde

KF

Waarde onderdeel

Showroom

3

1.400

50

70.000

9,6

672.000

Kantoor

3

235

50

11.750

9,6

112.800

Opslag/magazijn

3

300

30

9.000

9,6

86.400

Werkplaats

3

600

42

25.200

9,6

241.920

Vergaderruimte

3

425

45

19.125

9,6

183.600

Opslag/magazijn

3

125

30

3.750

9,6

36.000

Kantoor

3

55

45

2.475

9,6

23.760

Opslag/magazijn

3

14

30

420

9,6

4.032

Werkplaats

3

89

45

4.005

9,6

38.448

Totaal

3.243

145.725

1.398.960

In hoger beroep is niet langer in geschil dat uitgegaan moet worden van een huurwaarde van € 145.725.

Ter onderbouwing van de kapitalisatiefactor van 10,7 zijn bij het nadere stuk marktgegevens overgelegd met betrekking tot de onroerende zaak [c-straat 3] te [C] , te weten een verkoopcijfer (leeg en geheel ontruimd) van € 675.000 per 28 september 2018 en een (geschoond) jaarhuurcijfer van € 60.000 per 1 juli 2017, waaruit een kapitalisatiefactor zou volgen van 11,25 (€ 675.000 / € 60.000). Tussen het jaarhuurcijfer en het verkoopcijfer is meer dan een jaar gelegen. Bovendien zijn beide marktgegevens te ver van de waardepeildatum gerealiseerd om te kunnen dienen als een voldoende onderbouwing van de kapitalisatiefactor voor het onderhavige object. In het taxatierapport is overigens niet inzichtelijk gemaakt hoe tot een kapitalisatiefactor van 9,6 is gekomen. Het Hof gaat voorbij aan een vergelijking met de kapitalisatiefactoren die zijn vermeld bij de referentieobjecten in het taxatierapport, aangezien die zijn gebaseerd op schattingen omtrent de huur- respectievelijk verkoopwaarden van de desbetreffende objecten. De gehanteerde kapitalisatiefactor is evenmin gecontroleerd door middel van een ‘bottom-up’ berekening. Een dergelijke (controle)berekening van de kapitalisatiefactor ligt in de rede bij een gebrek aan voldoende bruikbare marktgegevens.

Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde niet aannemelijk gemaakt.

Belanghebbende kan evenmin worden gevolgd in de door haar verdedigde waarde overeenkomstig het door haar ingebrachte taxatierapport van taxateur [D] van 20 april 2017 (en diens aanvulling hierop) waarin de waarde is bepaald op € 1.101.000. De door de taxateur van belanghebbende berekende kapitalisatiefactor van 7,4 berust op inschattingen en aannames omtrent onder meer het opslagrisico. De taxateur van belanghebbende heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij op basis van marktgegevens tot die inschattingen en aannames is gekomen. De door hem opgestelde marktanalyses aan de hand van verkooptransacties, acht het Hof onvoldoende.

Gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om de door de Rechtbank in goede justitie op € 1.240.000 bepaalde waarde te verhogen of te verlagen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande zijn zowel de hoger beroepen als de incidentele hoger beroepen ongegrond.

5Griffierecht en proceskosten

Aangezien de aangevallen uitspraken van de Rechtbank in stand blijven, zal van de heffingsambtenaar griffierecht worden geheven, waarbij rekening wordt gehouden met samenhang in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) vast op € 1.024 (2 punten (verweerschrift in hoger beroep en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512). Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 18/00749 en 18/00750 samenhangend zijn als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb.

6Beslissing

Het Hof:

bevestigt de uitspraken van de Rechtbank,

veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.024, en

bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 508.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 12 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (V.F.R. Woeltjes)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 november 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.